Skip to main content

Full text of "Natuurkundig tijdschrift voor Nederlandsch-Indië"

See other formats


mmm 



«L 



tSSÊ 



r 



™ 



HBU 



fflft 



M 



gfó 



HL 



m 



mmm 



rUUVWUwWilVlM 



IE 

Bi 

MM 



5 
H 

■SffiH 



HHaownncUffUnwiS 




lo .?.«> 






-pjj$ 






X Ê$3S£ 



t 



* 



NATUMKUNMG TIJDSCHRIFT 



VOOR 



NEDERLANDSCH-INDll, 



UITGEGEVEN DOOR DE 



'~ts 



KONINKLIJKE NATUURKUNDIGE VEREENIGING 



NEDE-HLANDSCH-INDIB. 



^ 



DEEL XL„ 



ACHTSTE SERIE. 
DEEL I. 



BATAVIA, 
ERNST & Co. 



's GRAVEM1AGE, 
MARTINUS NYHCXFF. 



1881: 



(1 



J® 




*, 



NATUURKUNDIG TIJDSCHRIFT 



voon 



NEDERLANDSCH-INDIE. 



fi.tyttA.kö . 



NATUURKUNDIG TIJDSCHRIFT 



VOOR 



NEDERLANDSCH-1NMË, 



UITGEGEVEN DOOK DE 



KONINKLIJKE NATUURKUNDIGE VEREEN1G1NG 



IN 



NEDERLANDSCH1NDIE. 



DEEL XL,, 



ACHTSTE SERIE. 
DEEL I. 



BATAVIA, s GRAVEN» AGE, 

ERNST & Co. I MARTINUS NYHOFF. 

1881. 




INHOUD 

VJLTS DEEL. XL 



Bladz. 

Naamlijst der Leden van de Koninklijke Natuurkundige Vereemging 

in Ned.-Indië , op 1 Januari 1880 I — XV, 

Levensbericht van Dr. P. Bleeker 1 . 

Geschriften van Dr. P. Bleeker over Ichthyologie , in chrono- 
logische volgorde 49 . 

Register der geschriften naar de vindplaatsen ,. . 90. 

Register der geschriften naar de familiën 94 . 

Catalogus van ichthyologische verhandelingen naar de Tijdschrif- 
ten waarin zij gepubliceerd werden 97. 

Nolice sur 1' Alias ichthyologique des Indes orientalcs Ncerlandaises . 131 . 
Chronologische opsomming der werken en artikels over verschil- 
lende takken van kennis (Ichthyologie uitgesloten) 143. 

Jhjdrage lot de kennis der Cruslacecn-Fauna van Jaya's Noordkust, 

door Dr. C. Ph. Sluiter 159 . 

Het vijftigjarig Julibé van den Heer Johannes Elias Teijsmann 165. 

Aanteekeningen 177. 

Iets over Pengaron- en Assahankolcn en de bruikbaarheid van de 

eersten voor gasbereiding, door Dr. H. Cretier 183. 

Verslag cener reis* naar Nieuw-Guinea, door J. E. Teijsmann 193, 



vi inhoud. 

Bladz. 
Verslag over de Gouveniemenls-kina-onderneming op Java over liet 

jaar 1879, door J. G. Bernelot Moens..... 283. 

Bijlagen 307. 

Collectie gesteenten, uit het kabinet van het Mijnwezen ontvangen 

door de Natuurkundige Vereeniging.. 316. 

Over de samenstelling van eenige wateren van den Salak, door 

Dr. H. Cretier 322. 

Drukfouten en aanteckeningen betreffende de verslagen van de geogr. 
dienst, die afgedrukt zijn in de verhandelingen en het Natuurkundig 
Tijdschrift, uitgegeven door de Kon. Nat. Vereeniging te Batavia. 327. 
Ueber einige neue Holothurien von der West-Kuste Java's von Dr. 

C. Ph. Sluiter (Mit 7 Tafeln) 333. 

Ananus Holothuroides (n. g. und n. sp.) 333. 

Ocnus Javanicus. (n. sp.) '." 341 . 

Haplodactyla Hualoeides. (n. sp.) 345. 

Microdaclyla Caudata. (n. sp. und n. sp.) 348. 

Chirodata Variabilis. (?) SEMr 352. 

Anhang. Ueber die radchen der chirodoten 354. 

Erklaring der Tafeln 356. 

Verslag van de werkzaamheden en den toestand der Koninklijke Na- 
tuurkundige Vereeniging in Ncderlandsch-Indie over 1879 door 

Dr. P. A. Bergsma 359. 

Notulen van de vergaderingen der Koninklijke Natuurkundige Ver- 
eeniging in Ncderlandsch-Indie, gehouden in 1880 365. 

Vergadering der Directie, gehouden op 15 Januari. 1880 365. 

Vergadering der Directie, gehouden op 18 Maart 1880 368. 

Vergadering der Directie, gehouden op 15 April 1880 373. 

Vergadering der Directie, gehouden op 20 Mei 1880 377 . 

Vergadering der Directie, gehouden op 17 Juni 1880 380. 

Vergadering der Directie, gehouden op 15 Juli 1880 382. 

Vergadering der Directie, gehouden op 19 Augustus 1880 . . 384 . 
Vergadering der Directie, gehouden op 16 September 1880. . 387 



inhoud. vii 

Bladz. 
Vergadering der Directie, gehouden op 21 Oclober 1880.... 389. 

Mededeeling van den Voorzitter omtrent eene merkwaar- 
digheid, waargenomen hij Emeu-eieren 392 , 

Kritiek van 0. Jacobsen over hel vocht van Wichersheim . . 392, 
Algemeene Vergadering, gehouden op 22 Novemher 1880... 394. 
Vergadering der Directie, gehouden op 1G December 1880.. 395. 
Lijst van Boekwerken, ter lafel gebracht in de vergaderingen der 

Koninklijke Natuurkundige Vereeniging, gedurende 1880 400. 

Errata 419 



NAAMLIJST DER LEDEN 



VAN DE 



l.\ 



NEDERLANDSCH INDIË, 
op 1 Januari 1880. 



Dagteekening van oprichting 19 Juli ls.>o 

Oprichters. 

Dr. P. Bleeker, f 1878: J. H. Croockewit Hz , C de 
Groot, P. J. Maier, f 1878; P. Baron Melvill van Carnbee 
+ 1856: C. M. Schwaner, + 1851; Dr. H. D A. Smits, f 
1855; Dr G. Swaving . 

Beschermheer. 

Zijne Majesteit de Koning der Nederlanden 

Honorair Beschermheeh 

Mï. A. J. Duijmaer van Twist. * 

Besturende Leden. 

Datum van benoeming 

1. G. F. de Brnijn Kops, 11 Maarl 1854. 

2. Dr. N. J. Hoorweg, 2 Augustus 1862. 

3. Dr. P. A. Beirgsmn . 27 December » 

4. Dr. L. W. fr. de Roo, 27 

5. Dr. C. L. van der Burg, 19 October 1867. 



ÏI 



6. 

7. 

8. 

9. 
10. 
11. 
12. 
15. 
14. 
15. 
10. 

17. 



I. 
2, 

3. 
4. 



J. 

H 

S. 

L J . 

Dr 

Dr 

G 

Dr 

A 

Dr 

Dr 

Dr 

.lli 



'O. 

6. 

7. 

8. 

9. 
10. 
11. 

11 
13. 
14. 
15. 



J W. E van Riemsdijk, 
L. Janssen van Raaij, 
Polak , 
van Dijk, 
. C. Gutleling, 
F. H. Bauer, 
A. de Lange, 
H. Crclier, 
G . Vorderman . 
Il Onnen , 
J P. van der Stok , 
C P. Sluijter, 

Honoraire Leden. 
•• F VA Ridder de Sluers 



Datum van benoeming 
30 December 1867. 
23 » 1871. 

17 Februari 1872. 

17 Januari 1874. 
17 

18 September •> 

17 Maart 187G. 
16 September » 
20 April 1878. 

19 September » 
19 

15 Mei [1679. 

, 7 Augustus 1857 



J. B. Killer von VVullerslorfl' Urbair 



Mr 

A 

Fr 

Jb 

J. 

Dr 

M 

C 

Mr. 



P. Mijer, 
W. P. Weitzel, 
Graaf de Castelnau, 

Mr. F W L de Kook 
Groli; 

C Swaving , 
Tb. Reiene, 
de Groot, 

L A .1 W 



21 Mei 
28 » 

24 Februari 
30 Maart 

8 » 
19 Juli 
10 Januari 
28 Maart 

8 Juli, 



14 April 
18 Mei 

22 Januari 
18 Mei 



Baron Sloel van 

de Beele, 
VV. F. Versteeg, 
A J. C. Edeling, 
Mr. J. Loudon, 
J E. Teijsman 

CORRESPONDEERENDE LEDEN IN NeDERLANI» 

(Maximum aantal 30). 
C. H. D. Buijs Ballot, Utrecht, 17 Februari 
P Harting » 17 » 

H, Schlegel, Leiden, 17 



1858. 
» 
1859. 

1 860 

n 

1863. 

» 
1865 

1866 

» 
1870 
1872 



Dr. 
Dr. 
Dr 



18! 



UI 



Datum van benoem in j 



4. 
5. 
6. 

7. 

8. 

9. 

10. 

11. 

12. 
13. 
14. 
la. 
16. 
17. 
18. 

19. 
20. 
21. 

22. 
23. 



Dr. F. J. Stamkart, Amsterdam, 
Dr F. G Donders, Utrecht, 
Dr. L. Ali Cohen, Groningen. 
Dr A. W M. van Hasselt, Utrecht , 
Dr. J K. Hasskari, 
Dr. G. A. .1. Oudemans , Amsterdam , 
Mr. S. G. Snellen v. Vollcnhoven, 
Utrecht , 

Dr. F. W. C. Krecke, Utrecht, 
Dr. E. H. von Baumhaner. Haarlem, 
Dr. A. C. Oudemans. 
Dr. M. Salverda, 's Hage. 
Dr. F. W. R. Suringar. Leiden, 
Dr. J. Bosscha Jr , Delft, 
Dr. N. W. P. Rauwenhofï, Utrecht, 
Dr. H. G. v. d. Sande Bakhuijsen, 
Leiden , 

Dr. P. J. Veth, Leiden. 
Dr. P. de Boer, Groningen. 
Dr. 1. W. Gunning, Amsterdam, 
Dr. J. A. G. Oudemans, 'Utrecht, 
G. Ritsema, Leiden, 



19 Juli 


1853 


16 Februari 


1854. 


28 


1855. 


28 


1856 


28 


1857. 


15 Juni 


1858. 


15 Juni 


1862 


24 Septemher 


1864 


il TC 


» 


16 November 


1867 


20 Januari 


1868 


21 December 


1872 


21 


» 


21 


» 


21 


» 


21 


» 


20 December 


1875 


21 Maart 


1874 


17 September 


1875 



17 



GORRESPONDEERENDE LEDEN IN HET BUITENLAND. 



(Maximum aantal 

1. R. O wen , Londen . 

2. P J van Beneden , Leuven , 

3. J. P. Dumas, Parijs, 

4. A. A. Duméril . Parijs. 

5. RA. Göppert , Breslau . 

6. I. Hijrtl, Weenen, 

7. A Mousson , Zürich , 

8. L. Beichenbach , Dresden. 

9. I. Steënstrup, Kopenhagen, 

10. F. E. Guérin MéneviHe, Parijs 



;o). 



17 Februari 


1855. 


28 


1856 


28 


» 


28 


» 


28 


» 


28 


» 


28 


w 


28 


» 


28 


n 


i:. Juli 


1858 



IV 









Datum van benoeming 


11. 


W 


. von Haidinger , Weenen , 


10 November 


1859 


12. 


Dr 


J . Moleschott , Turijn , 


24 September 


1864 


15. 


Dr 


F. Hochstetter, Weenen, 


n 


w 


14. 


Dr 


. Strüve , Pulkowa , 


28 Januari 


1865 


15. 


J. 


B . Davis , Londen , 


29 Maart 


1859. 


16. 





Beccari, ïurin, 


15 Juni 


1872. 


17. 


G. 


Ritter von Frauenfeld , Weenen 


, 21 December 


» 


18. 


D 


J. Whitney, San Francisco, 


21 


n 


19. 


Dr 


F. von Muller, Melbonrne, 


21 


» 


20. 


N. 


de Miclucho-Maclay , 


16 Augustus 


1875. 


21. 


A. 


Russell Wallace , Londen , 


20 December 


» 


22. 


Dr 


A. Ie Solis, Cherbourg, 


16 December 


1867. 


23. 


Dr 


A B . Meijer , Dresden , 


18 Mei 


1878. 






Gewone Leden in het Buitenland. 




1. 


Dr 


K . Scherzer , Weenen , 


21 Mei 


1858. 


2. 


Alex. Perrey, Dijon , 


5 Juli 


1860. 


5. 


Dr 


F Krauss, Stuttgart, 


5 » 


» 


4. 


E 


la Porte , Bordeaux , 


20 Maart 


1861. 


5. 


K 


von Boer, St. Petersburg, 


20 >; 


.. 


6. 


Dr 


W. R. Weitenweber , Praag, 


17 April 


»> 


7. 


Dr. 


E von Marlens, Berlijn, 


27 Juni 


.«65. 


8. 


Dr 


Friedmann , Muncben , 


8 Augusius 


» 


9. 


E. 


Slöhr, Züricb, 


14 Octobei 


1865. 



Gewone Leden in Neder!. Indie. 





Datum van benoeming 


G. F. de Bru ij n Kops, 


51 October 


1850. 


H < von Gaiïron , 


13 December 


» 


Dr. C. F. A. Schneider, 


17 April 


1851. 


S . Binnendijk , 


9 October 


» 


G ,1. Filet, 


19 Juli 


1854. 


H. L. Janssen van Raaij , 


21 October 


1856. 


Dr. J. C. Ploem, 


26 Februari 


1857. 


J. F. den Dekker, 


11 Juni 


» 


P. W. A. Beijen, 


27 November 


» 


G . A . van Delden , 


25 December 


1858. 


K. F. Holle, 


30 Maart 


1859 


J. C. Bernelot Moens , 


9 Juni 


» 


P. C. van Motman, 


23 » 


» 


J. J. W. E. van Riemsdijk, 


28 Juli 


» 


K. VV. Hamillon of Silvertonhill , 


13 October 


» 


Dr. C L Vlaanderen , 


27 


» 


J. G. F. Riedel, 


6 December 


1860. 


Jhr D . F . van Alphen , 


16 Januari 


1861 . 


Radh. Adipati Proto Noto Amiprodjo, 


16 


» 


F A . Enklaar van Guericke , 


20 Maart 


» . 


H J Staverman , 


17 Juli 


» 


Dr. C. L. van der Burg, 


28 December 


» 


Dr. N J. Hoorweg, 


22 Februari 


1862. 


Dr. L W. G. de Roo, 


22 


» 


Dr PA. Bergsma , 


26 April 


» 


M .1 Schram, 


2 Augustus 


» 


C M. G. A. Ecoma Verstege 


13 


1864. 


J. W. Schneider, 


14 Januari 


1865. 



VI 







Datum van benoeming. 


29. 


WH. van Waesberge, 


14 Octobci» 1865. 


50. 


G. ,1. .1. Deutz, 


28 April 1866, 


51. 


Mr. M. G. Piepers. 


28 » 


52. 


Kaden Saleh 


28 Juli 


53. 


W L Rogge. 


13 Oetober » 


54. 


J. Heringa, 


15 December » 


55. 


A. H Hisgen, 


16 Maart 1867 


56. 


Dr R. 11. G ^ Scheller, 


28 ■ 1868 


57. 


E. Polak, 


21 November » 


38. 


Dr. G. de Gavere. 


21 


39. 


H. A. Hardeman, 


22 Januari 1870 


40. 


Dr. C. Gutteling. 


19 September » 


41. 


Di. J. P. Kloos, 


19 


42. 


Mr. W, Stortenbeker , 


15 Qfctober 


45. 


|j G .1 Gr Vriesman . 


16 September 1871 


44. 


H . ,1 . Wigman . 


25 December >> 


45. 


J. van Selms, 


17 Maart 1872 


46. 


J. J. M Evertz, 


20 April 


47. 


J. H. Kievils. 


18 Mei 


48. 


W. Pontier, 


18 » 


49. 


Mr. A. M. Üiidemans. 


18 • 


50, 


.1 0. Klimmer. 


18 ■ 


51. 


Th. L K: ven Kotsch, 


15 Juni 


52. 


M. D. van Riemsdijk. 


21 December 


53. 


L. Taats, 


19 April 187: 


54. 


Dr. H. Neubronner van der 


Tmik, 19 » 


55. 


,1. G L Ducker, 


19 ■ 


56: 


W van Vöokhuijzen , 


19 » 


57. 


II ; Oosterwijk , 


19 Juli 


58. 


IN . P van den Berg . 


19 » 


59. 


G. W. ten Brummeler, 


16 Angnslns 


60 


A . G . Vorderman , 


16 


61 


. Dietrich . 


20 September » 


62 


. J Idsinga. 


20 


65 


G. F. Michielsen, 


20 



VII 



64. 


P 


van Dijk, 


65. 


G. 


A L Tröger. 


66. 


H 


C. van Huijvcii , 


67. 


IV 


J . A . Renaud , 


68. 


J 


Sturmer , 


69. 


I) 


J . de Leeuw , 


70. 


.1. 


J. van Santen , 


71. 


S. 


J. Wolff, 


72. 


A 


Mijer Pz ., 


75. 


S. 


Verburgh , 


74. 


R 


Fennema , 


75. 


I 


A . Hooze , 


76. 


Dv 


. F. H. Bauer, 


77. 


I 


A. Hamburg, 


78. 


Dr 


. C. H. A Weslhoff 


79. 


I 


G. Milius, 


80. 


L 


B . van Maanen , 


81. 


D. 


A. Hooijer, 


82. 


I. 


A Huguenin , 


83. 


F 


A. de Graaff, 


84. 


I 


F. Mossel, 


85. 


W 


. Broese van Groenou . 


86. 


M 


J H . ter Linden , 


87. 


H. 


J. G. Bonemeijer, 


88. 


H 


E. Eyssell, 


89. 


A. 


G. G. Peltzer, 


90. 


W 


. F. Vogelsang, 


91. 


D 


Pies , 


92. 


R 


C. Kroesen, 


95. 


I 


P. Sprenger van E ijk 


94. 


A 


J. Spaan, 


95. 


D. 


Maarschalk , 


96. 


I. 


L. L. van Leeuwen, 


97. 


P. 


van Baak, 


98. 


W 


. de Boer, 



Datum van benoeming. 


20 September 


1875 


18 Oelotrer 


» 


18 


» 


20 December 


» 


17 Januari 


1874, 


17 


o 


28 Februari 


)> 


21 Maart 


» 


18 April 


» 


18 » 


» 


19 Juni 


» 


19 » 


n 


19 >> 


» 


10 Juli 


r> 


10 . 


» 


10 »> 


» 


10 » 


» 


lp » 


» 


21 Augustus 


;» 


21 


» 


20 November 


8 


20 


4 


22 Januari 


1875. 


26 Februari 


» 


.19 Maart 


» 


19 > 


» 


21 Mei 


« 


21 » 


» 


18 Juni 


i) 


16 Juli 


» 


15 October 


» 


17 December 


» 


17 


» 


21 Januari 


1876. 


18 Februari 


v 



VIII 

Daluni van benoeming. 
W . G M W. Zuur. 17 Maar! 187K 

100. J. N. Zelisse, 

101. P H. B. van Wijngaarden 

102. F. A P Wenlholt, 
105. H. Wakkie 
104. 



120. 
121. 
122. 
123. 
124. 
125. 
126. 



17 
17 

17 



G. I. H. Tin-nee, 17 



17 

7 



105. W. Veer, n 

106. G. 6* de Villeneuve, ** 

107. A. Vorslius. 

108. L. H. N. Vriesman, l7 

109. KL. van Schouwenburg, H 

110. I Schalij, ] ] 

111. WE. Schenck, 1' 

112. L. J Selleger, [f 

113. A. Seubert, 

114. R. F. de Seijif, i7 

115. P. J Siedenburg, l7 

116. P. W. van Spall, 

117. D. F. Stoll Jr., 

118. Dr. G B. P de Ruljler, ft 

119. M. J Praeger, l7 
J . P van der Ploeu 1 7 
H. von Oven. 17 
F Overhand, 

G. A. de Lange, l7 

W. de Lange, 17 

W. J. M. Linden. 17 

G. I. N. Loomeijer, 17 

127. H Ludewig, 

128. Dr J. G E. Machik . 17 

129. Mr. P A Matthes, 17 

130. I H viU1 ( * er Meulen ' 1T 

151. J, Milder, 17 

152. S. J Nuinans, 1T 
135. T. C. J. Kroesen, i7 



IX 







Datum van 


benoeming. 


154. 


P. liartflfcerg Jr., 


17 


Maart 


187K 


155. 


0. Fürst, 


17 


B 


b 


156. 


1) A I B. de Graaff, 


17 


» 


» 


157. 


] Groneman , 


17 


» 


9 


158. 


A D J Groenemeijér , 


17 


» 


8 


159. 


Houtsager, 


17 


■ 


» 


140. 


VV . van der Haar , 


17 


» 


» 


141. 


Dr. W. Hamaker, 


17 


rt 


. 


142. 


B . Epple , 


17 


» 


» 


145. 


E . Douwes Dekker , 


17 


» 


» 


144. 


0. üürler, 


17 


)) 


» 


145. 


I. de Clercq Zubli, 


17 


• 


n 


146. 


P., L. Bakhuis, 


17 


» 


n 


147. 


Jhr. C G I Barnaart, 


17 


■ 


. » 


148. 


W . Buurman , 


17 


» 


» 


149. 


Dr. A. K W. Arntzenius, 


17 


» 


» 


150. 


Dr. J. L'Ange Huet , 


17 


» 


» 


151. 


A. JVI. Anlhonijsz, 


21 


April 


n 


152. 


j. Th. Andriesse, 


21 


» 


* 


155. 


F lieijerinck , 


21 


» 


» 


154. 


S. Bloem, 


21 


» 


« 


155. 


W. A. G. Bakker, 


21 


» 


» 


156. 


J.M. van Berkel, 


21 


» 


» 


157. 


Mr. C. G. de Beus, 


21 


» 


» 


158. 


Jhr E . G.H.H, van Bevervoorde 


, 21 


» 


" 


159. 


J. M. Bloemhard, 


21 


» 


» 


160. 


S. Bleekrode, 


21 


» 


» 


161. 


PA Bol, 


21 


» 


n 


162. 


P H de Bruijii, 


21 


» 


"' 


165. 


A. de Bruijn Mz , 


21 


)> 


)5 


164. 


H I G van der Burch , 


21 


» 


8 


165. 


A. G. F. de Burlet, 


21 


« 


» 


166. 


F Butin Bik, 


21 


» 


» 


167. 


I. A. Coster, 


21 


» 


» 


168. 


W. S. Cramer, 


21 


» 


» 



1 



169. DJ Crol, 

170. VV. Daumiller, 

171. J. Dekker, 

172. E. Th. van Delden, 
175. J. D. Donker Duijvis, 

174. HE. Öórrepaal, 

175. G. L. Dorrepaal, 

176. P. Dunlon. 

177. Mr J J. G Enschedé 

178. J. P. Ermêling, 

179. S Everts, 

180. D. Gerthvan Wijk. 

181. P. W G. Gout,, 

182. J. P. G. Gravenhorsl, 
185. I. W Groenenieijer , 

184. S. L. H. Harlog, 

185. H. Helder, 

186. W. F. Heskes, 

187. VV H. Heijtman, 

188. H B H. Horsker. 

189. W L Homans, 

190. C. A L. G. Jeekel 

191. F. Jellinghaus, 

192. C. Kater, 

195. A A. Keniper, 

194. E. .1 Kerkhoven, 

195. Mr. R A. Kerkhoven, 

196. MS. der Kinderen, 

197. Mr. H. Klein. 

198. J. R. Kleijn, 

199. G. J E Klencke. 

200. A. M P Krijger, 

201. G. Kruymel, 

202. D. G. J. Kool, 

203. F. J. Koops, 



Datum van 


benoeming 


21 April 


1876 


21 ■ 


» 


21 . 


■ 


21 » 




21 » 


D 


21 i 


«) 


21 . 


» 


21 . 


» 


21 


i) 


21 


» 


21 


- 


21 « 


» 


21 i 




21 ■ 


1 


21 . 


- 


21 • 


■ 


21 - 


- 


21 » • 


»> 


21 , 


• 


21 • 


• 


21 ■ 


« 


21 » 


- 


21 » 


» 


21 » 


t> 


21 • 


* 


21 * 





21 » 


» 


21 » 


» 


21 h 





21 i 


t> 


21 ■ 


* 


21 » 


- 


21 » 


• 


21 » 


» 


21 » 


> 



XI 



204. 


A K H. Klokke. 


21 


205. 


.1 Lecgstra . 


21 


206. 


L HAT H. P. ï. von Littmann, 


21 


207. 


G V Lohr, 


21 


208. 


Mr G H Manuel , 


21 


209. 


A .1 . van Marie , 


21 


210. 


A G 1 Marx, 


21 


211. 


I. H Men ten, 


21 


212. 


W. J. M Michielsen, 


21 


215. 


L. J. J. Michielsen, 


21 


214. 


E G, H Mossou, 


21 


215. 


A. Muijderman, 


21 


216. 


L . C . van Nouhuijs , 


21 


217. 


F. M. A Perk, 


21 


218. 


F K K. Beijer ini Hoff, 


21 


219. 


C 0. van der Plas. 


21 


220. 


P. A. Palm, 


21 


221. 


G. du Pré. 


21 


222. 


Th. S. Reijneke, 


21 


223. 


P. R. de Rochemont, 


21 


224. 


.1 H. D L Sanger, 


21 


225. 


John S . Sarkies , 


21 


226. 


J. H. P. Saijers, 


21 


227. 


J. W Th van Schaick , 


21 


228. 


F K. Scherins, 


21 


229. 


F Th. Schrödei , 


21 


230. 


Mr. F. H E Schüssler, 


21 


231. 


J. H. Schuijlenhurg , 


21 


232. 


E. Sieburgii, 


21 


235. 


J . H M . van Slooten , 


21 


234. 


M. J Snouck Hurgronje, 


21 


255. 


Dr J. H. Th. Sollewijn Gelpcke 


, 21 


256. 


A. P. G. Steinau, 


21 


237. 


D. F. Stoll, 


21 


258. 


A. Streiff, 


21 



Datum van benoeming, 
'il 1876. 



XII 



259. 
240. 
241. 

242. 

245. 

244. 

245. 

246. 

247. 

248. 

249. 

250. 

251. 

252. 

255. 

254. 

255. 

256. 

257. 

258. 

259. 

260. 

261. 

262. 

263. 

264. 

265. 

266. 

267. 

268. 

269. 

270. 

271. 

272. 

273. 



W. W. C'i Suriugai , 

A. Stoll . 

P T Laging Tobias, 

C. H Vechtman, 

H R. A. Vechtman, 

A . van der Ven , 

A. de Vletter, 

W C. de Walick, 

T. Walter, 

J L. Weber. 

J . .1 de Weijer , 

P. van der Weide, 

\ F . Wiederbold , 

D. de Wit, 

E. de Woliï, 
M. Valk Lz . 
A . Schneider , 

L A Sanders , 

G. P. A. Renaud, 

j. A B. Mastholl', 

W G. Leimbruggen, 

Jhr. H. F Leijssius, 

A. Graaf van Limburg Stirum, 

Mr T H der Kinderen , 

A. Holle, 

H. C. .! . P. van Hardenbergh , 

G. Fischer, 

J. C. d'Engelbronner , 

C. H. de Braconnier, 

A . Feikema , 

J. Thie, 

VI. Terwen, 

J . F . Schenkhuize'i , 

,1. W. C. Rüpert. 

R. N. Rijkschroeff, 



Datum van benoeming 
21 April 1876 

21 ■ 

21 » 

21 ■ 

21 » 

21 » 

21 i 

21 » 

21 » 

i\ i 

21 

21 « 

21 » 

21 » 

21 

19 M<i 

19» 

19 ■ 

19 » 

10 , 

19 » 

19 » 
19 

19 . 
19 -> 
19» 
19 » 
19 • 
19 » 
19 » 

7 Juli » 



XIH 







Datum van benoeming. 


274. 


J. Rogier, 


7 Juli 


1876 


275. 


L. W. D. A. Renesse van Duijvenbode, 7 


» 


„ 


276. 


H. H. Prins Wielandt, 


7 


» 




277. 


J . H Polman , 


7 


» 


* 


278. 


C. W. Palm, 


7 


» 


» 


279. 


C . A . Niessen , 


7 


» 


» 


280. 


G. L. Hilling, 


7 


» 


» 


281. 


M. de Haas. 


7 


» 


„ 


282. 


Ant . Guyot , 


7 


» 


» 


285. 


Dr H. Cretier, 


7 


., 


» 


284. 


P. P du Cloux, 


7 


» 


» 


285. 


A. A. Bruijn , 


7 


» 


„ 


286. 


A . Bommel , 


7 


» 


» 


287. 


M G. H. G. Coenen, 


18 


Augustus 


,. 


288. 


J . F van Lakerveld , 


18 


» 


» 


289. 


J. G. J. van Oppenraaij, 


18 


September 


» 


290. 


H. Holtz, 


28 October 


» 


291. 


J. A Kluijt, 


28 


» 


» 


292. 


A. M. J. Bolsius. 


16 


December 


» 


295. 


Jhr. A. H. van der Does de Bije , 


16 


» 


y, 


294. 


Joh C. Veenhuijzen , 


16 




n 


295. 


Dr H Breitenstein , 


20 Januari 


1877. 


296. 


Dr. Leo Moscovicz, 


20 


,) 


» 


297. 


Dr. R. A. J. Snethlage, 


20 


» 


a 


298. 


G. W F. Dekama, 


20 


„ 


» 


299. 


Mr. G. T. H. Hennij, 


20 


» 


» 


500. 


G. H. Blanken, 


17 ] 


Febrtiari 


» 


501. 


A. G. Veldman, 


17 


» 


n 


502. 


J. M. van der Valk, 


17 


» 


» 


505. 


Dr. L. K Wennekendonk, 


17 


» 


» 


304. 


J. P. G. Johannsen , 


17 


» 


» 


505. 


Dr. Waschke, 


17 


» 


» 


506. 


J. B. Westenberg, 


17 


» 


» 


507. 


F. A. Liefrinck, 


17 


Maart 


» 


308. 


J. W. Dersjant, 


17 


9 


» 



XIV 

Datum van benoeming. 

509. W. A Reuhl, 17 Maar{ ,877 

310. F. N. Knoch, 17 » 

bil. H. T. P. Oberton, 17 B 

312. J. Paul Stricker, 17 

315. D. Houtman, 17 ' 

314. R.C. van der Palm. I 7 B 

315. H C Stennekes, 17 * 

316. G.-Stoll, 17 " 

317. E. Heijning Jr., 1 ' 
318 HG. Boumeesln 17 

319. ft. C'. d'Abo, « April 

320. H. Pieck, ° 21 " 

321. A. K. J. Kaffer, 21 * 

322. J. J. Meijer, 16 Juni 

323. J J. Slaal, 16 ' 
324 Dr J P. van der Stok. * 6 " 
325. J. C Ribbers, 2S Jllli 
526. Dr. M Albricbl, 28 * 

327. L J. Andrée Willens, 27 Qctobör 

328. Jhr. P. W. Wesl palm van Hoorn, 19 Januari 1878 

329. HL. Vernbout, J9 

550. H. P Julsing, 

551. P. van Muijen , 



19 



552. F. von Baluseck, - 19 

335. W S van Buuren, 19 

534. H. van Kol, 19 

355. D Kolling, 19 

556. F. J. Visser. 19 

337. H.C. Soeters, 19 

538. J. J H. Smeenk, 19 

339. B. J. Stof berg, 

540. P. Pels, 

341. E. A. Reisig, 

542. N. A. Rutjl, 19 

343, G, A. lloogenstraaten , 19 



L9 

19 



XV 



344. A. J. Pluijgers, 

545. H van Meerten , 

546. A H G. Fokker, 

547. H R ÏUjkens, 

548. A Massink, 

549. J. F. W. Wessels, 

550. J. P. van Lier, 
351. L. J. Sanlman , 

552. J. van Oldenborgh . 

553. L. H. Kramer, 

554. Gr. C. Twijsel, 

555. ,1. Faes, 

356. H. Fitz Verploegh, 

557. .1 H. C. Godin, 

558. Dr. K. H. Merleus , 
359. J. de Booij, 

560. Dr. H. Onnen , 

361. S. Jacobs Azn., 

362. H. Prange, 

565. Dr C. P Sluijter, 

564. J. Stormer, 

565. J. Verheul, 

366. L M. Beels, 

367. A. H Berkhout, 
568. J. Heijnis, 

369. J. G. van Heukelom, 

370. H. der Kinderen. 

571. P. F. Sijlhoff, 

572. J. Beek, 

373. S. Warleria, 

374. Dr. Ph. Posewitz, 



Datum van 


benoeming 


16 Fehrua 


pi 


1878 


16 




n 


16 




n 


16 







16 » 




» 


16 




» 


16 




)> 


16 




., 


20 April 




» 


20 




.» 


20 




» 


20 




» 


20 




■ 


20 » 




n 


18 Mei 




» 


20 Juni 







20 Juli 




s 


21 Noveni 


!>er 


» 


16 Januai 


i 


1879 


17 April 




» 


17 




» 


17 Juli 




n 


17 » 







17 . 




» 


17 » 




• 


17 • 




» 


17 » 




• 


17 » 




• 


21 Augus 


Us 


» 


20 November 


• 


20 




» 



LEVENSBERICHT 



VAN 



l>'. P. BLEEKER 



Het Bestuur «Ier Koninklijke Natuurkundige Vereeniging be- 
sloot in zijne vergadering van 20 April 1878, om, wanneer de 
levensbeschrijving van Dr . P . Bleeker in het Jaarboek der 
Koninklijke Akademie van Weienschappen Ie Amsterdam zou 
zijn verschenen, daarvan een uittreksel in het Natuurkundig 
Tijdschrift op te nemen. 

De Akademie week ditmaal van hare gewoonte af, om aan 
een der overblijvende leden op te dragen, eene levenschets 
van den overledene te geven, maar nam in haar Jaarboek de 
autobiographie op, die door Bleeker was nagelaten. 

De Redaktie van het Natuurkundig Tijdschrift aarzelt niet, 
deze autobiograpbie uil de Annalen der Akademie over te 
nemen, Ie meer, daar de aanteekeningen, die tot grondslag 
er van gestrekt hebben , door Bleeker bij zijn vertrek uit 
Indië in het Archief der Vereeniging zijn achtergelaten . Hel 
zijn diezelfde aanteekeningen , die, later aangevuld en uitgebreid, 
de bouwstoffen hebben geleverd voor Bleeker's autobiographie. 

In het daarin beschreven werkzaam leven heeft de Natuur- 
kundige Vereeniging eene niet onbelangrijke rol vervuld. Van 
de oprichting af (Juli 1850) was Bleeker onafgebroken haai 
Voorzitter en tevens Ifoofd-redakleur van het Tijdschrift , tot 



aan zijn vertrek naar Europa (Sept. 1860). In deze dubbele 
belrekking bracht bij niet weinig bij tot den bloei der Ver- 
eeniging. Uit de achter de autobiographie gevoegde opsom- 
ming van Bleeker's geschriften , eveneens overgenomen uit het 
Jaarboek der Koninklijke Akademie, blijkt, dat het grootste 
gedeelte daarvan in dit Tijdschrift voorkomt. Als voorzitter 
bepaalde hij zich niet tot het leiden der vergaderingen : de 
uitvoerige jaarlijksche verslagen van zijne hand, in de eerste 
10 deelen van het Tijdschrift voorkomende, bewijzen, hoezeer 
hem de Natuurkundige Vereeniging ter harte ging en hoe hij 
zich steeds beijverde, om de Vereeniging te doen beantwoorden 
aan haar hoofddoel : vermeerdering van de kennis omtrent 
den natuurlijken toestand van den Nederlandsen Indischen 
Archipel . 

Moge de herinnering aan een man, wiens streven steeds 
was: opwekking van wetenschappelijk leven bij zijne tijdge- 
nooten, en die telkens met vernieuwden ijver middelen be- 
raamde , om dat doel te bereiken , onder welke omstandigheden 
hij ook geplaatst was, een prikkel zijn tot onverflauwde werk- 
zaamheid op wetenschappelijk gebied in Nederlandsen Indië, 
een land, dat zulk een ruim veld voor natuurwetenschappelijk 
onderzoek oplevert en waar Bleeker de 18 beste jaren van 
zijn leven doorbracht en arbeidde! 



LEVENSBERICHT 



VAN 



PIETER BLEEKER. 



DOOR HEMZELVEN 



-^^^3<^- 



Sedert lang ligt achter mij het keerpunt, waarop de mensch 
teruggaat, zooal niet in streven, dan toch in vermogen en 
krachten dat streven te verwezenlijken. Gevorderde leeftijd 
brengt met zich neiging tot terugzien op den afgelegden 
levensweg, behoefte aan herinnering hoe het leven werd besteed, 
een natuurlijk verlangen dat de balans des oordeels van eigen 
streven en handelen gunstig moge doorslaan voor eigen be- 
wustzijn, en de wensch dat de critiek der buitenwereld daar- 
mede instemme. 

Wie als autobiograaph optreedt, is onmogelijk onpartijdig 
waar het geldt waardeering van eigen werken en streven # 
Eene autobiographie is uit den aard der zaak deels lofrede, 
deels pleitrede. Uit den aard der zaak ook legt men niet open 
voor 't publiek, wat men verholen wenscht. 

Eene autobiographie kan dus ook niet anders zijn dan een 
deel van het beeld dat men te schetsen wenscht. Het andere , 
minder schoone, misschien volstrekt niet schoone deel, is er 
onzichtbaar. 

Toch ben ik er toe gekomen eene soort van autobiographie 
op te stellen, en alzoo eene soort van lofrede, van halfbeeld; 



en al mocht ik meenen dat mijne bedoeling eene andere is, 
dan zou uit zoodanige meening slechts blijken dat eene zekere 
mate van ijdelheid mij parten speelt. 

Reeds het feit dat eene eigen levensbeschrijving bestemd 
wordt voor openbaarmaking, wanneer dan ook, sluit in zich 
een hoogere waardeering van eigen leven dan strooken kan 
met de eischen eener matige zedigheid. 

Maar er is ook een ander gezichtspunt. 

Wanneer een leven gewijd is geweest aan wetenschap en 
deze eene niet onbelangrijke schrede deed vooruitgaan, dan 
behoort dat leven aan de wetenschap, en dan is de kennis er 
van soms noodig voor eene juiste waardeering van wat het 
voortbracht. De wetenschap heeft recht te weten wie en wat 
de schrijver was; onder welke omstandigheid hij leefde en 
arbeidde; over welke bouwstoffen en hulpmiddelen hij kon 
beschikken. Zij heeft recht de gegevens te bezitten om een 
oordeel te kunnen hebben omtrent de betrouwbaarheid van het 
geboekstaafde, in zoover dat oordeel niet te vestigen was uit 
den aard zelf van het openbaar gemaakte. 

Maar de schrijver zelf heeft evenzeer recht dat men bekend 
zij met de bijzonderheden van zijn leven en streven. Waar 
hij te kort schoot, kan die kennis hem rechtvaardigen of zijne 
tekortkomst vergoelijken; waar hij iets bijzonders of buiten- 
gewoons wrocht, kan zij overschatting van verdienste voorko- 
men of temperen. 

Ik meen mij te mogen rekenen tot degenen die der weten- 
schap niet onnut zijn geweest. Ik vermeen zelfs , haar op een J 
enkel punt niet onbelangrijk te hebben uitgebreid. En ik mis 
bijgevolg de zedigheid, mij niet te rekenen tot de personen,] 
omtrent wie de wetenschap recht heeft iets meer te vernemen! 
dan blijkt uit hunne openbaar gemaakte werken. 

Reeds daardoor ontstond de neiging eenige bijzonderheden 
uit eigen leven te boekstaven. — Wat echter het besluit rijpte | 



tot eigen biographie is de wensch naar juiste schafting door 
navolgers, met het oog op de omstandigheden waaronder het 
verrichte werd tot stand gebracht ; de wensch dat bekend zij dat 
ik heb geleefd onder weinig gunstige omstandigheden voor 
vorming en ontwikkeling; dat mijne loopbaan voor een groot 
deel geweest is niet die mijner roeping, en dat men daarin 
althans gedeeltelijk vinde de verklaring, voor mij de veront- 
schuldiging, dat mijne werken veelal niet den stempel dragen 
van onberispelijkheid. 

Bovendien kan ik cene biographie niet ontgaan. Het lid- 
maatschap van een paar wetenschappelijke instellingen brengt 
met zich dat na overlijden persoon en arbeid zullen worden 
in herinnering gebracht, onverschillig of daarvoor andere aan- 
leiding zij dan het bij die instellingen bestaand gebruik. 

Voor wie op zich zal nemen na mij zich tot het weten- 
schappelijk publiek te richten acht ik, met het oog op het 
over mij uit te brengen oordeel, meer gegevens noodig, dan 
vervat zijn in mijne geschriften, en in wat de pers van tijd 
tot tijd voor het publiek heeft gelieven te bestemmen. 

Die gegevens, voor zoover zij levensomstandigheden en arbeid 
betreffen, zijn in de volgende bladen beknoptelijk nedergelegd. 



1. 

Ik behoor niet tot de bevoorrechten voor wie reeds in de 
wieg eene onbezorgde loekomst in het verschiet lag. 

Mijne ouders waren eenvoudige burgerlieden. Mijn vader, 
zeer jong reeds wees , en zonder middelen , had met veel in- 
spanning zich aan armoede weten te onttrekken en zich op 
rijpen leeftijd als zeilmaker te Zaandam gevestigd. Mijne moe- 
der, evenzeer reeds zeer jong weeze, zag het matig fortuin 
harer ouders te niet gaan in de catastrophen van het begin 
der eeuw. 



Uit het huwelijk mijner ouders sproten talrijke kinderen , 
die echter, op. vier na, in de eerste kinderjaren stierven. Ik 
was op één na de jongste en werd geboren te Zaandam, den 
10 den Juli 1819. 

Mijne eerste jeugd was weinig bewaakt en met weinig zorg 
geleid. Het onderwijs aanvankelijk voor mij bestemd, werd 
gegeven op eene talrijk bevolkte minder dan middelmatige 
school. Er was daar geen gelegenheid om iets meer te leeren 
dan lezen en schrijven, een weinig rekenen en eenige begrip- 
pen van aardrijkskunde en geschiedenis. Toen ik mijn twaalfde 
jaar bereikt had, werd geoordeeld dat de tijd voor school- 
onderwijs voor mij voorbij was en een keuze moest worden 
gedaan van eenig ambacht of vak , waarin ik moest trachten 
een bestaan te vinden. 

Wat ik op de school had geleerd was een zeer onvaste 
grondslag voor verdere ontwikkeling. Ik had er meer kennis 
opgedaan van het onnuttige dan van het nuttige. Ik herinner 
mij nog, dat ik in die jaren ruimschoots de kwade eigen- 
schappen of slechte hoedanigheden bezat , het gevolg van weinig 
zorg en opvoeding, en omgang met talrijke schoolmakkers van 
ruw gehalte. Ik had meer lust in jongenss treken van allerlei 
aard , dan in de smakelooze lessen der onderwijzers. Ook 
rekende men mij volstrekt niet onder de knapste scholieren , 
maar wel onder de voornaamste der belhamels. 

Toch had ik toen reeds eene voorliefde voor eene soort van 
kennis die men op de school als aardrijkskunde bestempelde. 
Mijn grootste genoegen, wanneer ik niet op straat kon zijn, 
was het nateekenen van landkaarten en ik wijdde daaraan bij 
voorkeur de vroege ochtenduren. Ik meende toen in de aard- 
rijkskunde niet onervaren te zijn en dat was op mijn tiende 
tol twaalfde jaar mijn eigen soort van eerzucht en ijdelheid. 

Een onbegrensde eerbied voor historische namen, aan welke 
zich grootsche daden verbonden, deed ook toen reeds ontkie- 



men de onbestemde zucht te trachten ook mij zelven een naam 
te maken. 

Toen ik genoodzaakt was een beroep te kiezen , en de school 
had moeten verlaten, lachte mij het meest toe eenig studievak , 
onverschillig welk. Ik was tot het bewustzijn gekomen, dat 
mij als het ware nog alle kennis ontbrak. En hoe, meende 
ik, kon ik meerdere kennis verkrijgen, wanneer ik niet genie- 
ten kon van verder en beter onderwijs ? Bovendien was mij 
het hoofd eenigszins warm gemaakt door ter mijner kennis 
gekomen betuigingen van onderwijzers en van een predikant 
der gemeente waartoe mijne ouders behoorden, dat het jammer 
zou zijn indien ik niet tot eenig studievak kon worden opgeleid. 

Maar bij de beperktheid van de middelen mijner ouders, 
kon er geen sprake zijn van opleiding tot hooger onderwijs. 

Een gedeelte van het ouderlijk huis werd bewoond dooreen 
apotheker, Bertram Brachet geheeten. Van mijne vroegste 
schooljaren af aan , bewoog ik mij in zijne w r oning als in de 
ouderlijke. Zijne apotheek was mijn tehuis even goed als zijne 
woning. Al spelende was ik bekend geworden met wat de 
apotheek bevatte, en zelfs min of meer met de receptuur. 
Brachet was ongehuwd en hield van mij alsof ik zijn kind 
was, maar van eenige wetenschappelijke opleiding door hem 
kon geen sprake zijn. 

Brachet gaf mijn ouders in overweging mij te doen opleiden 
tot apotheker, en opende daarbij het vooruitzicht dat ik een- 
maal, hij was een grijsaard van diep in de zestig, als opvolger 
in zijne trouwens zeer weinig beklante zaak zou kunnen optreden. 

Er werd dan ook besloten dat ik 'apotheker zou worden , 
en ik herinner mij dat het besluit mij hoogst welkom was , 
omdat het mij bevrijdde van de keuze van eenig ambacht. 

Hiermede was de teerling van mijne verdere lotsbestemming 
geworpen. 



8 

Aan voorbereidende opleiding voor het vak der pharmacie 
ontbrak nog nagenoeg alles. Van vreemde levende talen bad 
ik evenmin iets geleerd als van latijn of grieksch. Toch \v;is 
iets van die kennis in de eerste plaats voor verdere studie 
onmisbaar , en er werd nu besloten dat ik eenige lessen zou 
ontvangen in het fransen en latijn , om mij daarna te plaatsen 
als leerling in eeue apotheek te Amsterdam. 

Te Amsterdam bracht ik drie jaren door als élève-apolbeker. 
Het was in die jaren vooral dat mijn lust tot studie ontwaakte 
en de bewustheid levendig werd van de noodzakelijkheid van 
zelfvorming. Het nietige der kennis van mijne geboorteplaats 
meegebracht, de nieuwe horizon die zich voordeed door aan- 
vankelijke kennismaking met werken over de natuurkundige 
en pharniaceutische wetenschappen , en een onbestemd verlan- 
gen om eenmaal ook iets in die wetenschappen te beteekenen , 
waren zooveel prikkels voor mijn ijver. Maar ik moest geheel 
zelfstandig mijn weg zoeken. Van mijn patroon , alhoewel hij 
zich tot mijne wetenschappelijke opleiding als pharinaceut ver- 
bonden had, was leiding noch hulp te verwachten. Hem ont- 
braken daartoe de lust en de kennis. En van bet nemen van 
privaatlessen of het bezoeken der toenmaals nog bestaande 
clinische school kon geen sprake zijn , omdat geen middelen 
beschikbaar waren buiten die om de kosten mijner plaatsing 
als élève te bestrijden. 

Minder viel in mijn smaak het practisehe leven in de apo- 
theek, de receptuur en de kleine mechanische bezigheden die 
mij werden opgedragen , en de wensch werd weldra levendig 
naar een ruimeren werkkring dan die zich in de hoofdzaak 
bepaalde tot het gereedmaken der voorschriften van geneesheeren. 

Bovendien waren door het overlijden van Brachet de voor- 
uitzichten vervlogen , eenmaal als zijn opvolger te kunnen 
optreden. 

Ik besloot toen te trachten mij te bekwamen in de genees- 
eu heelkunde. 



Maar <!<■ beperkte middelen waarover beschik! kon worden , 
beten niet toe mijne studiën aan een der hoogescholeu voort 
Ie zeilen en ik moest lot bereiking van mijn doel wel den 
minst kostbaren weg inslaan. 

Na ommekomst mijner leerjaren in de apotheek verbond ik 
mij als assistent bij een apotheker te Haarlem, zonder salaris, 
maar onder voorwaarde van vergunning de lessen aan de toen- 
malige clinische sehool aldaar bij te wonen. Ik bleef in die 
betrekking evenwel slechts enkele maanden, omdat zij weldra 
bleek te weinig tijd beschikbaar te laten zoowel voor het bij- 
wonen der lessen als voor eigen studie Den tijd dien ik nog 
verder aan de clinische school moest doorbrengen, kon ik ge- 
heel aan de studie wijden , doordien ik in de gelegenheid werd 
ges leid eene eenvoudige kamer te huren. 

Üe toenmalige clinische school te Haarlem beantwoordde zeer 
middelmatig aan haar bestemming. De lectoren, op een paar 
uitzonderingen na , waren niet berekend voor de taak die op 
hen rustte, en het onderwijs, met uitzondering slechts van 
dat in ontleed- en natuurkunde van den mensch, was hoogst 
onvoldoende geschoeid. Zoo bijv. bestonden de lessen in de 
pathologie uitsluitend uit vertaalde dictaten der pathologie van 
Gaubius en van de commentariën daarop van Eijerel en om 
die dictaten volledig te geven werden vier volle jaren gebezigd. 
En dat was in de jaren 1858 tot 1840. Met de collegies in 
de andere vakken was het niet o! niet veel beter gesteld en 
het practisch onderwijs in de genees- en heelkunde liet alles 
te wenschen over. 

Ik kwam dan ook weldra tot het besef, dat ik in den regel 
mijn tijd nuttiger kon besteden dan door dien aan de collegies 
op te offeren, en dat zelfstandige studie mij verder zou kunnen 
brengen dan de leiding der school. 

Zoolang ik te Amsterdam als apothekers-leerling werkzaam 
was, had ik eene bijzondere voorliefde gekoesterd voor schei- 
kunde, en mij daarin naar vermogen bekwaamd. Mijne ver- 
anderde beslemming deed die voorliefde eenigszins op den 



10 

achtergrond treden, en wijken voor die voor anatomie, phvsio- 
logie en zoölogie, in welke laatste wetenschap evenwel aan de 
clinische school in het geheel geen onderwijs werd gegeven. 

Door deze voorliefde voor physiolqgie en zoölogie geraakte ik 
in strijd met mijne dadelijke hestemming, die geen andere was 
dan om mij te bekwamen voor de betrekking van chirurgijn 
en plattelandsgeneesheer, in welke ik genoodzaakt zou zijn. 
na volbrachte examens, mijne middelen van bestaan te vinden. 

Toch bracht de drang der omstandigheden mede dat ik die 
examens, na een tweejarig verblijf te Haarlem, zou afleggen- 

Ik richtte nu mijne studiën zoodanig iu dat ik aan die om 
aan de examens te voldoen niet meer dan den hoogst noodigen 
tijd wijdde, en mij voor het overige geheel overgaf aan de 
vakken waartoe mij eene bijzondere voorkeur trok. 

Te Haarlem bloeide toen en bloeit nog eene instelling, be- 
kend onder den naam van Teyler's stichting. De rijke biblio- 
theek van Teyler had weldra voor mij meer verlokkends dan 
de collegies. Met vrijgevigheid voor mij opengesteld, werd zij 
mij eene tweede woning, waar ik een groot deel van mijn 
verblijf te Haarlem doorbracht: niet echter in het belang van 
mijne genees- en heelkundige studiën, want het waren daar 
vooral de werken over zoölogie, vergelijkende anatomie en ont- 
wikkelingsgeschiedenis die mij meest boeiden. 

In de eerste helft van 1840 werd ik bevorderd tot stedelijk 
heelmeester en plattelandhgeneeskundige, maar daarmede waren 
mijne wenschen geenszins bevredigd. Mijn hoogste wensch 
was toenmaals de doctorstitel. Maar de middelen waren niet 
aanwezig om mijne studiën aan de hoogeschool langer dan een 
jaar voort te zetten , en een poging om vergunning te erlangen 
tot het binnen een jaar tijds afleggen van de voor eene pro- 
motie vereischte examens, bleek voor inwilliging niet vatbaar 
te zijn. 

Te jong nog en te jeugdig van voorkomen om van een 
optreden als practisch genees- en heelkundige eenig gunstig 
gevolg te mogen verwachten, en bovendien meer neiging ge- 



11 

voelende om mij te wijden aan de natuurkundige dan aan de 
geneeskundige wetenschappen, besloot ik te trachten eene plaat- 
sing te bekomen aan 's Rijks Museum van Natuurlijke historie 
te Leiden. Ik vervoegde mij tot dat einde bij den toenmaligen 
directeur van dat Museum C. J. Temminck, maar de poging 
was vruchteloos. Er was geen plaats open , zelfs geene die 
mij een zeer nederig bestaan kon verzekeren , en méér had ik 
voorloopig niet verlangd. 

Ik besloot nu met de geringe nog aanwezige middelen waar- 
over beschikt kon worden naar Parijs te gaan , om daar zoo- 
lang zij zouden reiken , mijn studiën voort te zetten. 

Te Parijs bleef ik ruim een half jaar, wat slechts mogelijk 
werd door het betrekken van een klein kamertje au troisième 
in het quartier latin, en het niet te nauw te nemen mei be- 
hoorlijke voeding en verwarming. 

Ik besteedde daar mijne ochtenduren in de hospitalen en de 
middaguren in de inrichtingen van den Jardin des Plantes, en 
ik deed er ook mijn voordeel met de lessen van Andral, 

PlORRY, ORFILA , VELPEAU, ROUX , GeRDY , DUCROTAY J)E BLAIN- 

ville, Brog.xiart en andere celebriteiten van dien tijd. De 
omstandigheid dat ik als vreemdeling, en in het bezit van Hol- 
landsche diploma's, kosteloos tot het bezoeken der inrichtingen 
en tot het bijwonen der collegies werd toegelaten, vergunde 
mij langer te Parijs te verblijven dan ik mogelijk had geacht. 

In het voorjaar van 1841 was ik in Holland terug. Eene 
nieuwe poging lot plaatsing aan 's Rijks Museum mislukte 
evenzeer als de vroegere, en van vestiging als praclisch genees- 
en heelkundige kon nog evenmin sprake zijn als in 1840. 

Weldra echter opende zich het vooruitzicht tot plaatsing als 
officier van gezondheid bij het leger in Indië. Ik besloot mij 
aan het daartoe vereischte examen te onderwerpen, en in Mei 
1841 kreeg ik mijne aanstelling als officier van gezondheid 
derde klasse. 



12 

II. 

Bij mijnt' benoeming lot militairarts werd mij als yöprloopigé 
standplaats aangewezen Harderwijk, waar ik bij bel militair 
bospitaal dienst zon doen totdat mijn verlrek naar Indië zou 
zijn bepaald. 

Dat vertrek had plaats op het einde van Oetober 1841. Een 
kaagschip was bestemd het detachement waartoe ik behoorde 
over te brengen van Harderwijk naar Hellevoetshüs , waar het 
regat Prins van Oranje gereed lag het te ontvangen voor het 
transport naar Batavia. 

De reis begon onder weinig gunstige voorteekenen , en onder 
weinig aangename omstandigheden. Het verblijf voor het de- 
tachement gedurende den overtocht naar Hellevoetsluis was 
het ruim der kaag, belegd met stroo en waar de afscheiding 
der officieren van de manschappen slechts bestond uit een los- 
sen zeildoekschen wand. Reeds op de Zuiderzee werd de kaag 
door storm beloopen, en kreeg zooveel water binnen dat het 
strooleger van officieren en manschappen geheel doorweekt werd. 
Een tweede storm op het Haarlemmermeer deed de kaag stran- 
den , en nadat zij met veel inspanning vlot geworden was, 
raakte zij in de Maas nogmaals aan den grond. Na een reis 
en een logies op nat stroo van vier dagen kwam ik ziek aan 
boord van de Prins van Oranje. Deze bodem naar Brouwers- 
haven gesleept, werd door tegenwind en stormen nagenoeg 
een maand lang verhinderd uit te zeilen, en toen hij eindelijk 
nauwelijks het anker had gelicht, door een hevigen storm ge- 
teisterd en met vernieling op de Hollandsche kust bedreigd. 
Nauwelijks eenige dagen op zee brak een oproer uit onder de 
militairen van het detachement, dat slechts door de energiö 
der officieren spoedig en beslissend werd onderdrukt. 

Maar hiermede ook was de rij der tegenspoeden afgeloopen 
en werd de reis kalm voortgezet. Den 10 den Maart 1842, naj 
een reis om de Kaap van 110 dagen, liet de Prins van Oranje 






13 

het anker ter reede van Batavia vallen , en begon mijne loop- 
haan in Nederlandsch Indië. 



III. 

De benoemingen destijds lot officier van gezondheid voor 
Indië luidden »bij de land- en zeemacht", en het lot was mij 
al dadelijk gunstig, daar ik kort na mijne aankomst in Indië 
geplaatst werd bij de landmacht, en wel bij het garnizoen te 
Weltevreden. 

Batavia was toenmaals nog de eenige plaals in Nederlandsch 
Indië, waar Europeesche beschaving en wetenschap eenigszins 
redelijk waren vertegenwoordigd. Daar bloeide de eenige we- 
tenschappelijke instelling waarop Nederlandsch Indië toen mocht 
bogen. Daar bloeide toenmaals ook het Tijdschrift voor Ne- 
derlandsch Indië, het eenige wat toen in Indië bestond. En 
ik achtte mij derhalve gelukkig, door mijne plaatsing te Batavia 
in de gelegenheid te zijn, in aanraking te komen met de trou- 
wens weinige personen die zich op wetenschappelijk gebied 
bewogen. 

Eene bijzondere omstandigheid gaf aanleiding, dat mijne 
voorloopige plaatsing te Batavia in eene meer duurzame werd 
veranderd. 

De geneeskundige dienst in Indië was, in 1842, op eene 
veel geringere leest geschoeid , niet zoozeer wat talrijkheid van 
personeel en posten betreft, als wel de hoofd-administratie. 
De chef was, even als thans, niet alleen hoofd van den mi- 
litair-, maar ook van den civiel-geneeskundigen dienst, maar 
zijn bureel of zijn staf, thans samengesteld uit een hoofdofficier 
en eenige subalterne officieren en ambtenaren , bestond toen 
eenvoudig uit een kommies en een klerk. 

Het lot viel mij te beurt de eerste officier van gezondheid 
te zijn die als adjudant aan den chef werd toegevoegd. Door 
deze betrekking, die mij nagenoeg den geheelen dag bond aan 
het bureel en aan arbeid van adminisUatieven aard, bleef 



14 

weinig tijd en gelegenheid over om mij aan de wetenschap te 
wijden, doch ik was er door verzekerd te Batavia te kunnen 
hlijven, en mij daar voor zelfstandige nasporingen voor te be- 
reiden. 

Een der punten op wetenschappelijk gebied waarover ik, al 
kort na mijn aankomst in Indië, mij verbaasde, was het vol- 
strekt ontbreken aldaar van eenig tijdschrift voor de geneeskundige 
en natuurkundige wetenschappen, en ik besloot te trachten een 
zoodanig tijdschrift in het leven te roepen. Ik was zoo gelukkig 
jii mijne poging te slagen en reeds in 1844 te doen verschijnen 
den eersten jaargang van het «Natuur- en Geneeskundig Archief 
van Nederlandsen Indië". Zooals mijne nederige positie toen 
meebracht, stond op den titel de toenmalige chef van den ge- 
neeskundigen dienst P. J. Godefroy als hoofd en mijn persoon 
als laatste lid der redactie. 

Het Natuur- en Geneeskundig Archief was de voorlooper van 
de «Koninklijke Natuurkundige Vereeniging" en van de »Ver- 
eeniging ter bevordering van de geneeskundige Wetenschappen" 
in Nederlandsen Indië. Het bleef echter slechts in stand lol 
het jaar 1847, toen ik wegens verplaatsing naar Samarang, 
mij niet meer met de redactie kon belasten en anderen niet 
te bewegen waren de redactie op zich te nemen. 

Met de oprichting van dit tijdschrift was blijkbaar een nuttig 
werk verricht. De bijdragen bleven niet achterwege, en de 
just tot onderzoek , en tot bet openbaarmaken van de uitkom- 
sten er van, werd bij genees- en natuurkundigen er niet weinig 
door opgewekt. Toen de uitgave werd gestaakt , hadden vier 
lijvige boekdeelen het licht gezien. 

Tot eigen onderzoek had ik spoedig na mijne aankomst in 
Indië gekozen de natuur- en geneeskundig-topographische ge- 
steldheid van Batavia. Ik vond er aanleiding in tot het op- 
stellen der Bijdragen tot geneeskundige topographie van Batavia , 
artikels waarmede ik mijn loopbaan als publicist begon en in 
het Natuur- en Geneeskundig Archief en het Tijdschrift voor 
Nederlandsen Indië opgenomen. Op later leeftijd was en bleef 



15 



ik over deze eerste pennevruchlen zeer onvoldaan, maar daar 
zij aanleiding gaven lot mijne benoeming honoris causa tol 
doclor in de wis- en natuurkunde aan de hoogeschool te Leiden , 
hielpen zij den lang gekoesterden wensen tot verkrijging van 
den doctorstitel vervullen. 

Het onderzoek van de faunislische gesteldheid der hoofdplaats 
van Nederlandsch Indië gaf ook de eerste [aanleiding tot de 
studie waaraan ik een groot deel van mijn volgend leven zou 
wijden. 

Toen ik trachtte meer van nabij bekend te worden onder 
anderen met de te Batavia voorkomende visebsoorten , stuitte 
ik spoedig op een aantal mij volstrekt onbekende vormen. Er 
waren echter te Batavia geen ichthyologische werken te vinden, 
behalve dat van Lacépède. De noodige litteratuur moest alzoo 
uit Europa worden ontboden, alvorens tot de bepaling dei- 
soorten kon worden overgegaan. En toen ik na lang wachten 
de hulpmiddelen bezat om de soorten te onderkennen, bleek 
spoedig dat betrekkelijk vele nog niet in de registers der we- 
tenschap waren opgenomen. 

Het vooruitzicht op een ruimen oogst voor de wetenschap 
deed mij nu meer bepaald besluiten, van de ichthyologie eene 
meer bijzondere studie te maken. Daarbij kwam dat dienst- 
betrekking en beperkt inkomen niet toelieten, op breede schaal 
mij toe te leggen op de practische studie van andere dierklas- 
sen. Het verzamelen van visschen was noch zeer üjdroovend, 
noch zeer kostbaar. De vischmarkten leverden overvloed aan 
materiaal en de bewaring der voorwerpen was gemakkelijk, 
vermits zij slechts na eene kleine toebereiding in hun geheel 
in arak behoefden te worden geplaatst. Weldra bevatte dan 
ook mijne verzameling eenige honderden soorten, waaronder 
talrijke in de wetenschap nog onbekende. Reeds in de jaren 
1845 en 1846 vond ik daarin aanleiding tot het openbaar 
maken van enkele ichthyologische bijdragen. Ook rijpte weldra 
het plan, mijne ichthyologische onderzoekingen over Java en 



IS 

geheel Nederland sch Indië uit te breiden, en reeds in 1845 
onderwierp ik het onderwerp van den Atlas Ichthyologique des 
Indes orientales neêrlandaises aan de Indische Regeering. Wei- 
nig dacht ik toen nog aan de moeielijkheden en opofferingen 
die ik mij met de verwezenlijking van dat onderwerp bereidde, 
en geenszins kon ik vermoeden dat een tijdvak van minstens 
veertig jaar noodig zou blijken, om het geheel lot uitvoering 
te brengen. 

Reeds in de eerste maanden van mijn verblijf te Batavia 
had ik kennis gemaakt met een man , die op het lot van Neêr- 
landsch Indië van grooten invloed is geweest. W. R. Baron 
Van HoëvELL was toen hoofdredacteur van het Tijdschrift voor 
Nederlandsen Indië en Voorzitter van het Bataviaasch Genoot- 
schap van Kunsten en Wetenschappen. Met dit genootschap 
was ik ook in nauwere belrekking geraakt door mijne benoe- 
ming tot Bibliothecaris, die spoedig gevolgd werd door die tot 
Secretaris. Ik kwam daardoor veel in aanraking met Van 
HoëvELL, en ik stond hem ook naar vermogen bij, waar het 
gold bevordering van den bloei van het Genootschap en van 
de Wetenschap in het algemeen. 

Toen later Van HoëvELL bij de Regeering minder gezien was, 
omdat zijn voornitstreven niet lag in haar richting, en zijn 
pogen om der pers eenige meerdere vrijheid te verschaffen door 
het Gouvernement werd gewantrouwd, deed de Regeering mij 
de onverdiende eer aan, haar ongenade ook tot mij uit (e 
strekken. Onwillekeurig ook had ik daartoe eenige aanleiding 
gegeven. 

Java was toenmaals, in een statistisch opzicht, zeer weinigj 
bekend. De regeeringsverslagen , later de zoo rijke bron voorj 
de statistische kennis der Indische gewesten , werden niet open- ] 
baar gemaakt. Van statistisch bureel of van ambtenaren voorj 
de statistiek was toen nog geen sprake. Eenige kleinere reizen ] 
in West-Java en eene reis in 1846 over geheel Java, als adju- 1 
dant van den chef van den geneeskundigen dienst, had mijne 
reeds vroeger opgewekte belangstelling in de betere statistische 



kennis van dat eiland zeer doen toenemen. Vooral trok de 
statistiek der bevolking mijn aandacht, en nadat ik bij de 
Regeering vruchteloos aanzoek had gedaan, door openstelling 
der archieven mij in die studie behulpzaam te zijn, vond ik 
gelegenheid op mijne reizen bij de gewestelijke autoriteiten de 
bouwstoffen te verzamelen , welker raadpleging mij te Batavia 
was geweigerd. 

Hel openbaarmaken mijner Bijdragen tot de bevolkingssta- 
tistiek van Java, hoe onschuldig ook, bleek in het oog der 
Regeering te zijn iets strafbaars. Maar wat mij vooral de 
ongenade der Regfering berokkende, was het plaatsen vaneen 
brief in het Tijdschrift van Van Hoövell, waarin ik de aan- 
dacht vestigde op het bezwarende van de frankeering voor 
Nederland van gedrukte wetenschappelijke stukken, waarvan 
de kosten der verzending onder kruisband, per toen pas in 
werking getreden overland-post, bijv. voor een deel van het 
Natuur- en Geneeskundig Archief meer dan honderd gulden 
bedroegen. Die brief, in zeer bescheiden bewoordingen geschre- 
ven (zie Tijdschr. Ned. Indië, Jaarg. VIII, Dl. IV., p. 114), 
werd geacht te zijn van oproerigen aard, en zulks te meer, 
omdat hij was geplaatst in het tijdschrift, van den man , wiens 
streven naar vooruitgang het ongenoegen der Regeering in 
hevige mate had opgewekt. 

Men zag in het samengaan der titularissen van het Bata- 
viaasch Genootschap en der beide wetenschappelijke tijdschriften 
eene coalitie die moest worden verbroken. 

De gelegenheid daartoe deed zich voor in 1847, bij mijne 
bevordering tot chirurgijn-majoor. De formatie van den genees- 
kundigen dienst liet niet toe, in dien rang adjudant van den 
chef te blijven. De toenmalige chef Dr. W. Bosch, bekend 
door wat, hij voor de wetenschap en in het belang der Indische 
bevolking heeft verricht, had mij bestemd om op te treden als 
hoofd eener afdeeling van het groot Hospitaal te Weltevreden, 
en als lid der commissie van examen van militair- en civiel- 
genees- en artsenijmengkundigen : maar bij den toenmaligen 



18 

Gouverneur-Generaal J. J. Rochussen was anders besloten. Ik 
moest van Batavia worden verwijderd en werd overgeplaatst 
naar Samarang. 



IV. 

Door mijne verwijdering van Batavia moest ik het redacteur- 
schap van het natuur- en geneeskundig archief nederleggen, 
en de aanleiding tot mijne overplaatsing deed voorzien, dat de 
verbanning van langen duur zou zijn. Bij de onzekerheid van 
nog verdere overplaatsingen, in Indië toenmaals in zwang, om 
personen te doen gevoelen dat zij tot de ingrati behoorden, 
was er niet aan te denken mijne verzameling naar mijne nieuwe 
standplaats over te brengen , en ik moest die alzoo te Batavia 
achterlaten. 

In mijne ichthyologische studiën moest ik mij dus bijna uit- 
sluitend beperken tot wat Samarang mij op dit gebied zou 
aanbieden. 

Te Samarang bleef ik slechts eenige maanden. In 1848, 
tijdens den tweeden Balischen oorlog, werd mij opgedragen 
het bestuur van den geneeskundigen dienst in Oost- Java, en 
meer speciaal van het militair hospitaal te Soerabaia, werwaarts 
de zieken en gewonden van Bali zouden worden vervoerd. En 
nog in hetzelfde jaar, na afloop der expeditie, ontving ik eene 
nieuwe overplaatsing naar de vesting Willem I (Ambarawa). 

Mijn werkkring was nu van meer zuiver geneeskundigen 
aard geworden. Reeds vroeger had ik de dysenterie tot een 
bijzonder onderwerp van onderzoek gemaakt. Honderden lijders 
aan die vreeselijke ziekte kwamen achtereenvolgens onder mijne 
behandeling, en een treurig rijk veld aan lijken bood ruim- 
schoots gelegenheid aan, ook de anatomische zijde dier ziekte 
te doorgronden. De resultaten der nasporingen op dit gebied 
werden nedergelegd in eene monographie getiteld: »De dysen- 
terie van een pathologisch anatomisch standpunt beschouwd. " 






19 

Hel boekje was in aphoristischen stijl geschreven en genoot de 
eer eener vertaling in het Engelsen en in het Fransch. Aan 
dit werkje had ik Ie danken mijne benoeming honoris causa 
tol doctor in de geneeskunde aan de Hoogeschool te Utrecht. 

Den 28 n Mei 1848 had te Batavia plaats de vreedzame ver- 
gadering over Indische belangen, door de Regeering destijds als 
een soort van oproer gebrandmerkt. Een der gevolgen van 
28 Mei was het vertrek van Van Hoövell naar Nederland, 
waar hij weldra in de volksvertegenwoordiging de krachtige 
pleiter zou zijn voor de belangen van Indië. 

Na mijne verwijdering van Batavia had het Natuur- en 
Geneeskundig Archief opgehouden te beslaan. Met Van Hoë- 
vell's vertrek hield ook het tijdschrift voor Nederlandsch Indië 
op te Batavia te verschijnen, om op Nederlandschen bodem te 
herleven. Het Bataviaasch genootschap deed niets meer van 
zich hooren. Eensklaps scheen alle wetenschappelijke werk- 
zaamheid in Indië uitgedoofd. 

Die stilstand en de onmogelijkheid daarin een gunstigen keer 
te brengen, door mijne gedwongen afwezigheid van Batavia, 
stemden mij eenigszins bitter jegens de Regeering. Er bestond 
geen gelegenheid meer eenige wetenschappelijke bijdrage door 
de periodieke pers publiek te maken. De eenige particuliere 
drukkerij in Indië was die van het Bataviaasch Genootschap 
en na de moeilijkheden tijdens Van HoëvELL met die drukkerij 
ondervonden , wilde niemand zich blootstellen aan mogelijk 
verdere moeilijkheden met de Regeering, door het beheer dier 
drukkerij op zich te nemen. 

In 1848 zond ik eene kleine bijdrage van ichlhyologischen 
aard aan het toenmaals te Singapore uitgegeven Journal of the 
Indian archipelago. In dat Artikel waren eenige regels gelascht 
die de verbolgenheid van den Gouverneur-Generaal Rochussen 
op nieuw gaande maakten. Ik had daarin gezegd: "Batavia, 
»but a short time past, the centre of science in Nelherlands 
• India shall speedily be so no more. The scientific periodicals , 



20 

»on whose existence these possessions might pride themselves, 
«have all fallen to the ground. The year 1848 will he noted 
»in the hislory of Netherlands India as the least year of the 
'^decennium of ils scienlific activity. May the time come when 

• science shall be again protected and supported here against 
»the unfavorable influences which , in the midst of her hloom , 

• have by little and little undermined and menaced her with 

• total destruction." 

Het bleek weldra dat ik door deze ontboezeming mijne 
maatschappelijke positie in gevaar had gebracht. Het Gouver- 
nement riep mij tot verantwoording en eischte dat ik openbaar 
boete zou doen, door de zondige regels terug te nemen. 
Daarvan kon echter geen sprake zijn en ik antwoordde dan 
ook in dien geest, er bij voegende dat ik de lust en de kracht 
in mij gevoelde de wetenschap te doen herleven , wanneer de 
Regeering zou kunnen goedvinden mijn terugkeer naar Batavia 
toe te staan. Dit antwoord deed den Gouverneur-Generaal 
Rochussen in overweging nemen, mij uit 's lands dienst te 
ontslaan. De Procureur-Generaal bij bet Hooggerechtshof ad- 
viseerde in dien geest, maar de kommandant van het leger 
gaf als zijn meening te kennen , dat er geen termen waren 
om mij uit 's lands dienst te verwijderen. Het ontslag uit 
den dienst bleef achterwege en ik werd niet verder lastig 
gevallen. 

Te Soerabaia had ik onder buitengewone omstandigheden 
den geneeskundigen dienst geleid. De tweede Balische expe- 
ditie was ongelukkig geëindigd en honderdtallen gewonden en 
zieken werden van Bali naar het hospitaal te Soerabaia opge- 
zonden. In de bewezen diensten werd aanleiding gevonden 
mij voor te dragen tot eene benoeming in de orde van den 
Nederlandschen leeuw. Aan de voordrachten tot het verleenen 
van onderscheidingen wegens de tweede Balische expeditie werd 
echter eerst na afloop der glansrijk geëindigde derde expeditie 
gevolg gegeven. Tusschen de voordrachten van 1848 en 1849 



21 

lag mijn artikel in het Journal of the Indian archipelago — 
en op de lijst der te benoemen ridders van 1849 werd mijn 
naam geschrapt. In Nederland echter hield men zich aan het 
voorstel van 1848. 

Intusschen had mijn artikel in het Journal van Singapore 
de gewenschte uitwerking niet gemist. De blaam daarin zij- 
delings uitgesproken moest worden te schande gemaakt. De 
Regeering, die met leede oogen de te niet gegane tijdschriften 
had zien werken, meende nu zelve den aanstoot te moeten 
geven tot de oprichting van een nieuw wetenschappelijk tijd- 
schrift. Het «Indisch archief' van I. A. Buddingh had aandien 
prikkel zijn ontstaan te danken, doch bleek weinig levens- 
vatbaar te zijn. Het kon zijn twee eerste kinderjaren niet 
overleven. 

In 1849 werd door Dr. W. Bosch voorgesteld, de oprich- 
ting te Batavia van een geneeskundige school voor Inlanders- 
Tot dien tijd toe was er geen sprake van eigenlijke inland- 
sche geneeskundigen. Wat men geneeskundige practijk zou 
kunnen noemen, was in handen van inlandsche vrouwen, 
zoogenaamde doekoens, die geenerlei opleiding hadden genoten. 
In de behoefte aan geneeskundige hulp onder de miilioenen 
inboorlingen werd slechts nu en dan, bij hevige epidemieën, 
eenigermate voorzien , door van wege het Gouvernement daar- 
voor tijdelijk afgezonden Europeesche geneeskundigen. 

Door de opleiding van zoons van inlanders van rang aan de 
groote hospitalen wilde men de eerste schrede zetten op den 
weg van voorziening in geneeskundige hulp aan inlanders door 
inlanders. 

Dr. Bosch wenschte die opleiding aan mij op te dragen en 
daarin lag een der redenen van mijne wederplaatsing te Batavia , 
waar ik, na tweejarige afwezigheid, in 1849 terugkwam. 



V. 

Te Batavia kon ik mij weder meer gezet wijden aan ich- 



22 

thyologische nasporingen. Maat' er rustte nu een taak op mij 
die ik moest trachten te vervullen. Ik had in 1848 stout weg 
aan de Regeering verklaard, dat ik de kracht in mij gevoelde, 
de wetenschap in Indië te doen herleven. De tijd was nu 
daar te toonen, dat het mij althans niet ontbrak aan goeden 
wil een hooger leven op te wekken. 

Het Bataviaasch Genootschap had gemeend , na mijne ver- 
wijdering van Batavia, mijne plaats als Secretaris niet te 
moeten vervullen, zoodat ik na mijne terugkomst dadelijk 
weder als zoodanig kon optreden. De verhandelingen van het 
Genootschap werden van nu af talrijker en in lijviger vorm 
uitgegeven. De 22 ste tot 26 ste deelen bevatten vrij talrijke 
bijdragen van ichthyologischen aard, door welke ik wenschte 
te doen blijken van belangstelling in 's Genootschaps bloei. 

Het kortstondig bestaan van de Indische wetenschappelijke 
tijdschriften was vooral daaraan toe te schrijven geweest, dat 
zij werden uitgegeven door bijzondere personen. Hun bestaan 
was afhankelijk gebleken van het in den regel zeer tijdelijk 
verblijf der redacteurs te Batavia. En daar de personen die 
geschiktheid en lust hadden eenige redactie op zich te nemen 
zeer gering in getal waren, stond elk tijdschrift uit den aard 
der zaak op losse schroeven. Bovendien kon van alleenstaande 
personen niet verwacht worden de aanstoot tot samenwerking 
der krachten op een bepaald doel. De aard der Indisch-Euro- 
peesche maatschappij bracht met zich, dat niemand te Batavia 
van eene uitsluitend wetenschappelijke betrekking leefde. Wie 
er zich nog aan de wetenschap wijdde, was in de eerste 
plaats ambtenaar of officier of koopman , en kon slechts be- 
schikken over den tijd door dienst, bureel of kantoor vrij- 
gelaten. 

Ter verzekering van een beteren en vasteren gang op het 
gebied der wetenschap moest dus een andere weg worden 
ingeslagen. Die weg werd als van zelf aangewezen door de 
geschiedenis van het Bataviaasch Genootschap. Die instelling 
in 1778 gesticht, had reeds een meer dan zeventig-jarig be. 



25 

slaan achter zich. Het had de moeilijke tijden van 1780 tot 
1810 doorleefd, jaren lang een kwijnend bestaan gerekt en 
nu en dan zelfs jaren achtereen niets voortgebracht. Maar 
het was blijven bestaan en zijne werken, hoe ongeregeld en 
traag soms elkander opvolgende, vormden een doorloopende 
onafgebroken reeks van toen reeds een twee-en-twintig-tal 
deelen. 

Het had de eerst een halve eeuw later opgerichte tijdschrif- 
ten allen overleefd — omdat het was een genootschap, een 
vereeniging, niet volstrekt afhankelijk van een enkel individu 
of van enkele personen. 

Maar de ondervinding had geleerd, dat het Bataviaasch Ge- 
nootschap niet bij machte was het geheel der wetenschap te 
omvatten, zonder nadeel voor enkele takken. De tijden waren 
veranderd en verdeeling van arbeid was gebleken noodig te 
zijn. In het begin van de tweede helft der eeuw waren toe- 
reikende krachten in Indie aanwezig, om van de oprichting 
van zusterinstellingen naast het Bataviaasch Genootschap goede 
uitkomsten te mogen verwachten. De vier jaren bloei van het 
Natuur- en geneeskundig archief hadden bewezen, dat allhans 
eene instelling uitsluitend aan de natuurwetenschappen gewijd, 
alleszins kans op levensvatbaarheid zou aanbieden. Mannen 
als F. Junghuhn, J. K. Hasskarl, G. M. Schwaner, H. 
Zollinger, P. A. Baron Melvill van Carnbee, H. D. A. 
Smits en nog enkele anderen, die toen in Indië bloeiden, ston- 
den daar als zoovele waarborgen dat het aan stof tot den 
opbouw en het in stand blijven van een genootschap voor de 
natuurwetenschappen niet zou ontbreken. 

Deze overwegingen waren de aanleiding tot de oprichting 
van de Koninklijke Natuurkundige Vereeniging in Nederlandsch 
Indië, waartoe in Juli 1850 werd besloten. Ik heb het steeds 
als een voorrecht beschouwd, als President en Hoofdredacteur , 
gedurende een tiental achtereenvolgende jaren, de werkzaam- 



u 

heden dier instelling te mogen leiden. Dat zij vruchtbaar 
werkte, getuigen de 22 deelen van haar Tijdschrift en de 8 
deelen verhandelingen die zij in het eerste tienjarige tijdvak 
van haar bestaan, tevens het laatste van mijn verblijf in Indië, 
het licht deed zien. De uitkomsten mijner zoölogische naspo- 
ringen in Indië zijn voornamelijk in de werken dier vereeni- 
ging nedergelegd. 

Het glansrijk slagen der Natuurkundige Vereeniging reeds 
dadelijk na haar optreden had eene algemeene opwekking op 
wetenschappelijk gebied ten gevolge. 

Het Bataviaasch Genootschap meende bij de jeugdige zuster 
niet te mogen achterblijven. 

Reeds in 1849 had ik voorgesteld eene reorganisatie van 
het Genootschap, waarbij het gesplitst zou worden in Afdee- 
lingen aan bijzondere groepen van wetenschappen gewijd ; 
maar men oordeelde mijn plan ontijdig, onpractisch en de 
verwezenlijking er van eene utopie. 

Van dat oordeel was men reeds eenigerniate teruggekomen 
na de vestiging der Natuurkundige Vereeniging, en nadat de 
plannen gerijpt waren en tot uitwerking kwamen lot oprich- 
ting van afzonderlijke tijdschriften aan de geneeskundige en 
rechtswetenschappen gewijd. Maar voor het Genootschap was 
de tijd toen voorbij, om het geheel der wetenschap te blijven 
omvatten. 

Het Genootschap achtte het toen zijn taak, zich meer uit- 
sluitend te bewegen op het gebied der taal-, land- en volken- 
kunde van Neêrlandsch Indië en verwante takken der weten- 
schap. Het Indisch Archief was na een tweejarig bestaan zijn 
voorgangers gevolgd, en het Genootschap besloot op mijn 
voorstel, zelf een tijdschrift op te richten gewijd aan de Indi- 
sche ethnologie en linguistiek. 

Alhoewel ik een der redacteuren was van dit nieuwe orgaan 
der wetenschap, bleef de bijzondere leiding er van in meer 
bevoegde handen dan de mijne ; maar mijn doel was bereikt , 



2S 

het nieuwe tijdschrift aan het Genootschap te verbinden, en 
het daardoor een duurzaam leven te verzekeren. Terwijl ik 
dit schrijf, ruim een vierde eeuw na de oprichting, bloeit dat 
tijdschrift nog onverzwakt en werpt nog steeds ruimschoots 
vruchten af. 

Het voorbeeld door de beoefenaren der natuurwetenschappen 
gegeven, werd door de geneeskundigen gevolgd. In 1852 
kwam tot stand de Vereeniging ter bevordering der genees- 
kundige wetenschappen in Nederlandsch Indië. Ook deze be- 
sloot tot het uilgeven van een tijdschrift , dat sedert onafgebroken 
is blijven bestaan en thans reeds een aantal deelen telt. 

De Natuurkundige Vereeniging besloot in 1853 het initiatief 
te nemen om der nijverheid in Indië een hoogere vlucht te 
geven, door het in 't leven roepen van eene Tentoonstelling 
van nijverheid en landbouw te Batavia. Als lid der commissie 
voor die expositie, die boven verwachting slaagde, deed ik 
het voorstel het doel der tentoonstelling op duurzame wijze te 
bevorderen door oprichting eener Maatschappij van Nijverheid. 
Het voorstel mocht onverdeelden bijval vinden , en reeds een paar 
maanden later (den 2 den December 1853) was de Nederlandsch- 
Indische Maatschappij van Nijverheid tot stand gebracht, en kort 
daarna verscheen ook de eerste aflevering van haar tijdschrift , 
waarvan de hoofdredactie aan mij werd opgedragen. Maatschappij 
en tijdschrift zijn thans nog in leven en in bloei, maar ineen 
eenigszins anderen vorm. De maatschappij is gesplitst in af- 
deelingen, die later zelfstandige instellingen zijn geworden en 
eenigszins gewijzigde namen hebben aangenomen. 

Nog geen vijf jaar na mijne terugkomst te Batavia was te 
wijzen op een vroeger in Indië nooit in die mate gekend en 
opgewekt wetenschappelijk leven. Ik moet er bijvoegen dat 
het bestuur van den Gouverneur-Generaal Düymaer van 
Twist, den opvolger van Kochüssen, niet zonder gunstigen 



26 

invloed was op dien vooruitgang». De tijd was voorbij d;il de 
mannen der wetenschap en van den vooruitgang met zekeren 
argwaan werden bespied en bedek telijk of openlijk tegen- 
gewerkt. 



In het begin van 1851 werd te Batavia geopend de eerste 
geneeskundige school in Nederlandsen Indië. Bestemd tot het 
opleiden van jongelieden uit de inlandsche bevolking , was haar 
inrichting aanvankelijk zeer eenvoudig en haar doel zeer beperkt. 
Dr. Bosch, haar stichter, meende niet verder te mogen gaan 
dan wat hij bereikbaar achtte. Het doel was aanvankelijk 
geen ander dan den inlandschen studenten het aller noodigste 
te onderwijzen, om hen in staat te stellen bij heerschende 
ziekten onder hunne landgenooten van nut te zijn en de meest 
voorkomende heelkundige gevallen te behandelen. Zij waren 
bestemd na genoten onderwijs achtereenvolgens te vervangen 
de inlandsche vaccinateurs , die geenerlei geneeskundig onder- 
wijs hadden genoten en uitsluitend gebezigd werden voor de 
vaccinatie. Ook was bepaald dat een dergelijke school te Sa- 
marang en te Soerabaia zou worden opgericht , maar dat alvorens 
de uitslag der proefneming met de school te Batavia zou 
worden afgewacht. Met het oog op de beperktheid van het 
te geven onderwijs was ook bepaald, dat het zoowel te 
Samarang en te Soerabaia als te Batavia aan een enkel docent 
zou worden opgedragen. 

Reeds in 1849 had ik mij bereid verklaard mij, bij het tot 
stand komen der school, met de opleiding der inlandsche 
jongelieden te belasten, en met lust ook aanvaardde ik die 
buitengewone taak. Het gold hier juiste begrippen in te 
prenten van eene wetenschap over welke in de inlandsche 
talen geen enkel werk bestond, en die wetenschap kon niet 
anders worden geleeraard dan in het Maleisen, de eenige taal 
die door alle leerlingen eenigermate werd verstaan, maar die 
ook voor de overgroote meerderheid niet was de moedertaal. 



27 

De moeilijkheid werd verhoogd door de weinige ontwikkeling 
der te onderwijzen jongelieden, die niets hadden geleerd dan 
lezen en schrijven. 

Evenwel waren reeds na eenige weken de uitkomsten ver- 
rassend. Hoe weinig ook onderlegd en voorbereid, bleek bij 
de overgroote meerderheid der studenten weldra van een bij- 
zonder gunstigen aanleg, en dit deed mij spoedig besluiten de 
grondslagen der opleiding breeder te stellen, en het onderwijs 
uit te strekken tot de geneeskunde in haar geheelen omvang. 
Ik meende in hunne vatbaarheid de mogelijkheid te ontdekken 
dat zij waren te vormen tot artsen in den eigenlijken zin des 
woords. 

In dien geest werd door de Regeering besloten. In plaats 
van op de drie hoofdplaatsen de opleiding van eenige jonge- 
lieden door een militair-geneeskundige te doen plaats hebben, 
werd nu bepaald: dat Batavia de zetel zou zijn van een ge- 
regelde geneeskundige school, waar het onderwijs in de ver- 
schillende takken der geneeskunde zou zijn opgedragen aan 
drie docenten; dat voorts de studenten daar twee jaar zouden 
verblijven , om dan na afgelegd examen met den titel van 
dokter djawa en vaccinateur als geneeskundig beambte onder 
hunne landslieden op te treden. 

Zoolang ik aan het hoofd der school was geplaatst, van 
1851 tot 1860, had ik alleszins reden over haar uitkomsten 
tevreden te zijn. De studenten, meestal zoons van inlandsche 
hoofden , aanvankelijk uitsluitend Javanen , maar later ook voor 
een deel inboorlingen van Sumatra, Bangka, Celebes , Amboina 
en andere eilanden , bezaten in den regel een uitstekenden 
aanleg voor het wetenschappelijke en practische van de genees- 
en heelkunde, en wat door hen, zonder de noodige voorbe- 
reiding, in twee (later drie) jaren tijds aan kennis en erva- 
ring was verkregen, wekte dikwerf de verbazing op van 
deskundigen. 

Toch was de school op geheel onvoldoende wijze ingericht; 
èn de geringe beschikbare middelen èn de te korte studietijd 



sloten de mogelijkheid uit de studenten te vormen en te ont- 
wikkelen als in de buiten-Indische beschaafde landen. Boven- 
dien waren van het doceeren in de Maleische taal geen duur- 
zame vruchten te verwachten , vermits in die taal geen weiken 
hestonden, gelijk zij nog niet bestaan, die hun na hot ver- 
laten der school van dienst konden zijn ter bijhouding en uit- 
breiding van het geleerde. 

Reeds spoedig nadat beslot eu was tot eene omvangrijker 
opleiding der élèves, wees ik op het onvoldoende der inrichting, 
en meer in het bijzonder ook op de noodzakelijkheid, dat de 
jongelieden beter voorbereid naar Batavia wierden gezonden, 
en slechts toegelaten wanneer zij in staat zouden zijn collegies 
in het Nederduitsch met vrucht te volgen. 

Noch aan het een noch aan het ander werd evenwel gevolg 
gegeven. Voor de school, bezoldiging van studenten en 
docenten en hulpmiddelen bij het onderwijs, waren slechts 
eenige duizenden guldens 'sjaars toegestaan en de Regeering 
bleek ongenegen die som aanmerkelijk te verhoogen. Wilde 
men bij het onderwijs de Nederduitsche taal invoeren, dan 
was onvermijdelijk dat de aanstaande studenten op de scholen 
voor de kinderen van Europeesche ingezetenen werden toe- 
gelaten, en hel lag niet in de toenmalige regeeringsbeginselen , 
den kinderen van inlanders, al ware het ook van inlandsche 
hoofden of van den inlandschen adel, te vergunnen hetzelfde 
onderwijs te genieten als de kinderen der overheerschende 
natie. 

Werd nu al de uitkomst van het onderwijs, met het oog 
op den gegeven tijd en de beschikbare middelen , als hoogst 
voldoende beschouwd, het was te voorzien en werd voorzien 
dat het slagen der school in den regel niet veel verder zou 
reiken dan de school zelve. 

Daarbij kwam nog dat de Regeering niet genoegzaam zorgde 
voor de toekomst der inlandsche geneeskundigen. 

Na afgelegd voldoend examen werden de studenten benoemd 
tot dokter djawa, met het recht tot uitoefening der genees- en 



29 

heelkundige practijk onder hunne landgenooten , met de be- 
stemming tevens als geneeskundige landsamblenaren van gou- 
vernementswege de bevolking bij te staan bij heerschende 
ziekten en als vaccinateurs op te treden, en.... op een inkomen 
van ƒ 25. — 's maands 

Zij waren dan verbeven tot den rang van inlandsch hoofd, 
maar genoten een inkomen waarvan zij onmogelijk overeen- 
komstig hunnen stand konden leven. 

Zij waren dan artsen, maar in den regel werd hun ont- 
houden beschikking over geneesmiddelen en instrumenten , 
onontbeerlijk in de practijk. 

Zij waren dan dokter djawa, maar werden veelal geplaatst 
in vaccine-afdeelingen , waar reizen tot het verrichten van 
inentingen alle gelegenheid tot geregelde geneeskundige prac- 
tijk onmogelijk maakten. Zij waren daar de eenvoudige ver- 
vangers van de vroegere zuiver empirische vaccinateurs. 

Slechts zeer enkelen werden in de gelegenheid gesteld tol 
uitoefening van practijk , en dan ondergeschikt aan Europeesche 
civiel-geneesheeren. Deze weinigen zouden zich verder hebben 
kunnen ontwikkelen, maar zij werden in den regel afgestooten 
en tegengewerkt, soms uit minachting, soms uit broodnijd, 
door de personen wier taak het was hen verder te bekwamen. 

Velen echter der jeugdige dokters djawa moesten zelfs lan- 
ger of korter op eene aanstelling wachten, zonder tractement 
of met slechts geringe toelagen. 

Toen ik Indië verliet, negen jaar na de oprichting der 
school, was in die toestanden nog geen noemenswaardige ver- 
belering gekomen en de voorspelde gevolgen bleven ook niet 
uit. Er werd geklaagd over gebrek aan lust en diens tij ver 
bij de jeugdige dokiers djawa en over het weinige nut. wat zij 
als artsen der bevolking aanbrachten. Van verdere studie kon 
geen sprake zijn, waar de geheele wetenschappelijke schat, 
bestond uit bundels dictaten in het Maleisen, slechts bestemd 
voor de school en geenszins voor de toekomst. 

Al mijne mondelinge en schriftelijke vertoogen, ten doel 



30 

hebbende reorganisatie der school, lot uitbreiding van studie- 
tijd en onderwijs en verbetering van den toestand der dokters 
djawa , stuitten af op de ongeneigdheid der Regeering om ruimer 
fondsen daarvoor beschikbaar te stellen. 

Evenwel was een groot doel bereikt. De geneeskundige 
school was als zoodanig geslaagd. Er bestond geen twijfel 
meer aan den voortreffelijken aanleg bij het Maleische ras om 
zich te bekwamen in de wetenschap en practijk der genees- 
kunde. Ongeveer een tweehonderdtal inlandsche geneeskun- 
digen was over Insulinde verbreid, en, deden zich al klachten 
hooren over de op Java geplaatste dokters djawa — over die 
der buitenbezitlingen, voornamelijk die welke op Sumatra en 
in de residentiën Menado en Amboina werkzaam waren, waar 
de stemming der gezaghebbenden ten hunnen opzichte in den 
regel veel gunstiger was dan op Java, luidden de berichten 
algemeen gunstig. Hun optreden aldaar werd beschouwd als 
een weldaad voor de inlandsche bevolking. 

De onvoldoende toestand is nog lang na mijn vertrek uit 
Indië blijven aanhouden , doch eindelijk gevolgd door een be- 
teren. Althans heb ik een veertiental jaren later, als staats- 
raad, kunnen mede adviseeren tot eene hervorming, zoo als ik 
die reeds twintig jaar vroeger had gewenscht. Indien aan het 
voorstel der Indische Regeering van 1874 en het advies daarop 
van den Raad van State gevolg is gegeven , is de opleiding 
der Indische artsen thans geheel geschoeid op Europeesche 
leest en hun maatschappelijke toestand behoorlijk geregeld. 

De ontdekkingen op ichtbyologisch gebied, die ik vooral na 
1850 begonnen had in talrijke artikels openbaar te maken, 
hadden weidia ook in Europa de aandacht getrokken. Alras 
ontving ik uitnoodigingen van de voornaamste Europeesche 
Museums, om een deel der verzamelde schatten af te staan. 

Onder die uitnoodigingen was ook een van G. I. Temminck, 
den beroemden directeur van 's Rijks Museum te Leiden. 

Hierdoor kwam ik in eenige moeilijkheid. Toen ik, reeds 
in 1848, het plan van den Atlas ichthyologique des Indes 






51 

orientales neérlandaises had ontworpen, en voor zijn uitvoering 
de ondersteuning der Regeering gevraagd, bood ik tevens aan 
voor de verlangde tegemoetkoming mijne geheele verzameling 
zonder eenige vergoeding ten behoeve van 's Bijks Museum te 
Leiden af te staan. 

Verzoek en aanbod werden echter van de hand gewezen. 
Men meende genoeg blijk te geven van belangstelling in mijn 
nasporingen door de toekenning eener gratificatie van ƒ 500, 
waarom ik niet had gevraagd. 

Nu ging het niet aan verzoek en aanbod te herhalen, en 
ik schreef aan Temminck het gebeurde, en dat ik ook thans 
nog bereid was verzamelingen voor het Museum te maken , 
mits ik daartoe van regeeringswege werd aangezocht en de 
Regeering meer afdoende blijken gaf dat zij mijn onderzoekin- 
gen wenschte te bevordereu. 

De Regeering in Nederland (het eerste ministerie Thorbecke) 
dacht gunstiger over de zaak dan het Gouvernement in Indië, 
en de Gouverneur-Generaal Duymaer van Twist, op het punt om 
naar Indië te vertrekken, werd gemachtigd mij degewenschte 
ondersteuning toe te zeggen en de aangelegenheid der toezen- 
ding van naturaliën aan 's Rijks Museum met mij te regelen. 

Sedert heb ik uitgebreide verzamelingen het Museum te 
Leiden doen toekomen, waaronder meer dan 12000 visschen 
uit verschillende deelen van den Indischen Archipel. 

De uitgave van den Atlas iehthyologique was nu voor- 
loopig ook geldelijk verzekerd, maar het bleek weldra dat het 
onmogelijk zou zijn in Indië zelf een plaatwerk, van den om- 
vang als bedoelde Atlas, op eenigszins waardige wijze te doen 
uilvoeren. Ik verzocht toen verlof naar Nederland, ten einde 
daar de uitgave te bezorgen; doch met het oog op den ver- 
moedelijk langen duur van zoodanig verlof kon dat niet worden 
toegestaan. Ik was daardoor genoodzaakt het begin der uitgave 
te verschuiven , totdat mijn diensttijd ver genoeg zou zijn ver- 
streken om , na ommekomst van een gewoon verlof, aanspraak 



%% 

te hebben op pensioen en daardoor van de noodzakelijkheid 
ontheven te zijn om naar Indië terug te keeren. 

Mijn verblijf in Indië werd daardoor eenige jaren verlengd , 
en dit langer zijn in Indië was mij in sommige opzichten niet 
onwelkom, omdat ik eensdeels er door in de gelegenheid was 
den voorraad bouwstoffen voor het werk , waaraan ik een groot 
deel van mijn volgend leven zou wijden, te vergrooten en ten 
anderen Batavia veel aantrekkelijks voor mij had ook door hel 
toen daar opgewekte wetenschappelijk leven. 

In de eerste twaalf jaren van mijn Indische loopbaan had 
ik gelegenheid Java en Madoera van meer nabij te leeren ken- 
nen door vrij talrijke reizen in alle richtingen. De meesten 
dier reizen gaven aanleiding tot opstellen van ethnographischen 
en natuurhistorischen aard, in de Indische tijdschriften open- 
baar gemaakt. 

Eerst in 1855 echter deed zich de aanleiding op, om ook 
een ander gedeelte van Insulinde te bezoeken. Ik vergezelde 
tóén den Gouverneur-Generaal Duymaer van Twist op zijn reis 
door de Molukken, en bezocht achtereenvolgens de eilanden 
Celebes, Ternate, Tidore, Makian, Batjan, Boero, Amboina, 
Saparoea, Ceram en Banda. De beschrijving van dien tocht 
zag in 1856 te Batavia het licht onder den titel: Reis in de 
Minahassa en den Molukschen archipel. 

De laatste jaren van mijn verblijf in Indië wijdde ik voor 
een groot deel aan de bevestiging der instellingen die ik in 
het leven had helpen roepen, doch vooral aan die der Konink- 
lijke Natuurkundige Vereeniging. Deze. maatschappij had zich 
spoedig een gevestigden naam verworven. Zij gaf gemiddeld 
jaarlijks twee deelen uit van haar Tijdschrift, doch de toevloed 
aan bijdragon was reeds in 1856 zoo groot, dat zij besloot, 
behalve het tijdschrift, nog uit te geven bundels verhandelin- 
gen, vier van welke van 1856 tot 1860 het licht zagen. In 
dit laatste jaar had zij haar toppunt van bloei bereikt, doch 



33 

zij heeft niet opgehouden nul tig werkzaam te zijn, en gaat 
ook thans nog voort met het uitgeven van haar tijdschrift. 

De staatkundige en maatschappelijke toestand van Indië en 
zijn verhouding tot Nederland waren tot het jaar 1860 veel 
verschillende van de tegenwoordige. Wel was reeds toen in 
veel verbetering gekomen , en waren meer vrijgevige beginselen 
van bestuur in toepassing gebracht, maar de begonnen hervor- 
ming achtten velen te schoorvoetend, te halfslachtig en onvol- 
doende. Men verweet ook aan het moederland , dat het niet 
aan Indië gaf wat rechtmatig daaraan toekwam, en dat de 
belangen van ïndië te zeer bleven lijden onder de eischen van 
hel batig slot. 

Ofschoon het niet in mijn richting lag mij op zuiver politiek 
gebied te bewegen , wat trouwens mijn ambtelijke stelling niet 
zou hebben toegelaten, vond ik mij in het jaar 1859 genoopt, 
ook mijnerzijds te trachten tot het in het leven roepen van 
betere toestanden iets bij te dragen. 

De groote opstand in Britsch-Indië had ook in Nederlandsch- 
Indië groote bezorgdheid gewekt. De staalkundige toestand 
van ïndië zelf droeg niet weinig bij de gemoederen nog meer 
te verontrusten. De mislukking der eerste Bonische expeditie 
en de moord van Bandjermasin hadden de verslagenheid nog 
doen toenemen. Men vreesde eene cataslrophe of althans een 
geweldige crisis, en men zag in den Gouverneur-Generaal 
Pahud den man niet om eene gebeurlijke crisis te bezweeren. 
Men meende bovendien, dat het raderwerk van het algemeen 
en gewestelijk bestuur slecht was ineengezet, en vele gewich- 
tige ambten bekleed werden door personen meer door gunst 
dan door bekwaamheid daartoe verheven. En niet minder 
wraakte men het opperbestuur wegens zijne tekortkomingen 
jegens Indië. 

Het kwam mij voor, dat een woord aan Nederland zijn nut 
kon hebben. Ik was voornemens dal in Nederland zelf te doen 
drukken, doch nadat ik inzage er van had verleend aan den 



u 

toenmaligen hoofdredacteur van het Bataviaasch Handelsblad, 
den bekenden publicist H. J. Lion, vroeg deze het voor zijn 
krant. Na eenige aarzeling stond ik het manuscript aan hem 
af, onder voorwaarde dat hij de geheele verantwoordelijkheid 
op zich zou nemen en mijn naam buiten spel laten. Na het 
ondergaan van eenige wijzigingen, die mijn goedkeuring echter 
niet konden wegdragen, werd mijn opstel in genoemd blad 
opgenomen. 

Het is dit artikel , later bestempeld met den naam van 
» Indisch manifest" dat, zooals de pers beweerde, een rilling 
deed gaan door Nederland, en de heftigste uitvallen uitlokte 
tegen den vermeenden schrijver. 

Ik schreef het opstel met geen ander doel dan verbetering 
of opheffing van groote gebreken, en dat doel werd althans 
in zoover bereikt, dat het Nederlandsche volk wakker werd 
geschud uit zijn lethargie ten opzichte van Indië , en dat sedert 
aan veel grieven van Indië werd tegemoet gekomen. 

In September 1860 keerde ik naar Nederland terug. 

Niet zonder zelfvoldoening mocht ik op mijne Indische loop- 
baan terugzien. Den besten tijd des levens had ik daar door- 
gebracht. Uit een stoffelijk oogpunt had ik mij niet te beklagen. 
Van den rang van eenvoudig tweeden luitenant was ik opge- 
klommen tot dien van luitenant-kolonel. Aan onderscheidingen 
en eervolle betrekkingen had het mij niet ontbroken , en ik 
was toen nog in den tijd dat ik daarvoor niet ongevoelig was. 
Evenmin, en daarvoor was ik meer gevoelig, ontbrak het aan 
waardeering van tijdgenooten in Indië. 

Ik mocht, zonder zelfoverschatting, zeggen dat ik in Indië 
nuttig was geweest voor de wetenschap en de maatschappij, 
en de erkenning daarvan door tijdgenooten verhoogde de be- 
looning die ik vond in zelfbewustzijn. Ik had niet alleen ge- 
zaaid, maar ook het voorrecht gehad te mogen maaien. 

Op mijn terugreis naar Nederland verbleef ik een tiental 



3S 

dagen te Singapore, waar ik gelegenheid vond mijne verzame- 
lingen aanmerkelijk te verrijken. Voorts verwijlde ik eenigen 
tijd op Poeloe Pinang, Ceylon (Point de Galle) , Aden , in Egypte 
en op Malta, en kwam in November 1860 te Marseille aan, 
vanwaar ik over Lyon en Parijs naar Nederland vertrok. Mijne 
verzamelingen, gepakt in meer dan 200 kisten, volgden mij 
met verschillende schepen der Handelmaatschappij. 



VI. 

Na mijn terugkomst in Nederland vestigde ik mij, na een 
voorloopig verblijf te 's Gravenhage, te Leiden. Het hoofddoel 
van mijn vertrek uit Indië was de uitgave van den Atlas 
ichthyologique, en ik meende te Leiden het best in de gele- 
genheid te zijn die uitgave te leiden. Mijne gezondheid had 
in Indië zeer geleden. Bijna geen jaar was daar voorbijgegaan, 
dat ik niet door de eene of andere ernstige ziekte werd aan- 
getast, en vooral in de laatste jaren van mijn verblijf aldaar 
leed ik afwisselend, maar bijkans aanhoudend, aan kolieken, 
rheumatismus en typheuse koortsen. Ik meende op nog slechts 
weinige jaren levens te mogen rekenen, en met het oog op 
den omvang van den ondernomen arbeid, mij voornamelijk te 
moeten wijden aan wat de Engelschen zouden noemen het 
»life-work". Ofschoon sedert 1845 voorbereid, kon de uitgave 
van dat werk eerst thans beginnen , en tal van jaren zou 
noodig zijn voor de voltooiing. Mocht het mij wellicht niet 
vergund zijn den arbeid ten einde te brengen , dan wenschle 
ik toch in elk geval een zoo groot mogelijk deel er van het 
licht te doen zien, en de indeeling van den Atlas was er op 
ingericht, dat elk deel een gesloten geheel omvatte en voor 
een of enkele familiën van visschen als monographisch volledig 
kon worden beschouwd. 

In Nederland vond ik niet terug het jeudig, frisch, voort- 



36 

varend wetenschappelijk leven en streven, waardoor het Indië 
van 1850 tot 1860 werd gekenmerkt. 

De wetenschappelijke krachten waren er talrijker en de 
talenten grooter, maar er was eene bedaardheid en kalmte 
en een langzame gang van zaken op wetenschappelijk gebied 
die sterk afstaken bij wat ik in Indië bad bijgewoond. Het 
trof mij ook, vreemdeling als ik toen was in eigen land, dat 
de maatschappij als het ware stond builen de wetenschap; 
dat zij er in het algemeen noch belang in stelde noch er toe 
medewerkte, en haar eenvoudig overliet aan de geleerden. In 
Indië was dat anders. Een stand van geleerden ontbrak er 
geheel, en het was de kleine Europeesche maatschappij zelve, 
ambtenaren , officieren en kooplieden , die de wetenschappelijke 
beweging in het leven had geroepen , en zedelijk en stoffelijk 
krachtig steunde. — Mijne ontgoocheling was intusschen eene 
naïveteit. Uit den aard der zaak moesten de toestanden in de 
oude Europeesche maatschappij anders zijn, dan die in de 
overzeesche bezittingen, aan wie zij had afgestaan den over- 
vloed van haar zonen , die in een als het ware nieuwe 
wereld zich door werklust en energie baan moesten breken , 
en op wie in den regel reeds op jeugdigen leeftijd gewichtige 
plichten en groote verantwoordelijkheid rustten. Indië was 
het land waar de self-made men een groot , zoo 'niet het groot- 
ste deel der Europeesche maatschappij vormden. In het oude 
Nederland waren de self-made men de uitzonderingen. 

Sedert 1855 aan de Koninklijke Akademie van Wetenschap- 
pen verbonden, nam ik, in Nederland teruggekeerd, een meer 
werkzaam deel aan hare werkzaamheden , uit den aard der 
zaak echter meer in het bijzonder aan die der Afdeeling Na- 
tuurkunde. 

De Natuurkundige Afdeeling, hoewel toen, gelijk nog heden, 
rijk aan uitstekende leden, scheen mij toe aan haar roeping 
slechts in beperkte mate 'te beantwoorden. Zij gaf, in baar 
Verslagen en Verhandelingen , der wetenschap niet den omvang 
aan bijdragen, dien men van haar vijftigtal leden mocht ver- 



$7 

wachten. De openbaarmaking der aangeboden stukken ge- 
schiedde traag, en vele bijdragen bleven maanden lang, ja 
zelfs tot meer dan één of twee jaar in de archieven der Aca- 
demie, alvorens lot het doen drukken er van werd overgegaan. 
Dit had weder terughouding van nieuwe bijdragen tengevolge, 
voor welker openbaarmaking door de schrijvers andere organen 
dan die der Academie werden gekozen. — De schuld lag voor 
het grooter deel in de beperkte middelen der Academie; maar 
de weg stond open om bij de Regeering op hooger subsidie aan 
te dringen. Achtte de staat, door de instandhouding eener 
Academie van wetenschappen , niet bij andere staten te mogen 
achterstaan, dan behoorde hij ook de middelen te verschaffen, 
om haar te doen bloeien in overeenstemming met de in haar 
opgenomen elementen. Maar het bestuur der Academie aarzel- 
de in dien geest te handelen. 

Met dien tragen gang vau zaken kon ik geen genoegen 
nemen. In Indië was ik daaraan niet gewoon geweest, maar 
daar ook had ik het voorrecht gehad de beweging op weten- 
schappelijk gebied te kunnen leiden en niet gekend de afhan- 
kelijkheid van te beperkte middelen. 

Ik besloot nu te trachten , een eigen orgaan voor de dier- 
kunde in het leven te roepen , deels om in het openbaarmaken 
mijner bijdragen niet geheel afhankelijk te zijn van de Aca- 
demie, maar ook omdat ik meende dat een tijdschrift aan de 
dierkunde gewijd in Nederland niet mocht ontbreken. 

Zoodanig tijdschrift meende ik behoorde uitgegeven te wor- 
den door het Koninklijk Zoölogisch Genootschap Natura Artis 
Magistra , ten einde het ook in dit opzicht niet zou achterstaan 
bij de Zoölogical Society, de eenige dierkundige instelling die 
«Artis" in sommige opzichten overschaduwde. Na overleg 
met den directeur, levens stichter van » Artis", C. F. 
Westerman en den directeur van 's Rijks Museum van natuur- 
lijke historie H. Sghlegel , die genegen waren als mede-redac- 
teuren op te treden, werden de noodige voorstellen aan het 
genootschap gedaan en met goeden uitslag bekroond. Het 



38 

nieuw orgaan verscheen in 1865 onder den titel : Nederland sch 
Tijdschrift voor de Dierkunde. 

Het bleek echter alras , dat ik van dit tijdschrift te gunstige 
verwachtingen had gekoesterd. Wel had het Koninklijk Zoölo- 
gisch Genootschap de uitgave voor zijn rekening genomen, 
maar beperkte de redactie te zeer in de middelen om het te 
doen bloeien. In het eerste deel werd nog het opnemen van 
eenige platen toegestaan, maar daar het bestuur die bijvoeging 
te ^kostbaar achtte, moesten de volgende deelen zich enkel tot 
tekst bepalen. Bovendien werd toekenning van honorarium 
aan wie zulks wenschten geweigerd. Het begon, door deze 
enge opvatting van wat een zoölogisch tijdschrift behoort te 
zijn, en van wat noodig is om het algemeene medewerking 
van deskundigen te verzekeren , spoedig aan genoegzame mede- 
werkers te ontbreken. Reeds na den eersten jaargang ving 
het aan te kwijnen. Twee volgende deelen verschenen nog in 
1865 en 1866, en het vierde en laatste eerst in 1875. On- 
geveer de helft van den inhoud van het tijdschrift was van 
mijn hand. Bij de oprichting er van had ik gehoopt , dat eigen 
bijdragen slechts een betrekkelijk kleine ruimte er van zouden 
innemen. 

Alhoewel de bekrompen opvatting van het bestuur van het 
Koninklijk Zoölogisch Genootschap tot kwijning en ondergang 
van het Nederlandsen Tijdschrift voor de Dierkunde had geleid, 
was toch zijn verschijnen een nieuwe prikkel voor zoölogische 
onderzoekingen , en toen weldra eene jeugdige dierkundige ver- 
eeniging ontstond , eerst slechts de lagere dieren , maar daarna 
ook de vertebraten omvattende, nam deze de door » Altist 
verwaarloosde taak over door het uitgeven van een eigen 
tijdschrift. 

Ik bleef te Leiden wonen tot in de tweede helft van 1863. 
Een der beweegredenen tot mijn vestiging aldaar was geweest 
het Rijks Museum van natuurlijke historie, waar ik hoopte 
nog tal bouwstoffen te zullen aantreffen voor den Atlas ichthyo- 
logique. Die hoop werd echter eenigszins teleurgesteld. Den 



39 

ichthyologischen rijkdom van het Museum had ik overschat, 
en ik vond er betrekkelijk slechts weinig indo-archipelagische 
soorten die ik niet zelf bezat. De ichthyologische verzamelin- 
gen waren overigens zeer onvoldoende gerangschikt en voor 
een groot deel slecht gedetermineerd. Van de duizenden exem- 
plaren die ik reeds jaren te voren aan het Museum had ver- 
zonden , waren slechts zeer weinigen in de galerijen geplaatst. 
De groote massa bevond zich nog in de magazijnen , in dezelfde 
bokalen waarin ik ze had verzonden, en door nalating van 
verversching van spiritus gedeeltelijk in een niet te besten 
toestand van bewaring. Toch bleef, wat het Museum op ichthyo- 
logisch gebied bevatte een niet te versmaden bron van studie, 
en wat ik tot de ichthyologische kennis van Ceylon, van de 
West- en Zuid-Kust van Afrika en van Guyana heb kunnen 
bijdragen, had ik grootendeels aan het Museum te danken. 

Op mijn terugreis uit Indië had ik te Parijs kennis gemaakt 
met den bekenden Zoöloog Guérin Ménèville, den invoerder 
der cynthia-teelt in Frankrijk. Hij vestigde mijn aandacht op 
deze zaak en op het wellicht wenschelijke van de invoering 
der volkszijdeteelt op Java. Bespreking dezer aangelegenheid in 
Nederland leidde tot een opdracht , de cynthia-teelt in Frankrijk 
te onderzoeken, en daarna de Regeering omtrent het "overbren- 
gen er van naar Indië te adviseeren. Ik kweet mij van die 
opdracht in 1861. Rapport en advies zijn opgenomen in het 
Tijdschrift voor Neêrlandsch Indië. 

Na de opheffing der Delftsche Academie meende de Regeering 
in het leven te moeten roepen een afzonderlijke inrichting, 
ten doel hebbende het onderwijs in de vakken welker kennis 
van de voor Indië te bestemmen ambtenaren als voorwaarde 
van benoeming werd gevorderd. Het voorstellen van de orga- 
nisatie dier inrichting werd opgedragen aan eene Commissie 
bestaande uit de Hoogleeraren Roorda, Veth, Rijke en mij als 
voorzitter. Deze inrichting werd gevestigd te Leiden als Rijks 
instelling voor het onderwijs in de taal-, land- en volkenkunde 
van Nederlandsch Indië en bleef bestaan tot na de tot stand- 



40 

komfng van de thans nog werkende wet op het hooger onder- 
wijs , die haar oplossing in de Leidsche hoogeschool ten gevolge 
had. Een uitnoodiging van den minister ïhorbecke mij me! 
het hoogleeraarambt in het Indisch staatsrecht bij die instelling 
te belasten, meende ik te moeten afwijzen, evenals ik zulks 
vroeger reeds had gedaan ten opzichte van een leerstoel in de 
geologie en mineralogie te Delft. De leervakken lagen te zeer 
buiten de hoofdrichting mijner studiën en bovendien ontbrak de 
neiging, nog weder als leeraar, in welk vak ook, op te treden. 

Ofschoon ik in den regel geen roeping gevoelde mij op staat- 
kundig terrein te bewegen, was er toch nu en dan aanleiding 
geweest tot niet geheele onthouding. Zoo had ik in mijn »Reis 
door de Minahassa en den Molukschen Archiper een niet ge- 
ringe ruimte gewijd aan beschouwingen over wenschelijke her- 
vormingen in de Molukken , hervormingen die sedert voor een 
groot deel zijn tot stand gekomen. 

Te Leiden had men bij mij aangedrongen op een aannemen 
eener candidatuur voor de Tweede Kamer der Sta ten-Generaal 
tegenover een aftredend lid der conservatieve partij, en ware 
de liberale partij daar machtiger geweest, dan zou ik toen 
nog eene verkiezing hebben aanvaard , hoe weinig aanlokkelijks 
zij ook voor mij zou hebben gehad. 

Weldra echter volgde een andere aandrang. 

Van HoëvELL, benoemd tol Lid van den Kaad van State, 
meende de redactie van het Tijdschrift voor Nederlandsen Indië 
te moeten neerleggen. Dat tijdschrift had toen reeds meer dan 
het vierde eener eeuw bestaan. In Indië had het den aanstoot 
gegeven tot een verhoogd intellectueel en wetenschappelijk 
leven. Li Nederland overgeplant was het krachtig opgetreden 
voor de belangen van Nederlandsen Indië, en had niet minder 
krachtig bijgedragen tot de wijziging van koloniale staatkunde 
in een vrijgevigen zin. De liberale partij wenschte het tijd- 
schrift in stand te houden , en haar hoofden , vooral Van 
HoëvELL en Thorbecke , drongen er bij mij op aan , de verdere 
leiding van het Tijdschrift op mij te nemen. 



41 

Na lang aarzelen besloot ik mij met de leiding te belasten, 
docb niet dan na bekomen toezegging van ruime medewerking. 

Ik meende nu ook mij naar 's Gravenhage te moeten ver- 
plaatsen, in het middenpunt der politieke beweging, waar 
alleen , meende ik , cene vruchtbare leiding van het tijdschrift 
mogelijk zou zijn. 

Het was echter geenszins mijn voornemen mij geheel aan 
de politiek te wijden, noch te trachten mij op dat gebied op 
den voorgrond te plaatsen. De aanvaarding der redactie was 
mijnerzijds meer een zwakheid dan een neiging. In Indiëwas 
ik aan de gelijktijdige redactie van meerdere Tijdschriften en 
Verhandelingen van instellingen gewoon geweest, en de toe- 
gezegde medewerking bij de voortzetting van den arbeid van 
Van HoëvELL deed mij vertrouwen , dat zij mij tijds genoeg 
zou vrijlaten voor de geregelde voortzetting der uitgave van 
het werk dat onwillekeurig meer en meer het middenpunt was 
geworden van mijn wetenschappelijk streven. 



VII. 

De vierjarige reeks van het Tijdschrift voor Nederlaudsch 
Iudië onder mijne redactie, opende ik met eene politiek kolo- 
niaal programma in een » Woord aan den lezer". Hoe gema- 
tigd ook daaruit mijne staatkundige beginselen bleken, konden 
zij mij niet vrijwaren tegen heftige uitvallen van de conserva- 
tieve pers, die zich beijverde, ze in een hoogrood licht te 
plaatsen. Wat daarvan juist was, bleek weiras uit den ver- 
deren inhoud van het Tijdschrift, waarin meerdere artikelen 
van mijne hand en daaronder vrij talrijke niet onderteekende 
werden opgenomen. 

Ik had de redactie onder geen gunstige omstandigheden aan- 
vaard. De liberale beginselen waren, na lange worsteling, 
tot in het Kabinet van Koloniën doorgedrongen, en het tijd- 
schrift had daardoor geen aanleiding, als orgaan der oppositie 



op te treden — iets waaraan het vroeger voor een groot deel 
zijn bloei en de belangstelling van het publiek te danken 
had. Weldra werd dan ook gevoeld schaarschte aan artikels 
van dadelijk politieke strekking en de beloften van ruime 
medewerking bleven onvervuld. 

Na vier jaren lang aan het hoofd van het Tijdschrift ge- 
staan te hebben , meende ik de redactie te moeten nederleggen. 
Gelukkig voor het Tijdschrift had ik tot opvolgers eerst den 
uitstekenden indoloog den Hoogleeraar P. J. Veth en, toen 
ook deze de redactie niet wensch te voort te zetten, den be- 
kenden publicist Van Soest. 

In , 1865 was de mij toegestane verloftijd verstreken en moest 
ik besluiten mijn pensioen aan te vragen , om niet in de nood- 
zakelijkheid te geraken de toen in vollen gang zijnde uitgave 
van den Atlas Ichthyologique te staken. Ik aarzelde niet 
mijne Indische carrière, die groote stoffelijke voordeden be- 
loofde, op te offeren. Bij mijne pensioneering werd mij de 
rang toegekend van Kolonel. 

Slechts weinig dagen daarna, in Februari 1864, werd ik, 
op voordracht van Thorbecke, benoemd tot Staatsraad in 
buitengewonen dienst. 

Op het laatst van 1865 werd Nederland bedreigd met een 
nieuwe cholera-epidemie , die echter eerst in April 1866 uit- 
brak. Met het oog op de toenmaals in Europa heerschende 
begrippen omtrent deze vreeselijke snel doodende ziekte en 
haar behandeling, meende ik hét van mijn plicht het publiek 
omtrent het wezen dier ziekte voor te lichten en het van nut 
te zijn door het op de hoogte te stellen van de uitkomsten 
der in Indië verkregen ervaring ten opzichte van haar behan- 
deling. Ik deed zulks in een klein geschrift getiteld: »De 
Cholera. Wenken voor Allen/' Ik trachtte het publiek daarin 
duidelijk te maken dat de cholera, als ziekteproces, eenvoudig 
is een snelle uitzweeting van bloedwei in maag en darmkanaal , 



45 

waardoor het bloed spoedig verdikt, zijn omloop bemoeilijkt 
wordt en als gevolg daarvan het leven spoedig uitgedoofd. 
Ik wees er op, dat men dat vochtverlies met den mees ten 
spoed moest en hoe men het kon bedwingen ; dat de ervaring 
in Indië als hoofdmiddel daartoe had aangewezen het laudanum, 
het voornaamste bestanddeel van de in Indié sedert tientallen 
van jaren gebruikelijke zoogenaamde cholera-mixtuur ; — en 
ik voegde daarbij voorschriften hoe zoodanige mixtuur, met 
hel oog op toepassing door leeken, behoort te worden samen- 
gesteld en aangewend. 

Hel doel van de brochure werd in onverwachte mate be- 
reikt. Zij was weldra door het geheele land algemeen bekend. 
Binnen een maand na het uitbreken der epidemie was reeds 
een twaalfde druk noodig, en had de mixtuur onder den 
naam «Bleekers drank" algemeen burgerrecht verkregen. Van 
alle zijden ontving ik dankbetuigingen en , zoolang de epidemie 
woedde, behoorde ik onder de meest populaire mannen. Het 
was voornamelijk aan deze tijdelijke populariteit toe te 
schrijven , dat de keuze op mij viel ter vervulling eener open 
plaats in den 's Gravenhaagschen Gemeenteraad , en dat ik 
daarin, niettegenstaande de tegenwerking der toen nog over- 
machtige conservatieve pers en kiesvereenigingen met over- 
groote meerderheid werd gekozen. 

Het Lidmaatschap van den Gemeenteraad van de hofstad 
had echter weinig aantrekkelijks voor mij. Bovendien stond 
ik daar, bij de toenmalige samenstelling van dien Raad, als 
voorstander van omvangrijke verbeteringen en krachtigen voor- 
uitgang, bijkans alleen. Ik besloot echter voorloopig als 
raadslid zitting te nemen, doch een jaar later, na de ervaring 
te hebben opgedaan dat ik in den raad der gemeente van 
slechts weinig nut kon zijn, legde ik mijn mandaat neder. 

Nagenoeg gelijktijdig met mijne nederlegging der redactie 
van het Tijdschrift voor Nederlandsch Indië was de conser- 
vatieve richting weder aan het bewind gekomen. Die afwis- 
seling van regeeringsbeginselen , waardoor soms de arbeid van 



44 

jaren in eens wordt te niet gedaan, hoe ook liggende in den 
aard van een constitutioneelen Staat, bracht er veel toe t bij 
mijne opgewektheid voor politiek leven te verminderen. In 
de wetenschap was dat geheel anders. Men wordt er beoor- 
deeld naar zijn waarde en niet door hartstochten, en elk feit 
voor haar gewonnen is blijvend en duurzaam. Ik trok mij 
dan ook allengskens uit de politieke kringen terug, en zelfs 
aan de werkzaamheden van het toen in de hofstad bloeiend 
Indisch Genootschap, waarin ik dikwerf ter bespreking der 
Indische belangen was opgetreden , en in welks bestuur ik 
sedert jaren zitting had, nam ik minder levendig deel. 

Meer resultaat en meer voldoening had ik mij voorgespiegeld 
van de betrekkingen die ik bekleedde bij een paar instellingen 
van wetenschappelijken aard. 

Het Koninklijk zoölogisch botanisch genootschap te 's Gra- 
venhage was nog in de eerste jaren, de moeilijkste, van zijn 
bestaan. Het had te worstelen met geldelijke moeilijkheden 
en de onthouding of bedekte tegenwerking der aristocratie, 
welker gezellig samenzijn in eenc zelfde ruimte, den dieren- 
tuin van het genootschap, met den middenstand toen nog vol- 
strekt niet lag in haar zeden . Tot voorzitter van het genoot- 
schap gekozen, was het mijn streven hei in populariteit te 
doen winnen, maar tevens ook het den wetenschappelijken 
naam, dien hel zich gegeven had, te doen waardig maken. 
Bouwstoffen voor wetenschappelijk dierkundig en planteiikundig 
onderzoek waren in ruime male aanwezig. De reeds aanwe- 
zige verzamelingen konden tol kern dienen van een museum , 
en door dat museum kon, met het oog op de ontoereikende 
middelen voor het onderhouden van eene diergaarde op den 
voet der groote Europeesche dierentuinen, de belangrijkheid 
der instelling aanmerkelijk worden verhoogd, in afwachting 
dat de middelen zouden aanwezig zijn om ook de diergaarde 
belangrijk uit te breiden. Bovendien was de directeur van het 
genootschap een man van wetenschappelijken aanleg en zelf in 
de wetenschap niet geheel onbekend. Het geheele bestuur van 



48 

het genootschap werkte in dien geest mede, doch alle welen- 
schappelijke bemoeiingen stuitten af op onwil en onregelmatig 
beheer van den directeur. Toen ik na eenige jaren , de erva- 
ring had opgedaan dat aan ontwikkeling van het genootschap 
in wetenschappelijke richting in den bestaanden toestand niet 
verder te denken viel, meende ik als president te moeten al- 
treden, weinig geneigd als ik was, de leiding te blijven op 
mij nemen van eene instelling die slechts beoogde de bevorde- 
ring van maatschappelijke genoegens, zonder meer. 

Herhaaldelijk had ik ook aanvaard de keuze en de herkeuze 
tot het presidium van het Koninklijk Instituut voor de taal-, 
land- en volkenkunde van Nederlandsen Indië. Dit Instituut, 
aanvankelijk te Delft gevestigd , was later naar de hofstad over- 
gebracht en had niet opgehouden in bloei en aanzien toe te 
nemen. De aard der inrichting van het bestuur liet echter 
niet toe zich, hetzij als bestuurder hetzij als voorzitter, onaf- 
gebroken aan de belangen der instelling te wijden. Het be- 
ginsel van verplichte periodieke aftreding met eenjarige niet 
herkiesbaarheid , door het Instituut gehuldigd , had bij erkende 
voordeden toch het nadeel, dat het ongunstig moest werken 
op het beramen of doorzetten van maatregelen in het belang 
der instelling of der wetenschap, van welke de voorstellers 
niet zeker waren dat zij door hun opvolgers zouden worden 
voortgezet, en tot welker goeden uitslag zij in geen geval ten 
einde toe zouden kunnen medewerken. 

Mijn meer werkdadige betrekking tot het Instituut was dan 
ook van afwisselenden en tijdelijken aard. Ook moest ik mij 
dan nog meer bepalen tot leiding der werkzaamheden , dan 
tot dadelijke medewerking aan haar Bijdragen en Verhandelin- 
gen , wier inhoud zich bijna uitsluitend bepaalde tot taal-, land- 
en volkenkunde. Slechts enkele stukken in de Bijdragen , van 
statistischen aard, zijn van mijne hand. 

Ten gevolge van de reorganisatie van den Raad van State 
had het Slaatsraadschap in buitengewonen dienst opgehouden 



46 

eene louter eervolle onderscheiding te zijn. De bestemming 
der buitengewone Staatsraden was, bij de behandeling van 
sommige onderwerpen, den Raad van State te versterken, 
daarin zitting te nemen, en tot zijn adviezen en besluiten mede 
te werken. 

Meermalen werd ik dan ook geroepen aan de werkzaamhe- 
den van den Raad deel te nemen , en trad dan op in de sectie 
Koloniën, die mij telkenmale benoemde tot rapporteur om de 
adviezen der sectie in den vollen Raad toe te lichten en te 
verdedigen. Als zoodanig heb ik kunnen medewerken tot de 
adviezen aan den Koning over de cultuurwetten, de heere- 
dienslen, het onderwijs in Indië, de reorganisatie der genees- 
kundige school voor inlanders en van het korps inlandsche 
artsen, enz. 

In het jaar 1845 was ik in het huwelijk getreden met 
Henriette Christine Rudolph, jongste dochter van Marten 
Rudolph, Indisch amhlenaar, en Marie Elize Teissière. Het 
eenig kind uit dit huwelijk, een dochter, in 1849 geboren, 
huwde in 1868 met Willem Hendrik Baron van Heerdt, 
adjudant des Konings. Ook uit dit huwelijk sproot slechts 
een kind, dat de namen zijns vaders draagt. 

Tot omstreeks 1867 had ik het geluk gehad mij over eene 
doorgaans goede gezondheid mijner trouwe gade te mogen 
verheugen. Die gezondheid werd verbroken en gevolgd door 
een voortdurend ziekelijken lichamelijken en psychischen toe- 
stand, die mij meer en meer de plicht oplegde -het leed te 
deelen , bij wie ik zoolang zooveel liefs had genoten. 

Toch kon die aanhoudende toestand van zorg en spanning 
niet anders dan nederdrukkend terugwerken. Van deelneming 
in het publiek aan publieke belangen kon geen sprake meer 
zijn, en ik trok mij dan ook meer en meer daarvan terug. 
Ook mijne studiën en onderzoekingen kon ik niet geregeld 
meer voortzetten, verplicht als ik was het grootste gedeelte 
van mijn tijd te wijden aan zorgen voor- de geliefde zieke. 



47 

Allengskens ook bleef de uitwerking van dien toestand niet 
achter op eigen psychischen toestand. Gedrukt door het voort- 
durend aanschouwen van het lijden mijner gade, waaraan ik 
mij niet mocht en ook niet zou hebben willen onttrekken, 
voelde ik allengskens werklust en veerkracht verminderen. 

Zoolang mijne dochter ongehuwd was, bracht haar tegen- 
woordigheid nog veel afleiding en troost aan, maar sedert ik 
alleen bij de zieke was overgebleven, die voortdurend hulp, 
verzorging en opwekking noodig had , werd het onmogelijk 
mij eenigszins geregeld aan mijne onderzoekingen te wijden. 
Daarbij kwam de naderende ouderdom en het gevolg der over- 
spanning van meer dan dertigjarigen weinig afgebroken arbeid. 
En bovendien nog hadden zich allerlei moeilijkheden voorge- 
daan met betrekking tot de uitgave van den Atlas ichthyologi- 
que, welker voortzetting tijdelijk moest worden geslaakt. 

üe jaren, waarin ik onder dien toestand het meest gedrukt 
bleef, belmoren lot de minst vruchtbare mijns levens. Aan 
hel maatschappelijk leven nam ik geen deel meer, en wat ik 
nog op wetenschappelijk gebied verrichtte, had nagenoeg uit- 
sluitend betrekking tot de ichthyologie. 

Van den Atlas ichthyologique was toen nog niet de helft 
voltooid. De middelen door het koloniaal Gouvernement toe- 
gestaan tot dekking van het geldelijk tekort op de uitgave , 
waren uitgeput, Toen ik Indië verliet, bracht ik vandaar mede 
een lijst van meer dan tachtig inteekenaren , maar weinig 
jaren later was dat getal door vertrek, overlijden en terug- 
trekking sterk verminderd , en de inning der in teeken inggelden 
van de overgeblevenen bleek zoo moeilijk en kostbaar, dat 
niels daarvan ten bate der uitgave kwam. Het debiet bleef 
daardoor bijna uitsluitend beperkt tol groote wetenschappelijke 
instellingen en openbare boekerijen, en kon zich nauwelijks 
boven een zestigtal exemplaren handhaven — en van dat 
geringe getal moest nog 30 pCt. van de inteekeninggelden aan 
den uilgever worden afgestaan. 

De op geheel andere finantiëele berekening gegronde onder- 



48 

steuning van de Regeering kon in de verte niet strekken om 
de uitgave te voltooien , en toen daarop gewezen werd bij 
den toenmaligen minister Fransen van de Putte, meende deze 
geen vrijheid te hebben het toestaan van nieuwe fondsen aan 
de wetgevende macht voor te stellen. 

Andere moeilijkheden deden zich op met betrekking tot de 
uitvoering der platen. Langen tijd was het niet mogelijk 
goede steenteekenaars te bekomen, en wat dan nog na eene 
oneindigheid van verbeteringen kon worden gedrukt , werd zoo 
langzaam en ongeregeld afgewerkt, dat de uitgave van som- 
mige afleveringen er maanden, ja zelfs tot een paar jaar, door 
werd vertraagd. 

Meermalen was ik dan ook op het punt den ondernomen 
arbeid geheel te staken , maar telkens weder opkomende in- 
wendige aandrang hield mij daarvan terug. De hoop op betere 
tijden bleef mij schragen , en die hoop werd althans niet te- 
leurgesteld wat betreft het hoofdwerk mijn levens. 

Latere ministers van koloniën , Hasselman en Van Goltstein 
deelden niet de meening van hun voorganger Van de Putte , 
en de wetgevende macht maakte herhaaldelijk niet de geringste 
zwarigheid, de voltooiing van den Atlas ichlhyologique finantiëel 
mogelijk te maken 

Na het jaar 1870 voelde ik mijn werkkracht weder eenigs- 
zins herleven, doch zij bereikte nooit meer haar vroeger stand- 
punt en de veerkracht van vroeger jaren bleef voor goed 
gebroken Het bewustzijn ontwaakte aliengskens, dal ik mij 
zelven had overleefd. 

Wat ik ook sedert op wetenschappelijk gebied nog verrichtte, 
had bijna uitsluitend betrekking tot ichthyologie. De uitgave 
van den Atlas was nu ook weder geregeld, en in het jaar 
1877 was die gevorderd tot het tiende deel , waarvan de platen 
geheel waren afgedrukt en de tekst ter perse of voor de pers 
gereed . 



LTJST DER GESCHRIFTEN 



VAN 



Dr. P. BLEEKER, 



OVER 



ICHTHYOLOGIE 



IN CHRONOLOGISCHE VOLGORDE. 



1846. 1. Overzigt der Siluroïden welke te Batavia voorko- 
men. N; G. A. ( x ) III. p. 155—184. 



(1) Verkortingen van de titels der Tijdschriften: 

N. G. A. — Natuur- en Geneeskundig Archief voor Nederlandsch Indië, 
Batavia. 8°. 

V. B. G. — Verhandelingen van het Bataviaasch Genootschap van Kunsten 
en Wetenschappen. Ibid. 4°. 

J. Ind. A. — Journal of the Tndian Archipelago and Eastern Asia. Sin- 
gapore. 8°. 

M. Ind. 0. — Moniteur des Indes Orientales et Occidentales. La Haye. 4°. 

N. T. N. I. — Natuurkundig Tijdschrift voor Nederlandsch Indië. Batavia. 8°. 

A. S. S. I. N. — Acta Societatis Scientiarum Indo-neerlandicae. Batavia. 4°. 

N. A. N. C. — Nova Acta Academ. Caes. Leop. Carol. Naturae Curios. 4°. 

Versl. K. A. W. — Verslagen der Koninklijke Akademie van Wetenschap- 
pen. Afd. Natuurkunde. Amsterd. 8°. 

Verh. K. A. W. -— Verhandelingen d. Koninklijke Akademie van Weten- 
schappen. Afd. Natuurk. Amsterd. 4°. 

P. Z. S. — Proceedings of the Zoological Society of London. Lond. 8°. 

N. T. D. — Nederlandsch Tijdschrift voor de Dierkunde. Amsterd. 8°. 

V. H. M. W. — Verhandelingen van de Hollandsche Maatschappij der 
Wetenschappen. Haarlem. 4°. 

Arch. N. Sc. N. — Archives Neérlandaises des Sciences exactes et Natu- 
relles. Harlem. 8°. 

4 



50 

2 Siluroideorum batavieiïsium species nuperrime de- 

lectae N. G. A. IÏÏ. p. 284—293. 
5. Siluroideorum balaviensium conspectus diagnoslicus. 

V. B. G. XXI, I p. 1—60. 

4. Labroideorum ctenoideorum balaviensium diagnoses 
et adumbraliones. V. B. G. XXI, I. p. 1-53. 

5. Nieuwe bijdrage tot de kennis der Siluroïden van 
Java. V. B. G. XXI, I. p. 1-12. 

1847. 6. Pharyngognalhorum Siluroideorumque species novae 

Javan^nses. N. G. A. IV. p. 155 — 169. 

1848. 7. A contribution to the Ichlhyology of Sumbawa 

J. Ind. A. II. p. 532—540. 
1849 8 A contribution to the kuowledge ol' the ichthyolo- 
gical fauna of Celebes. J. Ind. A. III. p. 65-74. 
9. Overzigt der te Batavia voorkomende Gladscbubbige 
Labroïden, met beschrijving van 11 nieuwe soor- 
ten. V. B. G. XXII. Vers. Gallic. in M. L 0. III. — 
Geschreven in 1847. 

10. Bijdrage tot de kennis der Blennioïden en Gobioïden 
van den Soenda-molukschen archipel, met beschrij- 
ving van 42 nieuwe soorten. V. B. G. XXII. p. 
1—40. (Aug. 1848). 

11. Bijdrage tot de kennis der Percoïden van den Ma- 
layo-molukschen archipel, niet beschrijving van 22 
nieuwe soorten. V. B. 'G. XXII. p. 1-64 (Sept. 1848). 

12. Bijdrage tol de kennis der ichthyologische fauna van 
het eiland Bali, met beschrijving van eenige nieuwe 
species. V. B. G. XXII. p. 1—11 (Nov. 1848). 

15. Bijdrage lot de kennis der ichthyologische fauna 
van het eiland Madura, mei beschrijving van eenige 
nieuwe species. V. B. G. XXII. p. 1—16 (Dec. 1848). 

14. Bijdrage lol de kennis der Scleroparei van den 
Soenda-molukschen Archipel. V. B. G. XXII p. 
1 — 10 (Febr. 1849). 
1850, 15, Bijdrage tot de kennis der ichthyologische fauna van 



51 



Midden- en Oost-Java, niet beschrijving van eenige 
nieuwe species. V. B. G. XXII. p. 1—23 (Febr. 1849). 

16. Bijdrage lol de kennis der Sciaenoïden van den 
Soenda-molukschen archipel, mei beschrijving va» 
7 nieuwe soorten. V. B. G XXII. p. 1—51 
(Aug. 1849J. 

17. Bijdrage tot de kennis der Sparoïden van den Soenda- 
molukschen archipel. V. H G XXII p. 1—16 
(Dec. 1849). 

18. Bijdrage lot de kennis der Chaelodontoïden van den 
Soenda-molukschen archipel V B. G. XXIII. p. 
1—31 (Dec. 1849). 

19. Bijdrage tot de kennis der Maenoïden van den 
Soenda-molukschen archipel. V. B. G. XXIII. p. 
1—15 (Jan. 1850). 

20. Bijdrage lot de kennis der Visschen met Doolhof- 
vormige kieuwen van den Soenda-molukschen archi- 
pel. V. B. G. XXIII. p. 1—15 (Febr. 1850) 

21. Bijdrage lot de kennis der Teulhiden van den Soenda- 
molukschen archipel. V. B. G. XXIII. p. 1—30 
(Maart. 1850). 

22. Bijdrage tot de kennis der Notacanlhini van den 
Soenda-molukschen archipel. V. B. G. XXIII p 
1—6 (Maart. 1850). 

25. Bijdrage tot de kennis der ichlhyologische fauna 
van Borneo, met beschrijving van 16 nieuwe soor- 
ten van zoetwatervisschen . N. T. N I. I. p 
1—16 (Maart. 1850). 

24. Over eenige nieuwe soorten van Scleroparei van 
den Indischen archipel. N. T. N. I. I. p. 17—27 
(Aug. 1850). 

25. Over twee nieuwe soorten van Callionymus van den 
Indischen archipel. N. T. N. I I p 28-52 
(Aug. 1850). 



52 

26. Over eenige nieuwe soorten van Belone en Hemi- 
ramphus van Java. N. T. N. I. I. p. 93—95. 

27. Over drie nieuwe soorten van Tetraodon van den 
Indischen archipel. N. T. N. I. I. p. 96—97. 

28. Faunae ichthyologicae Javae insularumque adjacen- 
tium genera et species novae. N. T. N. I. Lp. 
98—108. 

29. Visschen van Banka. N. T. N.I.I.p. 159—161 
(Oct. 1850). 

30. Visschen van Borneo. NT. N.I.I.p. 161—162. 

31. Over eenige nieuwe soorten van Blennioïden en 
Gobioïden van den Indischen archipel. N. T. N. I. 
I. p. 236—258 (Nov. 1850). 

32. Nieuwe bijdrage lot de kennis der ichthyologische 
fauna van Borneo, met beschrijving van eenige 
nieuwe soorten van zoetwatervisschen. N. T. N. I. 
I. p. 259—275 (Nov. 1850). 

33. Oxybeles Brandesii, eene nieuwe soort van Ophi- 
dini van Banda-Neira. N. T. N. I. I. p. 276—278. 

1851. 34. Over eenige nieuwe geslachten en soorten van Ma- 
kreelachtige visschen van den Indischen archipel. 
N. T. N. I. I. p. 341—372. 

35. Over eenige nieuwe soorten van Pleuronectoiden van 
den Indischen archipel. N. T. N. I. I. p. 401—416. 

36. Over eenige nieuwe soorten van Megalops ; Dussu- 
mieria, Notopterus en Astronecthes. N. T. N. I. 

I. p. 417—424. 

37. Visschen van Biliton. N. T. N. I. I. p. 478—479 
(Febr. 1851). 

38. Derde bijdrage tot de kennis der ichthyologische 
fauna van Borneo, met beschrijving van eenige 
nieuwe soorten van zoetwatervisschen. N. T. N. I. 

II. p. 57—70 (Febr. 1851). 

39. Cheilinoïdes , een nieuw geslacht van Gladschnbbige 



55 

Labroïden van Batavia. N. T. N. I. II. p. 61—62 
(Maart. 1851). 

40. Nieuwe bijdrage tot de kennis der Percoidei, Scle- 
roparei, Seiaenoidei, Maenoidei, Chaetodontoidei en 
Sconiberoidei van den Soenda-molukschen archipel. 
K. ï. N. I. II. p. 163—179. 

41. Vierde bijdrage tot de kennis der ichthyologische 
fauna van Borneo, met beschrijving van eenige 
nieuwe soorten van zoetwatervisschen. N. T. N. I. 
II. p. 193—208 (Mei. 1851). 

42. Nieuwe bijdrage lot de kennis der ichthyologische 
fauna van Celebes. N. T. N. I. II. p. 205—224 
(Mei. 1851). 

45. Bijdrage tot de kennis der ichthyologische fauna 
van de Banda-eilanden. N. T. N. I. II. p. 225 -261 
(Mei. 1851). 

44. Visschen van Solo. N T N I II. p. 347—348 
(Juli. 1851). 

45. Vijfde bijdrage tot de kennis der ichthyologische 
fauna van Borneo, met beschrijving van eenige 
nieuwe soorten van zoetwatervisschen . N. T. N. 1. 
II. p. 415—442 (Aug. 1851). 

46. Bijdrage tot de kennis der ichthyologische fauna van 
Riouw. N. T. N. I. II. p. 469— 497 (Oct. 1851). 

1^52. 47. Bijdrage tot de kennis der Bloolkakige visschen van 
den Soenda-molukschen archipel. V. B. G. XXIV. 
p. 1—26 (Aug. 1850, Append. Maart. 1852). 

48. Bijdrage tot de kennis der Makreelachtige visschen 
van den Soenda-molukschen archipel V. B. G. 
XXIV. p. 1—93 (Oct. 1850, Append. Dec. 1850, 
Maart. 1852). 

49. Bijdrage tot de kennis der Snoekachtige visschen 
van den Soenda-molukschen archipel. V. B. G. XXIV. 
p. 1—28 (Nov. 1850, Append. Maart. 1852). 

50. Bijdrage tot de kennis der Pleuronecteoidei van den 



u 



Soenda-molukschen archipel. V. B. G. XXIV. p 
1 — 32 (Dec. 1850; Append. Jan. 1851 , Maart. 1852). 

51. Bijdrage tot de kennis der Chirocentroidei , Lutodeiri, 
Butirini, Elopes, Notopteri, Salmenes, Echeneoidei 
en Ophidini van den Soenda-molukschen archipel. 
V. B. G. XXIV. p. 1—32 (Jan. 1851; Append. 
1851). 

52. Bijdrage tot de kennis der Balistini en Oslraciones 
van den Indischen archipel. V. B. G XXIV. p. 
1—58 (Mei. 1851, Append Nov. 1851). 

53. Bijdrage tot de kennis der Plagiostomen van den 
Indischen archipel. V. B. G. XXVI. p. 1—92 
(Juni. 1851; App. 1852). 

54. Bijdrage tot de kennis der Haringachtige visschen 
van den Soenda-molukschen archipel. V. B. G. 
XXIV. p. 1—52 (Dec. 1851; App. Mei. 1852). 

55. Bijdrage tot de kennis der ichthyologische fauna 
van Singapore. N. T. N. I. III. p. 51— 86 (Dec. 
1851). 

56. Bijdrage tot de kennis der ichthyologische fauna 
van Blitong (Billiton), met beschrijving van eenige 
nieuwe soorten van zoelwatervisschen . N . T . N . I . 
III. p. 81—100 (Dec. 1851). 

57. Bijdrage tot de kennis der ichthyologische fauna van 
ïimor. N. T. N. I. III. p. 155— 174 (Jan. 1852) 

58. Bijdrage tot de kennis der ichthyologische fauna 
van de Moluksche eilanden . Visschen van Amboina 
en Ceram. N. T. N. I. III. p. 229—509 (Apr. 1852). 

59. Zesde bijdrage tot de kennis der ichthyologische 
fauna van Borneo. Visschen van Pamangkat, 
Bandjermassing , Braboekarta en Sampit. N. T. N. I. 
III. p. 407—442 (Jan. 1852). 

60. Bijdrage tot de kennis der ichthyologische fauna 
van het eiland Banka. N. T. N I III 445—460 
(Juni. 1852). 



m 

61. Visschen vanSolor. N. T. N. I. III. p. 490—491 

62. Nieuwe bijdrage tot de kennis der ichthyologische 
fauna van Amboina N . T. N. I III p. 545-568 
(Aug. 1852). 

63. Diagnostische beschrijvingen van nieuwe of weinig 
bekende vischsoorten van Sumatra. Tiental 1— IV 
N. T. N. I. III. p S69— 608. 

64. Nieuwe visschen van Banda-Neira. N. T N, I III 
p. 645— 646 (Sept. 1852). 

65. Nieuwe bijdrage tot de kennis der ichthyologische 
fauna van Ceram. N. T. N I. III. p 689—716 
(Sept. 1852). 

66. Nieuwe bijdrage tot de kennis der ichthyologische 
fauna van hel eiland Banka. N. T. NI. III. p. 
715—758 (Oct. 1852). 

67. Derde bijdrage lot de kennis der ichthyologische 
fauna van Celebes. N. T. N. I. III p. 739—782 
(Sept. 1852). 

1855. 68. Over eenige nieuwe soorten van Notoplerus van 
den Indischen archipel. N. A. N. C. XXIV, I. 
p. 1—14 (49—62). (Dec. 1851). 

69. Bijdrage lot de kennis der ichthyologische fauna 
van Japan. Verh. K. A. W. 1. p. 1—16 (Dec. 1851). 

70. Bijdrage tot de kennis der Muraenoïden en Sym- 
branchoïden van den Indischen archipel. V. B. G. 
XXV. p. 1—62 (Sept. 1852). 

71. Derde bijdrage tot de kennis der ichthyologische 
fauna van Amboina. N. T. N. I. IV. p. 91—150 
(Dec. 1852). 

72. Bijdrage tot de kennis der ichthyologische fauna van 
Ternate. N. T. N. I. IV. p. 151— 140 (Oct. 1852). 

73. Over eenige nieuwe soorten van Homaloptera v. 
Hass (Balitora Gr.) van Java en Sumatra NT. 
N. I. IV. p. 151—140 (Oct. 1852). 



H6 



74. Nalezingen op de ichlhyologie van Japan . V. B. G. 
XXV. p. 1—56 (Jan. 1853). 

75. Nalezingen op de ichthyologische fauna van Ben- 
galen en Hindostan. V. B. G. XXV. p 1—166 
(Jan.— Sept. 1835, App. Mei. 1854). 

76. Bijdrage tot de kennis der Troskietiwige visschen 
van den Indischen archipel. V. B. G. XXV. p. 
1—50 (Aug. 1853). 

77. Aanhangsel op de hijdrage tot de kennis der Mu- 
raenoïden en Symbranchoïden van den Indischen 
archipel. V. B. G. XXV, p. 65— 76 (Sept.— Dec. 
1853). 

78. Exocoetus hexagona , eene nieuwe soort van Banka. 
N. T. N. I IV. p 206—207 (Febr. 1855). 

79. Diagnostische beschrijvingen van nieuwe ol' weinig 
bekende vischsoorten van Sumatra. Tiental V — X. 
N. ï. N. I. IV. p. 245—502 (Febr. 1855). 

80. Sicydium Parvei, eene nieuwe soort van de Piean- 
ger-Regentschappen . N T. N I IV. p 426— 
427 (Juni. 1855). 

81. Diagnostische beschrijvingen van nieuwe ol" weinig 
bekende vischsoorten van Batavia. Tiental I — VI. 
N. T. N. I. IV. p. 451— 516 (Jan— Aug. 1855). 

82. Nieuwe bijdrage tot de kennis der ichthyologische 
fauna van Ternate en Halmaheira (Gilolo). N T. 
N. I. IV, p. 595—610 (Aug. 1855). 

85. Bijdrage tot de kennis der ichthyologische fauna 
van Solor. N. T. N. I. V. p. 67— 96 (Febr. 1855)- 

84. Vierde bijdrage tot de kennis der ichthyologische 
fauna van Celebes. N. T. N. I. V. p. 155—174 
(Juli. 1855). 

85. Nalezingen op de ichthyologische fauna van het 
eiland Banka. N. T. N. I. V. p. 174—194 
(Jan.— Sept. 1853). 

86. Derde bijdrage tot de kennis der ichthyologische 



57 

fauna' van Ceram. N. T. N. I. V. p. 253—248 
(Juli. 1855). 

87. Vierde bijdrage tot de kennis der ichthyologische 
fauna van Amboina. N. T. N. I. V. p. 517— 
552 (Maart— Aug. 1843). 

88. Zevende bijdrage tot de kennis der ichthyologische 
fauna van Borneo. Zoetwatervisschen van Sambas, 
Pontianak en Pengaron. N. T. N. I. V. p. 427— 
462 (Jan.— Aug. 1853). 

89. Nieuwe tientallen diagnostische beschrijvingen van 
nieuwe of weinig bekende vischsoorten van Suma- 
tra. N. T. N. I. V. p. 495—534 (Oct.— Dec. 1853). 

90. Antennarius notophthahnus, eene nieuwe soort van 
de Meeuwenbaai. N. ï. N. I. V. p. 545—545 
(Dec. 1853). 

1854. 91. Bijdrage tot de kennis der ichthyologische fauna 
van Halmaheira (Gilolo). N. T. N. I. VI. p. 
49—62 (Nov. 1855). 
92. Derde b : jdrage tot de kennis der ichthyologische 
fauna van de Banda-eilanden . N. T. N. I. VI. 
p. 89—114 (Dec. 1853). 
95. Diagramma haematochir , eene nieuwe soort van 
Ternate. N. T. N. I. VI. p. 175—176 (Maart. 1854). 

94. Species piscium batavienses novae vel minus cog- 
nitae. N* %. N. I. VI. p. 191— 202 (Jan. 1854). 

95. Nieuwe bijdrage tot de kennis der ichthyologische 
fauna van Timor, N. T. N. I. VI. . p. 205—216 
(Febr. 1854). 

96. Bijdrage tot de kennis der ichthyologische fauna 
van het eiland Flores. N. ï. N. I. VI. p 311 — 
538 Maart. 1854). 

97. Syngnathus tapeinosoma, eene nieuwe zeenaald van 
Anjer. N. T. N. I. VI. p. 375— 576 (Jan. 1854). 

98. Diagramma polytaenioides , eene nieuwe soort van 
Solor. N. T. N. I. VI. p. 575-576 (Jan. 1854). 



58 



99. Faunae ichthyologieae japonicae species novae. N 
T N. I. VI. p. 395-426 (Jan. -Febr. 1854) 

100. Vijfde bijdrage tot de kennis der ichthyologische 
fauna van Amboina. N T N I VI p. 455—508 
(Mei. 1854). 

101. Ëleotris Tolsoui , cene nieuwe soort van Java's 
Westhoek nabij de Meeuwenbaai. N TJ I VI 
p. 542—543 (Juni. 1854) 

102. Bijdrage tol de kennis der iehlhynlogische fauna 
van de Kokos-eilanden. N T.N I. Vil p 37—48 
(Juni. 1854) 

105. Overzigt der ichthyologiscbe fauna van Sumatra, 
met beschrijving van cenige nieuwe soorten . NT 
N. I. Vil. p 49—108 (Jan —Juni. 1854) 

104. Iets over visschen levende in zeesterren en over 
cene nieuwe soort van Oxybeles. N. T. N. I. VII 
p. 162—163 (Aug. 1854) 

105. Visschen van de Natoena-eilanden N T. N I 
VII. p. 165—164 (Aug. 1854). 

106. Vijfde bijdrage tot de kennis der ichthyologische 
fauna van Celebes. N T N I VII p 225—260 
(Maart— Sept. 1854). 

107. Ichthyologische waarnemingen gedaan op verschil- 
lende reizen in de residentie Bantam N T. N. I. 
VII. p. 509—526 (Sept.» 1854). 

108. Over eenige nieuwe visschen van de Kokos-eilanden. 
N. T N. 1. VII. p. 553-358 (Oct. 1854). 

109. Bijdrage tot de kennis der ichthyologische fauna 
van Batjan. N. T. N. I. VIL p. 359—578 (Sept. 1854). 

110. Spjcierum piscium javanensium novarum vel minus 
cognitarum diagnoses adumbralae. N. T. N. 
VII. p. 415—448 (Juni— Oct. 1854). 

UI. Zesde bijdrage lot de kennis der ichthyologische 
fauna van Celebes. N. T. N. I. VII. p. 448—452 
(Nov. 1854). 



k>9 



112. Dactylopterus cheirophthatmus van de Banda-eilan- 
den. N. T. N. I. VII. (Oei. 1854). 

113. Nog iets over visschen levende in Echinodermen. 
N. T. N. I. VII. p. 435—496 (I)ec. 1854). 

114. Over eenige visschen van van Diemensland. Verh. 
K. A. W. II. p. 1—30 (Juli. 1854). 

115. Nieuwe nalezingen op de ichthyologie van Japan. 
V. B. G. XXVI. p. 1—132 (Jan.— Febr. 1854), 

116. Bijdrage tot de kennis der Sphyraenoiden van den 
Indischen Archipel. V B. G. XXVI. p. 1—22 
(Sept. 1854). 

117. Achtste bijdrage tot de kennis der ichthyologische 
fauna van Borneo. Zoetwalervisschen van Bandjer- 
masin. N. T . N. 1. VIII. p. 151— 168 (Nov. 1854). 

118. Derde bijdrage tot de kennis der ichthyologische 
fauna van de Kokos-eilanden. N. T. N. I. VIII. 
p. 165—180 (Dec. 1854). 

119. Anlennarius Lindgreeni, eene nieuwe soort van 
Banka. N. T N. I. VIII. p. 192—193 (1854). 

120. Vijfde bijdrage tot de kennis der ichthyologische 
fauna van Ternate. N. T. N. I. VIII p. 295—304 
(Dec. 1854). 

121. Bijdrage tot de kennis der ichthyologische fauna 
van de Batoe-eüanden . N. T. N. I. VIII. p 505- 
328 (Maart. 1855). 

122. Visschen van de Duizend-eilanden. N. T. N. I. 
VIII. p 844 (Maart. 1855). 

123. Visschen van Tikoe, Sumatra's Westkust N. T. 
NI. VIII. p. 345 (Maart 1855). 

124. Zesde bijdrage tot de kennis der ichthyologische 
fauna van Atnboina. N. T. N. I. VIII. p. 391— 
434 (Maart. 1855). 

125. Zevende bijdrage tot de kennis der ichthyologische 
fauna van Celebes N.T.N. I. VIII. p. 435—444 
(April. 1855). 



60 



126. Vierde bijdrage tol de kennis der ich theologische 
fauna van de Kokos-eilanden. N. ï. N. I. VIII. 
p. 445—460 (April. 1855). 

127. Tweede bijdrage tot de kennis der ichlhyologische 
fauna van de Batoe-eilanden . N. T. N. I.IX.p. 
65—72 (April. 1855). 

128. Tweede bijdrage tot de kennis der ichthyologische 
fauna van Halmaheira (Gilolo). N. T. N. I IX 
p. 105—112 (April. 1855). 

129. Nieuwe bijdrage tot de kennis der ichthyologische 
fauna van Sumbawa. N. T. N. I. IX. p. 113—115 
(April. 1855). 

130. Over eenige nieuwe visschen van Ternate. N. T. 
N. I. IX. p. 155 (Aug. 1855). 

131. Tweede bijdrage tot de kennis der ichthyologische 
fauna van Batjan. N, T. N. I. IX. p. 191—202 
(Mei. 1855). 

132. Nalezingen op de vischfauna van Sumatra. Vis- 
schen van Lahat en Sibogha. N. T. N. I. IX. 
p. 257—280 (Juni. 1855). 

133. Achtste bijdrage tot de kennis der iehthyologisch< 
fauna van Celebes. N. T. N. I. IX. p. 281—31 
(Juni. 1855). 

134. Verslag van eenige visch verzamelingen van Oosl- 
Java. N. T. N. I. IX. p. 391-414 (Juni— Juli. 1855). 

135. Negende bijdrage tot de kennis der ichlhyologiseh< 
fauna van Borneo. Zoetwatervisschen van Pontia- 
nak en Bandjermasin . N. T. N. I. IX. p 415 
430 (Juli. 1855). 

136. Bijdrage tot de kennis der ichthyologische faunj 
van het eiland Groot-Obi. N T N. I. IX ] 
431—438. 

137. Derde bijdrage tot de kennis der ichthyologische 
fauna van Batjan. N. T. N. I. IX. p. 491— 50^ 
(Aug. 1855). 



61 

1856. 158. Tweede bijdrage lot de kennis der ichthyologische 
fauna van het eiland Rintang. N. T. N. I. X. 
p. 345—356 (Nov'.—Dec. 1856). 

139. Zevende bijdrage tot de kennis der ichthyologische 
fauna van Ternate. N. T. N. I. X. p. 357—386, 

140. Carcharias (Prionodon) amblyrhynchus, eene nieuwe 
haaisoort gevangen nabij het eiland Solombo. N. 
T. N. I. X. p. 467—468 (Nov. 1855.). 

141. Visschen van Saparoea. N. T. N. I. X. p. 469 
(Nov. 1855). 

142. Verslag omtrent eenige vischsoorten gevangen aan 
de Zuidkust van Malang in Oost-Java. N. T. N. ï. 
XI. p. 81—92 (Dec. 1855). 

145. Vijfde bijdrage tot de kennis der ichthyologische 
fauna van de Banda-eilanden. N. T. N. I. XI. 
p. 93—100 (Maart. 1856). 

144. Visschen waargenomen te Laboeha, eiland Batjan. 
N. "T. N. I. XI. p. 253—254 (Nov. 1855). 

145. Bijdrage tot de kennis der ichthyologische fauna 
van het eiland Boero. N. T. N. I. XI. p. 383— 
414 (Mei 1856). 

146. Verslag van eenige verzamelingen van zee- en 
zoetwatervisschen van het eiland Banka N. T. N. I. 
XI. p. 415-420. 

147. Vischsoorten nieuw voor de kennis der fauna van 
het eiland Ceram. N. T. N. I. XI. p. 486—487 
(Juni 1856). 

148. Reis door de Minahassa en den Molukschen archi- 
pel gedaan in de maanden September en October 
1855 in het gevolg van den Gouverneur-Generaal 
A. J. Duymaer van Twist . Batavia. 2deelen. 8°. 

149. Beschrijvingen van nieuwe en weinig bekende visch- 
soorten van Amboina , verzameld op eene reis door 
den Molukschen archipel , gedaan in het gevolg van 
den Gouverneur-Generaal Duymaer van Twist in 



62 

September en Oclober 1855. A. S. S. I. N. I 
p. 1—76 (I)ec. 1855; App. Juni 1856). 

150. Beschrijvingen van nieuwe of weinig bekende visch- 
soorten van Menado en Makassar, grootendeels 
verzameld op eene reis naar den Molukschen ar- 
chipel in het gevolg van den Gouverneur-Generaal 

DlIYMAER VAN ÏWIST . AS. SIN lp 1—80 

(Jan.— Febr. 1856). 

151. Achtste bijdrage tot de kennis der ichthyologische 
fauna van Ternate. N. T N. I. XII p. 191-210 
(Juli 1856). 

152. Bijdrage tot de kennis der ichthyologische fauna 
van Nias. N. T. N. I. XII. p. 211-228 (Juni 
1856). 

153. Derde bijdrage lot de kennis der ichthyologische 
fauna van de Batoe-eilanden N. T. N. 1 XII ji 
229—242 (Juni 1856). 

154. Berigt omtrent eenige vischsoorleu van Tobali , 
eiland Banka. N. T. N. I XII p 273-275 
(Aug. 1856 

155. Nieuwe bijdrage tot de kennis der ichthyologische 
fauna van Bali. N. T. N. I XII p. 291-302 
(Sept. 1856). 

156. Berigt omtrent eenige vischsoorleu nieuw voor de 
kennis van het eiland Ceram. N. T. N. 1 XII 
p. 508 Dec. 1856). 

1857. 157. (Jonspeclus specierum piscium moluccensinm huc- 
usque cognitarum A. S. S. I. N. II 1—23 
(Juli. 1856). 

158. Tiende bijdrage tot de kennis der ichthyologiscl 

fauna van Borneo. Visschen van de rivieren B 

ril-o, Kahajan en Kapoeas. A. S S I.N.IIp 

1—21 (Sept. 1856). 

159, Achtste bijdrage tol de kennis der vischfauna va 



65 



Amboina. A S S. 1 N. II p 1— 102(Nov.— 
Dec 1856). 

160. Zesde bijdrage tol. de kennis der visebfauna van 
Sumalra Visscben van Padang, Troessan. Pria- 
man, Sibogha en Palcmbang. A S S I N. III 
p. 1—50 (Oct. 1856). 

161. Vierde bijdrage lot de kennis der icbtbyologiscbe 
fauna van Japan. A. S. S. I. N. III. p. 1—46 
(Jan. 1857). 

162. Tiende bijdrage tot de kennis der visebfauna van 
Celebes. A. S. S. I. N. III. p 1— 16(Febr. 1857). 

163. Elfde bijdrage tot de kennis der visebfauna van 
Celebes Visscben van Makassar. A. S. SIN 
III. p. 1—2 (Juni. 1857). 

164. Elfde bijdrage tol de kennis der icbtbyologiscbe 
fauna van Borneo. Visscben van Sinkawang A 
S. S. I. N. p. 1—4 (Mei. 1857). 

165. Negende bijdrage tot de kennis der visebfauna van 
Amboina. A. S. S. I. N. III. p. 1—6 (Juni 1857). 

166. Tiende bijdrage lot de kennis der visebfauna van 
Amboina. A. S. S. I. N. III. p. 1— 4 (Nov. 1857). 

167. Tweede bijdrage tot de kennis der ichlbyologiscbe 
fauna van Boero. N. T. N. I. XIII p 55—82 
(Dec. 1856). 

168. Over eenige visebsooiien nieuw voor de kennis der 
fauna van Bililon . N. T. NI. XIII. p. 283—287 
(Maart. 1857). 

169. Descriptiones specierum piscium javanensium no- 
varum vel minus cognilarum diagnoslicae. N. T 
NI. XIII. p. 323— 568 (Jan 1856— April. 1857). 

170. Bijdrage tot de kennis der icbtbyologiscbe fauna 
van de Sangi-eilanden. N. T. N. I XIII. p 
569—380 (April. 1837). 

171. Verslag van eene nieuwe verzameling visscben van 



64 

Batjati. N. T. N. I. XIII. p. 581—586 (April. 
1857). 
172. Verslag omtrent eenige vischsoorten van Timor- 
koepang en Timor-delhi . N. T. N. I. XIII. p. 
587—590 (April. 1857). 

175. Over eenige vischverzamelingen van verschillende 
gedeelten van Java. N. ï. N. I. XIII. p. 475— 
480. (April. 1857). 

174. Over eenige vischsoorten gevangen hij Prigi aan 
Java's Zuidkust. N. T. N. I. XIV. p. 244—246 
(Juli. J857). 
1858. 175. Ichthyologiae Archipelagi Indici Prodromus. I Si- 
luri. A. S. S. I. N. IV. p. 1—570 (Juni— Sept. 
1857; Append. Aug. 1858). 

176. Zevende hijdrage tot de kennis der vischfauna van 
Sumatra. Vischen van Palemhang. A. S. S. I. N. 
V. p. 1—12 (Dec. 1857). 

177. Twaalfde bijdrage tot de kennis der vischfauna van 
Borneo. Visschen van Sinkawang. A. S. S. I. N. 
V. p . 1—10 (Oct. 1857 en Maart. 1858). 

178. Twaalfde bijdrage tot de kennis der vischfauna van 
Celebes. Visschen van Menado. A. S. S. I. N. V. 
p. 1—4 (Juni. 1858). 

179. Vijfde bijdrage tot de kennis der ichthyologische 
fauna van Japan. A. S. S. I. N. V. p. 1—12 (Juli. 
1858). 

180. Index descriplionum specierum piscium Bleekeria- 
naruni in voluminibus I ad XIV Diarii Societatis 
Regiae Scientiarum Indo-Batavae. N. T. N. I. XIV. 
p. 447—486. 

181. Visschen van Java's Zuidkust. N. T. N. I. XV. p. 
159—162 (Dec. 1857). 

182. Holacanthus pseudannularis, eene nieuwe soort van 
Batavia. N. T. N. I. XV. p. 169—171 (Nov. 1857). 



65 



183. Bijdrage tot de kennis der vischfauna van den 
Gorapi-archipel. N. T. N. I. XV. p. 197— 218 (Nov 
1857). 

184. Vierde bijdrage tot de kennis der vischfauna van 
Biliton. N. T. N. I. XV. p, 219—240 (I)ee. 1857), 

185. Tweede bijdrage tot de kennis der vischfauna van 
Singapore. N. ï. N. I. XV. p. 241— 254 (Jan. 1858). 

180. Enumeratio specierum piscium javanensium hucus- 
que cognitarum. N. T. N. I. XV. p. 355—456 
(Juni. 1858). 

187. Vijfde bijdrage tot de kennis der ichthyologische 
1'^ina van de Kokos-eilanden. N. T. N. I. XV. 
p. 457—468 (Juni. 1858). 

188. Visschen van Tikoe en reptiliën van Agam, ver- 
zameld door E. A. Ludeking. N. T. N. I. XVI. 
p. 26—28 (Oct. 1857). 

189. Visschen en reptiliën van Atnboina , verzameld door 
den heer Schröper. N. T. N. I. XVI. p. 28—31 
(Oct. 1857). 

190. Vischsoorten van Tjilaljap, verzameld door H. Tievez. 
N. T. N. I. XVI. p. 37 (Oct. 1857). 

191. Systema Silurorum. N, ï. N. 1. XVI. p. 38-41 
(Oct. 1857). 

192. Vischsoorten van Anjer, verzameld door T. H. 
Eysinger. N. T. N. I. XVI. p. 45 (Nov. 1857). 

193. Vischsoorten en reptiliën van Riouw en Lingga, 
verzameld door E. Netscher, E. F. Meyer en H. 
Raat. N. T. N. I. XVI. p. 45—47 (Nov. 1857). 

194. Vischsoorten en reptiliën van Ranjoewangi en Bui- 
lenzorg, verzameld door H. Zollinger, H. von 
Rosenberg en 0. F. U. J.' Huguenin. N. T. N. I. 
XVI. p. 47—49 (Nov. 1857). 

195. Vischsoorten van Sinkawang, verzameld door J. H. 
A. B. Sonnemann Rebentiscii. N. T. N. I. XVI. p c 
195—196 (Maarl. 1858). 

5 



66 



196. Slangen en visschen uil de omstreken van Montrado, 
verzameld door G. J. Filet. N. T. N. I. XVI. p. 
196—197 (Maart. 1858). 

197. Visschen van de Kokos-eilanden, verzameld door 
J. G. C. Koss en A. J. Anderson. N. T. N. I. XVI. 
p. 205—206 (April. 1858). 

198. Slangen en visschen van Koetei, verzameld door 
J. Wolff. N. T. N. I. XVI. p. 206 (April. 1858). 

199. Reptiliën en vischsoorten van Batjan , verzameld 
door J. G. T. Bernelot Moens. N. T. N. I. XVI. 
p. 208-210 (April. 1858). 

200. Vischsoorten uit de zoete wateren v«*i Benkoelen, 
verzameld door J. A. W. van Ophuysen. N. T. N. 
I. XVI. p. 210-211 (April. 1858). 

201. ïindjan Kassik uit de rivier van Priaman, verza- 
meld door G. T. James. N. T. N. I. XVI. p. 211— 
212 (April. 1858). 

202. Zee visschen gevangen in de nabijheid van Benkoe- 
len, verzameld door J. A. W. van Ophuysen. N. T. 
N. I. XVI. p. 259 (Juni. 1858). 

203. Vischsoorten van de Kokos-eilanden , verzameld door 
A. J. A. Anderson. N. T. N. I. XVI. p. 240 (Juni. 
1858). 

204. Visschen uit de Serayoe, verzameld door G. C. 
Schonck. N. T. N. I. XVI. p. 241 (Juni. 1858). 

205. Vischsoorten gevangen hij Benkoelen en aangeboden 
door J. A. W. van Ophuysen. N. T. N. I. XVI. 
p. 243—244 (Juni. 1858). 

206. Vischsoorten van Muntok , verzameld door F. 
Dolge. N. T.'N. I. XVI. p. 251— 252 (Juni. 185É 

207. Nog iets over het geslacht Helerophthalmus. N. 
N. I. XVI. p. 255—255 (Juni. 1858). 

208. Tarsius spectrum en reptiliën en visschen vai 
Biliton, verzameld door A. Hendriks. N. T. N. 
XVI. p. 261—262 (Juni. 1858). 



67 

209. Vischsoorten van Palembang en Djambi, verzameld 
door E. A. Lange en F. J. P. Storm van 's Gra- 
vesande. N. T. N. I. XVI. p. 265—266 (Jnni. 1858). 

210. Over eene nieuwe verzameling vischsoorten van 
Benkoelen van A. J. W. van Öphuysen. N. T. N. 
I. XVI. p. 27~>-275 (Juli. 1858). 

211. Conspectus specierum Mugilis Archipelagi indici 
analyticus. N. T. N. I. XVI. p. 275—280 (Juli. 1858). 

212. Over de geslachlen der Cobitinen. N. T. N. I. 
XVI. p 302—304 (Aug. 1858). 

213. Reptiliën en visscben van Wonosobo, Manado en 
Banda N. T. N. I. XVI. p. 314 (Aug. 1858). 

214. Vischsoorten van Tanara. N. T. N. I. XVI. p. 
316—317 (Aug. 1858). 

215. Vischsoorten van Priaman, verzameld door H. 
Diepenhorst. N. T. N. I. XVI. p. 336—538 
(Sept. 1858). 

216. Vischsoorten van Palembang, verzameld door 11. 
V. Heyliger. N. T. N. I. XVI. p. 338—341 
(Sept. 1858). 

1859. 217. Zoetwatervisschen en slangen uit de omstreken van 
Ngawi , verzameld door J . T van Bloemen Waan- 
ders. N. T. N. I. XVI. p. 357— 359 (Oct. 1858). 

218. Vischsoorten uit de Moessi, Saleh, Padang en 
Kommering , verzameld door E . A . Lange en G . 
A. van Delden. N. T. N. I. XVI. p. 384—388 
(Dec. 1858). 

219. Vischsoorten gevangen bij Japan, verzameld door 
S. A. Thürkow.N. T. N. 1. XVI. p. 406-409 
(Jan. 1859). 

220. Heptiliën en visscben van Anjer, verzameld door 
J. G. T. Bernelot Moens. N. T. N I. XVI. p 
423—425 (Jan. 1859). 

221. Verslag van eene verzameling reptiliën en visscben 
yan Westelijk Borneo, aangeboden door ,1. 11. A. 



68 



Sonnemann Rebentisch . N. T. IN I. XVI p. 443— 
451 (Jan. 1659). 

222. Vierde bijdrage tot de kennis der ichthyologische 
fauna van Timor. Visschen van Atapoepoe. N. T 
NI. XVII. p. 129—140 (Juli. 1858). 

223. Derde bijdrage tot de kennis der ichthyologische 
fauna van Bali. N. T. N. I. XVII. p. 141—175 
(Juni. 1858). 

224. Bijdrage tot de kennis der viscbfauna van Bawean . 
N. ï. N. I. XVIII. p. 351—358 (Jan. 1859). 

225. Negende bijdrage tot de kennis der vischfauna van 
Banka N. T. N I. XVIII. p. 359— 378 (Febr. 1859). 

226. Over eenige visclisoorten van de Zuidkust-wateren 
van Java. N. T. N. I. XIX. p. 329—352 (Maart 1859). 

227. Derde bijdrage tot de kennis der viscbfauna van 
Soembawa. N. ï. N. I. XIX. p. 434—440 (Juli 1859). 

228. Bijdrage tot de kennis der viscbfauna van Nieuw- 
Guinea. A. S. S. I. N. VI. p. 1—24 (Dec. 1858). 

229. Enumeralio specierum piscium hucusque in Arcbi- 
pelago indico observatarum , adjectis babitationibus 
«itationibusque ubi descriptiones earuni recentiorcs 
reperiunlur, nee non speciebus Musei Bleekeriani 
Bengalensibus, Japonieis, Capensibus Tasmanicisque . 
A. S. S. I. N. VI. 1859. p. I— XXXIV et p. 1—276. 

230. Vischsoorten en reptiliën van Bintang en Siak , 
verzameld door E.F. Meijer. N. T. N. I. XX. 
p. 86—88 (Febr. 1889). 

231. Vischsoorten van Siam, verzameld door Fr. de Cas- 
telnau. N. T. N.I. XX. p. 101— 102 (Maart. 1859). 

232. Vischsoorten van Badjoa , verzameld door B. 
Schreuders. N. T. N. I. XX. p. 129 (April 1859) . 

233. Visschsoorten van Badjoa, verzameld door E. Net- 
scher. N. ï. N. I. XX. p. 140—142 (3Iei. 1859). 

234. Tiental vischsoorten van de Kokos-eilanden, ver. 
zameld door A . J . Anderson . N . ï . N . I . XX . 
p. 142—143 (Mei. 1859). 






69 



255. Soorten van visschen van Badjoa , verzameld door 
E. Netscher. N. T. N. I. XX. p. 197-198 (Juli 
1859). 

256. Soorten van visschen ven Priaman, verzameld door 
H. Diepenhorst. N. T. N. I. XX p. 198—199 
(Juli. 1859). 

257. Zoelwatervisschen en reptiliën van Sintang, ver- 
zameld door A. H. ïhepas. N. T. N. I. XX. p. 
199-201 (Juli. 1859). 

258. Synanceia horrida BI. Scjm. en Opisthognathus 
Sonneratii Val. ' ? van Biliton, verzameld door den 
heer Kruymel. N. T. N. I. XX. p. 201—202 
(Juli. 1859). 

259. Soorten van visschen van de Kokos-eilanden, ver- 
zameld door A. J. Anderson. N. T. N. I. XX. 
p. 202. 

240. Vischsoorten van Karanghollong, verzameld door F . 
J. Schultze. N. T. N. I XX. p. 202—204 
(Juli. 1859). 

241. Vischsoorten van Ambpina, verzameld door D. S. 
Hoedt. N. T. N. I. XX. p. 204 (Juli 1859). 

242. Vischsoorten en reptiliën van Bali, verzameld door 
P. L van Bloemen Waanders. N. T. N. 1 XX. 
p. 205—208. 

245. Vischsoorten van Singapore, verzameld door Fr. 
Graaf de Castelnau. N. T. N. I XX. p. 216— 
217 (Aug. 1859). 

244. Visschen en reptiliën uit de omstreken van Tand- 
jong aan de Samangka-haai. N. T. N. I. XX. p. 
219—221 (Aug. 1859). 

245. Vischsoorten van Japan, verzameld te Desima , door 
Jkhr. J. L. C. Pompe van Meerdervoort. N. ï. N. 
I. XX. p. 254—256 (Aug. 1849). 

246. Nieuwe vischsoorten van Singapore , verzameld door 



70 

Fr. Graaf de Castelnau. N. T. N. I. XX. p. 236— 
239 (Aug. 1859). 

247. Slangen en visschen van Anjer en uil het meer 
Dano, verzameld door J. G. T. Bernelot Moeiss. 
N. T. N. I. XX. p. 240—241 (Aug. 1859). 

248. Visschen gevangen in de baai van Amboina en aan- 
geboden door 0. Mohnike. N. T. N. I. XX. p. 331— 
332 (Oct. 1859). 

249. Vischsoorten en reptiliën van Bonthain, verzameld 
door J. L. de Zeeger. N. ï. N. I. XX. p. 332 (Oct. 
1859). 

250. Over de plaatsing in het stelsel van de Lucioce- 
phaloïden. N. T. N. 1. XX. p. 395—397 (Nov. 1859). 

1860. 251. Hemiramphus Bullonis Val. en Mugil Vaigiensis 
Qg. van Batjan , verzameld door 0. J. F. U. Hu- 
guenin. N. T. IS. 1. XX. p. 417 (Dec. 1859). 

252. Conspectus systematis Cyprinorum. N. T. N. I. XX. 
p. 421—441 (Dec. 1859). 

253. Vijfde bijdrage tot de kennis der vischfauna van 
Timor. Vischsoorten van Atapoepoe. N. T. N. I. 
XX. p. 442—445 (Dec 1859). 

254. Derde bijdrage tot de kennis der vischfauna van 
Singapore. N. f N. I. XX. p. 444— 456 (Oct. 
1859) 

255. Over het natuurlijk stelsel der visschen. N. T.Ti. I. 
XX p 461—462 (Dec. 1859) 

256. Ichthyologiae Archipelagi indici prodromi Vol. II. 
Cyprini A. S. S. I. N VII. p. 1—482 et p. 
I— XIV. 

257. Elfde bijdrage tot de kennis der vischfauna van Amboi- 
na. A. S. S. I. N. VIII. p. 1—14 (Febr.— Sept. 1859). 

258. Achtste bijdrage tot de kennis der vischfauna van 
Sumatra. Visschen van Benkoelen, Priaman, Tand- 
jong, Palembang en Djambi. A. S. S. I. N. VIII. 
p. 1—88 (Febr.— Aug. 1859). 



71 



259. Zesde bijdrage tot de kennis der vischfauna van 
Japan A. S. S. I N. VIII. p. 1— 104 (Febr.— 
Oct. 1859j. 

260. Dertiende bijdrage tot de kennis der vischfauna van 
Borneo. A. S. S. I. N. VIII. p. 1—64 (Sept. 1859). 

261. Twaalfde bijdrage tot de kennis der vischfauna van 
Amboina. A. S. S. I. N. VIII. p. 1—4 (Mei. 1860). 

262. Negende bijdrage tot de kennis der vischfauna van 
Sumatra . Visschen uit de Lematang-Enim en van 
Benkoelen. A. S. S. I. N. VIII. p. 1—12 
(Febr.— Maart. 1860). 

263. Dertiende bijdrage tot de kennis der vischfauna van 
Celebes. Visschen van Bonthain, Badjoa, Sindjai, 
Lagoesi en Pompenoea. A. S. S. I. N. VIII. p. 
1—60 (Juni. 1860). 

264. Over eenige vischsoorten van de Kaap de Goede 
Hoop. N. T. N. I. XXI. p. 49-80. 

265. Tiende bijdrage tot de kennis der vischfauna van 
Banka. N. Tv N. I. XXI. p. 135— 142 (Nov. 1859). 

266. Zoetwatervisschen van Singapoera, verzameld door 
Fr. Graaf de Castelnau. N. T. N. I. XXI. p. 
334 (Febr. 1860). 

267. Over eenige vischsoorten van Benkoelen , verzameld 
door A . J . W . van Ophuysen . N . T . N . I . 
XXII. p. 65-66 )Maart. 1860). 

268. Vischsoorten gevangen bij Prigi, verzameld door 
C. G. C. Greiner. N. T. N I. XXII. p. 88— 89 
(April 1860). 

269. Vischsoorten van Nieuw-Guinea, verzameld door 
F G. Beckman. N. T. N. I. XXII. p. 98-100 
(Mei. 1860). 

270. Zoetwatervisschen van Gombong in zuidelijk Mid- 
den-Java , verzameld door P . Bruyn van Rozenburg . 
N. T. N. I. XXII. p. 100—101 (Mei. 1860). 

271. Vischsoorten, nieuw voor de kennis der fauna van 



n 

Singapoera , verzameld door Fr. Graaf de Gastelnau 
N. T. N. I. XXII. p. 101—102 (Mei. 1860). 

272. Elfde bijdrage lot de kennis der vischfauna van 
Banka. N. T. N. I. p. 107—108 (Mei. 1860). 

273. Derde bijdrage tot de kennis der ichthyologische 
fauna van Boero. N. T. N. I. XXII. p. 109—114. 
(April. 1860). 

274. Zesde bijdrage tot de kennis der vischfauna van 
Geram. N. ï. N. I. XXII. p. 228—258. (Juni. 1860). 

275. Vierde bijdrage tot de kennis der vischfauna van 
Bali. N. T. N. I. XXII, p. 259— 242. (Juni 1860). 

276. Tweede bijdrage tot de kennis der vischfauna van 
Bawean. N. T. N. I. XXII. p. 245— 246 (Juni. 1860). 

277. Zesde bijdrage tot de kennis der vischfauna vau 
Tiinor. N. T. N. I. XXII p. 247— 261. (Juli. 1860). 

1861. 278. Mededeeling omtrent vischsoorten , nieuw voor de 

kennis der fauna van Singapoera. Versl. KA. VV 
XII. p. 28—64. (Jan. 1861). 

279. Iets over de vischfauna van het eiland Pinang. 
Versl. K. A. W. XII. p. 65—82 (Jan. 1861). 

280. Iets over de geslachten der Scaroïden en hunne 
Indisch-archipelagische soorten. Versl. K. A. VV. 

XII. p. 228—244 (Juni. 1861). 

1862. 281. Gonspectus generum Labroideorum analyticus . Versl . 

K. A. W. XIII. p. 94—109. (Nov. 1861). 
282. Synonyma Labroideorum Indo-archipelagicorum 

hucusque observatorum revisa, adjectis specierum 

novarum descriptionibus . Versl. K. A. W. XIII. 

p. 274—308 (Nov. 1861). 
285. Sur quelques genres de la familie des Pleuronec- 

toïdes. Versl. K. A. W. XIII. p. 422—429 

(Febr. 1862). 
284, Neuvième article sur la faune ichthyologique de 1'ile 

de ïernate, Versl. KA. W XIV. p. 95—98 

(Dec. 1861). 



73 



285. Sixième mémok'e sur la faun e ichthyologique de 
1'ilc Baljan. Vers] . K. A. W. XIV. p. 99—107 
(Dee. 1861). 

286. Noliee sur lc genre Traehinus el ses espèecs. Versl 
K. A. W. XIV. p. 105-122 (Dee. 1861) en 
Ann. des seiences naturelles 4 C Série XVI Zool. 
p. 575—582. 

287. Notiees iehthyologiques. I— X. Versl. K. A. W. 
XIV. p. 125-141. 

288. Mémoire sur les poissons de la eóte de Guinee 
Verh. II. M. W verz. p. 1—152 (Jan. 1862). 

289. Atlas ichthyologique des Indes orientales néerlan- 
daises. Amsterdam, fol. vol. I. II. (1862). 
III (1865), IV (1864), V (1865), VI (1866— 
1872), VII (1875—1876), VIII (1876—1877), IX 
(1877— ). 

290. Sur quelques genres nouveaux du groupe des Doras. 
N. T. D. p. 10—18 (Maart. 1862). 

291. Sur quelques nouveaux genres du groupe des Sy- 
nodontis. N. T. D. p. 52 (April. 1862). 

292. Description de quelques espèces nouvelles de Silures 
de Suriname. Versl. K, A. W XIV. p. 371 — 
389. (Juni. 1862). 

295. Treizième mémoire sur la faune ichthyologique de 
1'ile d'Amboine. Versl. K. A. W. XV. p. 19— 
29, en N. T. 1). 1. p. 555. 

294. Systema Silurorum revisum. N. T. D I. p. 
77—122 (Mei. 1862). 

295. Description de trois espèces nouvelles de Silures de 
1'Inde archipélagique . Versl . K . A . W . XV . p . 
70—76; N. T. N. I. p. 568. 

296. Over eenige vischsoorten van het eiland Bangka, 
het Rijks Museum van natuurlijke historie te Leiden 
aangeboden door J.F. R . S . van den Bossche . 
N, T. D. I. p. 72— 75 (Febr. 1862). 



74 

297. Notice sur les genres Parasilurus , Eutropichthys , 
Pseudeutropius et Pseudopangarius . Versl. K. A. 
W. XIV. p. 390—399 (April. 1862). 

298. Notice sur les genres Tracheliopterichthys , Henii- 
cetopsis et Pseudocetopsis. Versl. K. A. W. XIV. p. 
400—403 (April. 1862). 

1863. 299. Beschrijving en afbeelding van eene nieuwe soort 
van Brama (Abramis) , uit de omstreken van Leiden. 
Versl. K. A. W. XV. p. 235—238 (Oct. 1862) en 
N. T. D. I. p. 371. 

300. Description d'une nouvelle espèce du genre Nema- 
cheilus. Versl. K. A. W. XV. p. 254— 256 (Nov. 
1862) en N. T. D. I. p. 380. 

301. Glyphidodon Westermanni, une nouvelle espèce 
Java. Versl. K. A. W. XV. p. 30—31 (Juli. 1862) 
N. T. D. I. p. 360. 

302. Sur les genres de la familie des Cobitioides. Versl 
K. A. W. XV. p. 32—45 (Sept. 1862); N. T 
D. I. p. 361 

303. Description de quelques espèces nouvelles de Cy-i 
prinoides de Ceylan. Versl. K. A. W. XV. p. 
239—253 (Dec. 1862); N. T. D. I. p. 378. 

304. Description de quelques espèces de poissons nou-j 
velles ou peu connues de Chine envoyées au Musée 
de Leide par M. G. Schlegel. N. T. D. I. p.j 
135—150 (Aug— Dec. 1862). 

505. Sur une nouvelle espèce de poisson du Japon ap- 
partenant a un nouveau genre. K. A. W. -XVI 
p. 257—260. 

506. Notice sur les noms de quelques genres de la familie 
des Cyprinoides. Versl. K A. W. XV. p. 261 J 
264; N. T. D. I. p. 160. 

307. Notice sur quelques poissons de File de Morotai. 
N. T. D. I. p. 160 (Jan. 1865). 



75 

508. Septième notice sur la faunc ichthyologique del'ile 
de Baljan. N. T. D I p. 151- 152 (Jan. 1863). 

309. Tróisième mémoire sur la faune ichthyologique de 
I'ile de Halmahera. N. T. Dip. 153—159 
(Jan. 1863). 

510. Dixième notice sur la faune ichthyologique de I'ile 
de Ternate. Versl K. A. W XV. p. 265— 
266; N. T D II p. 67. 

511. Sur une nouvelle espèce de Synaptura du Gap de 
Bonne espérance. Versl. K. A. W. XV. p. 456— 
459; N T D. II. p. 75 (Maart. 1863). 

512> Notices sur une collection de poissons de la Nou- 
velle Hollande faite a Port Jackson. Versl. K. A. 
W. XV. p. 442—451 (Maart. 1863) en N. T. D, 
II. p. 68. 

513. Sur deux nouvelles espèces de Citharichthys de 
Suriname et de Guatimala. Versl. K. A W. XV. 
p. 452—455 (April 1863), en N. T. D II. p. 75. 

514. Notice sur Ie genre Ichthyophis Less. et sur 
richlhyophis tigrinus et 1'Ichthyophis pantherinus 
de l^esson Versl. K. A. W. XV. p. 560—466 
(Mei 1865); en N. ï. I). II. p. 77. 

515. Notice sur deux espèces inédites du genre Aph- 
thalmichthys Kp. N T. D lp. 165—166. 
(Mei 1865). 

516. Sur quelques espèces nouvelles ou pen connues de 
Gymnothorax de Tlnde archipélagique N. T. D. 
1. p. 167—171 

517. Description de quelques espèces nouvelles ou peu 
connoes d'Ophisuroides de linde archipélagique. 
N. T. D. I. p. 167—171. (Juni 1865). 

318. Systema Gyprinoideorum revisum N. T. D. I. 
p. 186. 
864. 319. Notice sur la faune ichthyologique de Siam. Versl. 



76 



K. A. VV. XVI. p. 552-558; N. T. D II p 
96. (Juni 1865) 
320. Notice sur quelques poissons de 1'ile de Noussa- 
laut. Versl. K. A. W. XVI p. 564: N T. D. 
II. p. 198. (Juli 1865). 

521. Notice sur quelques poissons de 1'ile Tyrand-Kei. 
Versl. K. A. W. XVI p. 562; N. T. D II. 
p. 100. (Juli 1865). 

522. Deuxième notice sur la faune ichthyologique d 
File de Saparoua. Versl. K. A. W. XVI. p. 559 
N. T. D. II. p. 99. (Juli 1865). 

525. Description de quelques espèces de Cobitioides 
de Cyprinoides de Ceylan. Verh. H. M. W. (No 
1862). 

524. Notice sur la faune ichthyologique des iles Arou. 
Versl. K. A. VV. XVI. p. 566; N. T. ü. II. p. 101. 
(Aug. 1865). 

525. Description des espèces de Silures de Suriname 
conservées aux Musées de Leide et d'Amsterdam. 
Verh. H. M. W. (Juni 1862;. 

526. Deuxième notice sur la faune ichthyologique de 
1'ile de Flores. N. T. D. I. p. 248. (Aug. 1865;. 

527. Sur une nouvelle espèce d'Echidne de 1'ile de Kolti.l 
N. T. D. I. p. 246 (Sept. 1865). 

>28. Douxième notice sur la faune ichthyologïque de 
1'ile d'Obi.N. T. D. I. p. 259 (Sept. 1865). 

529. Septième mémoire sur la t'aune ichthyologique dej 
1'ile ïimor. N. T. D. I. p. 262 (Sept. 1865). 

550. Septième notice sur la 1'aune ichthyologiquc de 
1'ile de Céram. N. T. D. I.p. 255 (Sept. 1865). 

551. Onzième notice sur la faune ichthyologique de 1'ilej 
de Ternate. N. T. D. I. p. 228 (Sept. 1865).] 

552. Notice sur quelques poissons de 1'ile de Harouko.] 
N T. D. II. p. 65—64 (Oct. 1865). 



77 



333. Description de deux espèces inédites de Gnatbo- 
pogon et de Rasbora de 1'ile de Java N. T 1). 
II. p. 157—140 (Mei 1865). 

554. Syslema Muraenorum revisum. N. T. D. II. p. 
114—122 (Dec. 1865). 

535. Syuonyma Muraenorum indo-archipelagicoruni huc- 
usque observatorum revisa, adjeclis babitationibus 
citationibusque , ubi discripliones figuraeque eorum 
reeen tiores reperiunlur N. T. D. II. p. 125—156 
(Dec. 1865). 

556. Quatrième notice sur la faune ichthyologique de 1'ile 
de Bouro. N. T. D. II. p. 141—151. (Jan. 1864). 

557. Paralaubuca , un genre nouveau de Cyprinoides de 
Siam. N. T. D. II. p. 15—17 (Maart 1864). 

558. Poissons inédils indo-arcbipélagiques de 1'ordre des 
Murènes N. T. D. II. p. 58— 54 (Maart 1864). 

559. Rhinobagrus et Pelleobagrus , deux genres nou- 
veaux de Siluroïdes de Cbine . N . ï . D . Il p . 
7—10 (April 1864). 

540. Description de deux espèces inédites de Gobitioïdes. 
N. T. D. II. p. 11—14 (April. 1864). 

541. Notice sur quelques poissons de la baie deManille. 
N. T. D. II p. 50—52 (Mei 1864). 

542. Nouvelle notice sur la faune ichtbyologique de Siaiu. 
N. T. D. II. p. 55—57 (Mei. 1864). 

445. Notices sur quelques genres et espèces de Cypri- 
noides de Cbine. N. T. D. II. p 18—29 (Mei. 
1864). 

544. Notice sur les poissons envoyés de Cbine au Musée 
de Leide par M. G. Schlegel. N. T. D. II. p, 
55—62 (Mei. 1864). 

545. Notice sur Ie genre Paraploactis et description de 
son espèce type. N. T. D II. p. 168 (Juni. 1864). 

546. Notice sur Ie genre Apionicbthys Kp. (Soleotalpa 
Gïmtb.) N. T D II p. 506-308. 



78 

347. Sixième notice sur la faune iehthyologiquede Siam. 
N T. D. II. p. 171—176 (Aug. 1864) 

348. Enumération des espèces de poissons acluellement 
connues de File de Céram. N»> T. D. II p 182 — 
193 (Sept. 1864). 

349. Description de quelques espèces inédiles de poissons 
de 1' Archipel des Moluques. N. T. D. II. p. 
177—181 (Maart. 1864). 

350. Description de deux espèces inédites des genres 
Callechelys el Pisodonophus . N. T. D. II. p. 
213—216 (Aug. 1864). 

351. Description de quelques espèces de Murènes de 
Suriname. N. T. D. II. p. 233—249 (Juli. 1863). 

352. Description de quelques espèces de poissons du 
Japon, du Cap de bonne espérance et de Suriname, 
conservées au Musée de Leide. N. T. D. II. p. 
250—269 (Juli. 1863). 

354. Enumération des espèces de poissons actuellement 
connues de 1'ile d'Amboine. N. T. D. II. p. 270 — 2931 
1865. 355. Notice sur une nouvelle espèce de Xipliasia. VerslJ 
K. A. W. XVII. p. 193—197; N. T. D. II. p. 191 
^Aug. 1863).. 

356. Sur une espèce de Puntius a épine anale dentelée. 
Versl. K. A. W. XVII. p, 198— 202; N. T. ül 
II. p. 196 (Dec. 1863). 

357. Syslema Balistidorum , Ostracionidorum , Gymno- 
donlidorumque revisum. N. T. D. III. p. 8— 19 

358. Synonyma Balistidorum, Ostracionidorum. Gymno- 
dontidorumque Indo-archipelagicorum hiicusque ob* 
servatorum revisa, adjectis habitationibus citationU 
busque, ubi descriptiones figuraeque eorum recen- 
tiores reperiuntur. N. T D. 111. p. 20—40. 

359. Deuxième notice sur la faune ichlhyologique de 1'ile 
de Haiouko. iN. T. D. III. p, 41— 42 (Deo 1864). 

360. Description de quelques espèces inédiles des genres 



79 

Pseudorhombus el Plalophrys de 1'Inde archipéla- 
gique. N. T. D III p. 43-50 (Febr 1865). 
561. Description d'une espèce inédile de Triacanthus de 
1'Inde archipélagique. N T. D III. p. 51—52 
(Maarl. 1835) . 

362. Description d'une espèce inédite de Gheilinus de 
1'Inde archipélagique. N. T. Ü. III. p. 134— 
155 (Aug. 1864). 

363. Sur les espèces d'Exocetus de 1'Inde archipélagique. 
NT. D III. p. 110—129 (Juli. 1865). 

564. Description d'une espèce inédite d'Exocetus décou- 
verle par M. Francois Pollei*. N. ï. D. III* p. 
150—133 (Juli. 1865). 

365. Description du Narcacion Poileni, espèce inédite des 
mers de 1'ile de la Iléunion. N. T. D. III. p 
171—173 (Juli. 1865). 

366. Nolice sur Ie Cirrhites punctatus CV N. T. D 
III. p. 174—177 (Juli. 1865). 

567. Révision des espèces de Hemirhamphus de 1'Inde 
archipélagique. N. T. D. III. p. 156— 170 (Sept. 
1865). 

568. Description d'une espèce inédite de Holophorus de 
Suriname. N. T. D. III. p. 178- 180 (Ocl 1865). 

1866. 569. Révision des espèces de Mastacemhelus (Belone Cuv.) 

de 1'Inde archipélagique. N. T. D. III. p. 214- 
256 (Oct. 1865). 

570. Description de quelques espèces inédites ou peu 
connues de Clupéoides de 1'Inde arciiipélagique. N. 
T. D. III p. 292—308 (Nov.' 1865). 

571. Sur la pluralité des espèces Indo-archipélagiques 
du genre Megalops. N. T. D. III. p. 278—292 
(I)ec. 1865). 

1867. 572. Quatrième notice sur la faune ichthyologique de 

1'ile de Halmahéra. Arch. N. S. N. II. p. 397- 
399 (Oct. 1867). 



80 

575. Description et figure (Tune espèce inédite de Cros- 
sorhinus de Farchipel desMoluques. Arch. N. I. N. 

II. p. 400—402 (Oct. 1867). 

574. Description de quelques espèces nouvelles deGobius 

de Madagascar. Areh. N. I. N. II. p 405—420 

(Nov. 1866). 

1868. 575. Description de deux espèces inédites de Choerops. 

Arch. N. S. N. III. p. 275—276 (Oct. 1866). 

576. Description d'une espère de Rhombotides de File 
de la Réunion. Arch. N. S. N. III. p. 277— 
278 (Juni. 1866). 

577. Description et figure d'une nouvelle espèce de Tra- 
chypterus de File d'Amboine. Arch. N. S. N. 

III. p. 279—280 (Oct. 1867). 

578. Notice sur la faune ichthyologique de Güébé . Versl. 
K. A. W 2eRks. II. p. 271— 272 (Oct 1867). 

579. Douzième notice sur la faune ichthyologique de 
File de Ternate. Versl. K. A W. 2e Rks. II 
p. 275—274 (Oct. 1867). 

580. Troisième notice sur la faune ichthyologique de File 
d'Obi. Versl. K. A. W. 2e Rks. II. p. 275 
(Oct. 1867). 

581. Huitième notice sur la faune ichthyologique de File 
de Ratjan. Versl. K A. W 2e Rks. II. p. 
276—277 (Oct. 1867). 

582. Description de deux espèces nouvelles de Blcnnioï- 
des de FInde archipélagique . Versl . K . A . W . 
2e Rks. II. p. 278—279 (Sept. 1867). 

585. Troisième notice sur la faune ichthyologique de 

la Nouvelle-Guinée. Versl. K. A. W. 2e Rks II 

p. 281—282 (1868). 
584. Cinquième notice sur la faune ichthyologique de 

File de Sotar, Versl. K. A. W. 2e Rks. II. p 

285—288 (Oct. 1867). 
385. Sixième notice sur h fnune ichthyologique de File 



81 

de Bintang. Versl. K. A. W. 2e Rks. II. p. 
289—294 (Oct. 1867). 
586. Notice sur la faiuie ichthyologique de 1'ile de Wai- 
giou. Versl. K. A. W. 2e Rks. II. p. 295— 
301 (Oct. 1867). 

387. Deuxièrae notice sur la faune ichthyologique des 
iles Sangir. Versl. K. A. W. 2e Rks. II. p. 
302—304 (Oct. 1867). 

388. Deuxième notice sur la faune ichthyologique des 
ïles Arou. Versl. K. A. W. 2e Rks. II. p. 
305—306 (Oct. 1867). 

389. Description de trois espèces inédites de Chromidoï- 
des de Madagascar. Versl. K. A. W. 2e Rks. 

II. p. 307—314 (Nov. 1866). 

390. Description de trois espèces inédites de poissons 
des ïles d'Amboine et de Waigiou. Versl. K. A. 
W. 2e Rks. II. p. 331—335 (Nov. 1867). 

391. Description de deux espèces inédites d'Epinephelus 
rapportées de 1'ile de la Réunion par MM. Pollen 
et van Dam. Versl. K. A. W. 2e Rks. II. p. 
336—341 (Febr. 1866). 

392. Sur les espèces confondues sous Ie nom de Geny- 
oroge hengalensis Günlh. Versl. K. A. W. 2e Rks. 

III. p. 64—77 (Juni. 1865). 

393. Description d'une espèce inédite de Caesio de File 

de Nossibé. Versl. KA. W. 2 e Rks. III. p. 
78—79 (Juli 1866). 

394. Description d'une espèce inédite de Chaetopterus 

de 1'ile d'Amboine. Versl. K. A. W. 2 e Rks. III. 
p. 80—85 (Juni 1866). 
1869. 395. Description d'une espèce inédite de Glyphidodon 
de 1'ile de la Réunion. Versl. K. A. W. 2 tó Rks. 
III. p. 230—252 (Mei 1866). 
396. Description de deux espèces inédites d'Alticus de 

G 



82 

Madagascar . Versl. K . A W. 2 e Rks. III. p. 234— 
236 (Mei 1866). 

397. Neuvième notice sur la faune ichthyologique du 
Japon. Versl K. A W. 2 e l\ks. III p. 237—252 
(Dec. 1867). 

398. Descriplion et figure d'une espèce inédite de Pla- 
tycéphale. Versl. K. A. W. 2 e Rks. III. p. 
253—254 (Dec. 1867; 

1870. 399. Deseription el figure d'une espèce inédite de 

Rhynchobdella de Chine. Versl. K A W 2 e Rks. 
IV. p 249—250. 

400. Mededeeling omtrent eenige nieuwe vischsoorten 
van China. Versl. K. A. W. 2 e Rks. IV p, 
251—252. 

401. Deseription d'uue espèce inédite de Rotia de Chine 
et figures du Rotia elongata et du Rotia modes ta 
Versl K A W. 2 8 Rks. IV. p 254— 256 (Nov 
1869). 

402. Deseription et figure d'une espèce inédite de He- 
mibagrus de Chine. Versl. K A W. 2e Rks. 
IV. p. 257—258 (Nov. 1869) 

403. Deseription de quelques espèces inédites de Xeno- 
cypris. N. f. D. IV. p. 62-69 (1869;. 

404. Descriplion de Irois espèces inédites du genie 
Acanthorhodeus Rlkr. N. T. D IV. p. 70—76 
(Oct. 1869). 

405. Sur les espèces du genre Culter Bas., N. T 1) 
IV. p. 77—88 (1869). 

1871. 406. Notice sur Ie Synodus macrocephalus Lac. (Luci- 

obrama typus Blkr). N. T. D IV. p 87— 9i 
(Febr. 1871; 
407. Descriplion de quelques espèces de poissons 
1'ile de la Réunion et de Madagascar, N. T. D 
IV. 92-105 1866). 



83 

408. Nolice sur les Grammistes pnnctatus el ocellatus. 

N. ï. D. IV. p. 106-110 (Aug. 1865). 

409. Descriplion d'une espéce inédite de Heliases d'Am- 
boine. N. T. D. IV. p. 111—112. 

410. Description de deux espèces inédites de Labroïdes 
d'Amboine. Arcb. N. S. N. VI. p. 526-328 (1870). 

411. Mémoire sur les Üyprinoïdes de Chine. Verli. K. 
A. W. XII. p. 1—91 (Nov. 1869). 

1872. 412. Mémoire sur la faune ichthyologique de Chine. N. 

N. T. D. IV. p. 113—154 (Aug. 1871). 

413. Nolice sur les peintures chinoises de Üyprinoïdes 
déposées au Muséum de l'université de Groningue 
par M.— J. Senn van Basel. Versl. K. A. W. 2 e Rks. 

VI. p. 117—121 (Juli 1871). 

414. Révision des espéces indo-arcbipélagiques du groupe 
des Anlhianini. N. T. D. IV. p. 155—169. 

415. Kévision des espéces indo-archipélagiques du groupe 
des Priacanlhini. N. T. D. IV. p. 170—177 
(Febr. 1871). 

416. Révision des espèces indo-archipélagiques du genre 
Myriprislis. N. T. D. IV. p. 178—197 ;Oct.l871). 

417. Révision des espèces indo-archipélagiques du genre 
Holocenlrum. N. T. D. IV. 198—232 (Sept. 1871). 

418. Addilion au Mémoire sur la faune ichthyologique 
de Chine. N. ï. D. IV. p. 233—234 (April 1872). 

419. Sur les espéces iudo-archipélagiques d'Odoncanthias 
et de Pseudopriacanthus. N. T. D. IV. p. 235—240. 

420. Sur Ie genre Moronopsis Gill (Paradules Blkr) et 
ses espèces indu-archiqélagiques. Arch. N. S. N 

VII. p. 573—380 (April 1872). 

1873. 421. Descriplion et figure du Cichla temensis Humb. 

Versl. K. A. W. 2e Rks. VII. p. 32— 34 (Aug. 1872). 
422. Troisième nolice sur la faune ichthyologique des 
iles Arou. Versl. K. A. W. 2e Rks. VII. p. 35-- 
39 (Jan. 1872). 



84 



423. Mededeelingen omtrent eene herziening der indisch- 
archipelagische soorten van Epinephelus , Lutjanus, 
Dentex en verwante geslachten. Versl. K. A. VV. 
2e Rks. VII. p. 40—46 (Sept. 1872). 

424. Description et figure d'une espèce insulindienne 
d'Orthagoriscus. Versl. K. A. W. 2e Rks. VIL p. 
151— 153 (Sept. 1872). 

425. Révision des espèces insulindiennes des genres Diap- 
terus et Pentaprion. Versl. K. A. W. 2e Rks. VII. 
p. 233—255 (Dec. 1872). 

426. Révision des espèces indo-archipélagiques des genres 
Plectorhynchus et Pristipoma. N. T. D. IV. p. 274— 
317 (Nov. 1872). 

427. Révision des espèces indo-archipélagiques du genre 
Lethrinus. N. T. D. IV. p. 318—344 (Aug. 1872). 

428. Sur les espèces de Scolopsis Cv. de 1'Inde archipé- 
lagique. N. T. D. IV. p. 345—371 (Juni. 1872). 

429. Révision des espèces insulindiennes du genre The- 
rapon. N. T. D. IV. p. 372—393 (Juni. 1872). 

430. Révision des espèces indo-archipélagiques dugroupe 
des Epinephelini et de quelques genres voisins. 
Verh. K. A. W. XIV. (Aug. 1872). 

431. Révision des espèces de Dentex, Synagris, Gym- 
nocranius, Gnathodentex et Pentapus de Pinde ar- 
chipélagique et du Japon. Verh. K. A. W. XIII. 
(Juli. 1872). 

432. Révision des espèces indo-archipélagiques des genrc 
Lutjanus et Aprion. Verh. K. A. W. XIII. (Au{ 
1872). 

435. Sur Ie genre Parapristipoma et sur Pidenlité s| 
cifique des Perca trilineata Thunh. , Pristipoma j; 
ponicum Cv. et Diagramma japonicum Blkr. Arcl 
N. S. N. VIII. p. 15—24 (Mei. 1872). 

434. Description et figure du Lethrinus jGuntheri Blki 
Arch. N. S. N. VIII. p. 153—154 (Sept. 1872). 



85 



435. Révision des espèces Indo-archipélagiques du genre 
Caesio et de quelques genres voisins. Arch. N. S. 
N. VIII p. 155—182 (Nov. 1872). 

436. Description de deux espèces nouvelles de Sciénoïdes 
des de Surinam. Arch. N. S. N. VIII p. 456—461 
(Juli 1873). 

437. Description d'une espèce inédite de Gadus (Boreo- 
gadus) des mers d'Islande. Arch. N. S. N. VIII p. 
462—463 (Oct. 1875). 

1874. 458. Sur les espèces insulindiennes de la familie des Nan- 

doïdes. Arch. N. S. N. IX p. 455—465 (Sept. 1873). 

459. Sur les espèces insulindiennes de la familie des 

Opisthognathoïdes. Arch. N. S. N. IX p. 466-475 

(Dec. 1873). 

440. Recherches sur la faune de Madagascar et de ses 
dépendances d'après les découvertes de Francois P. 
L. Pollen et D. C. van Dam. 4e Partie. Poissons 
de Madagascar et de 1'ile de la Réunion. Leide 
1874. 8°. Hierin tevens: Enumération des espèces 
de poissons actuellement connues de Madagascar et 
des iles Mascarènes et Seychelles. 

441. Révision des espèces indo-archipélagiques du groupc 
des Apogonini. Verh. H. M. W. 5e verz, II. p. 1— 
81 (Jan. 1875). 

442. Révision des espèces d'Ambassis et de Parambassis 
de 1'Inde archipélagique. Verh. H. M. W. 5e verz. 
II. p. 1—25 (Maart 1875). 

445. Révision des espèces insulindiennes de la familie 
des Synanceioïdes. .Verh.^ff. M. W. 5e verz. II. p. 
1—21 (Nov. 1875). 

444. Mémoire sur les Sciénoïdes et les Sillaginoïdes de 
linde archipélagique. Verh. K. A. W. XIV (Sept. 
1873). 

445. Sur les espèces insulindiennes de la familie des 
Cirrhitéoïdes. Verh. K. A. W. XV. (Maart 1875). 



86 

446. Révision des espèces insulindiennes de la familie 
des Mulloïdes. Verh. K. A. W. XV (Mei 1873). 

447. Mededeeling omtrent den sland der uitgave van den 
Atlas ichthyologique des Indes orientales néerlan- 
daises. Versl. K. A. W. 2e Rks. VIII p. 123—126. 

448. Typi nonnulli generici piscium neglecti. Versl. K. 
A. W. 2e Rks. VIII p. 367—371 (Juni 1874). 

449. Notice sur les genres Amblyeleotris Valenciennesia 
et Brachyeleotris. Versl. K. A. W. 2e Rks. VIII 
p. 372—376 (Oct. 1874). 

450. Esquisse d'un système naturel des Gobioïdes. Arch. 
N. S. N. IX p. 289—351 (Mei 1874). 

1875. 451. Notice sur les Eleotriformes et description de trois 
espèces nouvelles. Arch. N. S. N. X. p. 101— 
112 (Nov. 1874). 

452. Gobioideorum species insulindicae novae. Arch. N. 
S. N. X p. 113—134 (Dec. 1874). 

453. Description du genre Parascorpis et de son espèce 
type. Arch. N. S. N. X. p. 380—582 (Jan. 1875). 

454. Notice sur 1'Elopichthys dahuricus. P. Z. S. 1875 
p. 534-536 (Juni 1875). 

455. Sur la familie des Pseudochromidoïdes et révision 
de ses espèces insulindiennes. Verh. K. A. W. 
XV (Nov. 1875). 

456. Description de quelques espèces insulindiennes iné- 
dites des genres Oxyurichthys, Paroxyurichthys et 
Cryptocentrus . Versl. K. A. W. 2e Rks. IX p 
138—148 (Maart 1875). 

457. Notice sur -tes genres Gymnocaesio, Pterocaesio, 
Paracaesio et Liocaesio. Versl. K. A. W. 2e Rks 
IX p. 149—154 (April 1875). 

458. Sur la pluralité des espèces insulindiennes de Toxol 
Versl. K. A. W. 2e Rks. IX p. 155— 167 (Mei 1875). 

1876. 459. Révision des Sicydiini et Latrunculini de rinsulinde. 
Versl. K. A. W. 2e Rks. IX p. 271—293 (Febr. 1875). 



87 

460. Genera familiae Scorpaenoideorum conspectus ana? 
lyticus. Versl. KA. W. "2e Rks. IX p 294— 
500 (Dec. 1873). 

461. Notice sur les genres et sur les espèces des Ché- 
todontoïdes de la sousfamille des Taurichthyiformes. 
Versl. K A. W. 2e Rks. X p. 308— 312 (Jan. 
1876). 

462. Mémoire sur les espèces insulindiennes de la familie 
des Scorpénoïdes . Verh. K. A. W. XVI (Dec. 1873). 

463. Notice sur Ie genre Chaetodon Aut. (Pemacanthus 
Lac . Cuv . ) et sur la pluralité de ses espèces vivan- 
tes. Arch. N. S. N. XI p. 178— 185 (Febr. 1876). 

464. Systema Percarum revisum. Arch. N. S. N. XI 
p. 247—340 (Dec. 1875). 

465. Description de quelques espèces inédites de Poma- 
centroïdes de 1'Inde archipélagique. Versl. K. A. 
W. 2e Rks. X p. 384—403 (Dec. 1876). 

466. Sur les espèces confondues sous les noms de Chry- 
sophrys hasla, herda, Calamara et Schlegeli. Versl. 
K. A. W. 2e Rks. XI p. 1—12 (Sepl, 1875). 

467. Révision des espèces insulindiennes de la sousfa- 
mille des Eleotriformes . Versl . K A . W . 2e Rks . 
XI p. 13—110 (Jan. 1875). 

1877. 468. Notice sur 1'identité des genres Gnathanacanthus 
Blkr. et Holoxenus Günth. Versl. K. A W. 2e 
Rks. XI p. 132—134 (Mei 1876). 

469. Description de deux espèces inédites du genre Pro- 
chilus Klein (Amphiprion BI. Schn.) Versl. KA. 
W. 2e Rks. XI p. 135—137 (Juni 1876). 

470. Notice sur la sousfamille des Holacanthiformes et 
description de quelques espèces insuffisamment con- 
nues. Arch. N. S. N. XII p. 17—36 (Febr. 1876). 

471. Nolice sar les espèces nominales de Pomacentroïdes 
de Pinde archipélagique. Arch. N. S. N. XII p. 
58—45 (Nov. 1876). 



88 

472. Révision des espèces de Pempheris de Pinde archi 
pélagique. *Arch. N. S. N. XII p. 44—54 (Mei 1876) 

475. Révision des espèces insulindiennes de la familie 
des Chétodontoïdes. Verh. K. A. W. XVII (Dec 
1875— Jan. 1876). 

474. Mémoire sur les Ghromides marins ou Pomacen 
troïdes de 1'Inde archipélagique . Verh. H. M. W 
3 e verz. II. p. 1—166 (Oct.— Dec. 1876). 
1878. 475. Révision des espèces insulindiennes du genre Ura 
noscopus L. Versl. K. A. W. 2 e Rks. XIII p 
47—59 (Febr. 1877). 

476. Notice sur Ie Sparus Cuvieri (Chrysophrys Guvieri 
Day). Versl. K. A. W 2 e Rks. XIII p. 43, 

477. Révision des espèces insulindiennes du genre Pla- 
tycephalus. Verh. K. A. W. XIX. 

478. Sur deux espèces inédites de Cichloïdes de Mada- 
gascar. Versl. K. A. W. 2 e Rks. XII 192—198. 

479. Musei Hamburgensis species piscium novas minus- 
que cognitas descripsit et depingi curavit P. 
Bleeker. Pisces novae-guinaici novi. 

480. Over nieuwe vischsoorten van Nieuw-Guinea. Versl. 
K. A. W. Proc.-Verb. 27 Oct. 1877. 

481. Over slokdarm en maag van Caprodon Schlegeli 
etc. Versl. K. A. W. Proc.-Verb. 24Nov. 1877. 

482. Description des espèces insulindiennes du genre Stig- 
matogobius. Versl. K. A. W. 2 e Rks. XII p. 199. 

485. Quatrième mémoire sur la faune ichthyologique de 
la Nouvelle Guinee. Arch. N. S. N. 

484. Mémoire sur les Poissons a pharyngiens labyrinthifor- 
mes de Tlnde archipélagique . Verh. K. A. W. XIX. 

485. Contribution a la faune ichthyologique de Tik 
Maurine. Verb. K. A. W. XX. 

486. Enumération des espèces de poissons actuellement 
connues du Japon et description de trois espèces 
inédites. K. A. W. XX. 



89 



487. Sur les espèces du genre Hypophthalmichthys Blkr 
(Cephalus Basil. nee BI. nee al.) Versl. K. A. 
W. 2* Rks. XII. p. 209—218. 

488. Énumération des espèces de poissons actuellement 
connues de Singapore . 

489. Sur quelques espèces inédites ou peu connues de 
Poissons de Chine appartenant au Muséum de Ham- 
bourg. Versl. K. A. W. XIII. Nov.— Dec. 1877. 

490. Révision des espèces insulindieinies de la familie 
des Callionymoïdes Versl. K. A. W. 2 e Rks. XIII. 



REGISTER DER GESCHRIFTEN NAAR DE 
VINDPLAATSEN. 



Agam . 
No. 188. 

Amboina . 

No. 58, 62, 71, 
87, 100, 124, 149, 
159, 165, 166, 
189, 241, 248, 
257, 261, 295, 
354, 377, 390, 
394, 409, 410. 

Anjer. 

No. 97, 192,220, 
247. 

Aroe . 

No. 324, 588, 422. 

Atapoepoe . 

No. 222, 253. 

Badjoa . 

No. 232, 233, 235, 
263. 



Bali. 
No. 12, 155,223, 
242, 275. 

Banda . 
No. 213. 

Banda-cilanden . 
No. 35, 43, 64, 
92, 112, 143,213. 

Banda-Neira . 
No. 55, 64 

Bandjermassing . 
No. 59, 117,155. 

Banjoewangi. • 
No. 194. 

Ban ka. 

No. 29, 60, 66, 
78, 85, 119, 146, 
154, 206, 225, 
265, 272, 296. 



Bantam 
No. 107. 

Barito. 
No. 158. 

Batavia. 

No. 1, 2, 5, 4, 
9, 59, 81, 94, 182. 

Batjan . 

No. 109, 131,137, 
144, 171, 199,251, 
285, 308, 581. 

Batoe-eilanden . 
No 121,127,155, 

Bawean . 

No. 224, 276. 

Bengalen . 
No. 75. 

Benkoelen . 

No. 200, 202, 205, 
210,258,262, 267. 



184, 208, 238. 


344, 399, 


400 


Binlang. 


401, 402, 


405 


No. 158, 230, 385. 


404, 405, 


406 


Boero . 


411, 412, 


413 


No. 145, 167, 273, 


418, 454, 


489 


336. 


Dano. 




Bonthain . 


No. 247. 




No. 249, 265. 


Desima . 




Borneo . 


No. 245. 





91 

Biliton. China. Haroeko. 

No. 37, 56, 168, No. 304, 359, 545, No. 532, 359. 

indostan. 
No. 75. 
dische-archipel (in 

het algemeen. 
No. 24, 25,27,51. 
54, 55, 52, 55, 68, 
70, 76, 77, 116, 
175,229,256,280, 
282,289,295,517, 
No. 25, 50, 52, Diemensland (van). 555,558,558,360, 
38, 41, 45, 59, No. 114, 469. 561,562,565,367, 

88, 117, 135, 158, Djambi. 369, 370, 371,582, 

164, 177, 195, No. 209, 258. 414,415,416,417, 
196, 198, 221, Duizend-eilanden. 419,420,425,424, 
257, 260. No. 122. 425,426,427,428, 

Braboekarta . Flores . 429, 450, 451, 452, 

Ne. 59. No. 96, 526. 455,458,459,441, 

Buitenzorg . Gilolo. 442, 445, 444, 445, 

No. 194. No. 82, 91, 128. 446,452,456,458, 

Celebes . Gombong . 459, 462, 465, 467, 

No. 8,42,67,84, No. 270. 471,472,475,474, 

106, 111, 125, Goram-archipel. 475,477,484. 

155, 150, 162, No. 185. Japan. 

165, 178, 215, Guatamala. No. 69, 74, 99, 
252, 255, 25S, No. 515. 115,161,179,219, 
249, 265. Guebe. 245,259,305,352, 

Ceram. No. 578. 597,451,455,486. 

No. 58, 65, 86, Guinea. Java. 

147, 156, 274, No. 286, 288. No. 1, 2, 5, 4, 5, 

550, 548. Halmaheira. 6, 9, 15, 26, 28, 

Ceylon. No. 82, 91, 128, 59, 75, 80,81,90, 

No. 300, 305, 525. 509. 572. 94, 97, 101, 107, 



92 



110, 134, 142, 
169, 173, 174, 
181, 186, 190, 
192, 194, 204, 
213, 214, 217, 
219, 220, 226, 
240, 247, 268, 
270, 301, 333. 

Kaap de goede Hoop. 
No. 264, 311,352. 

Kahajan . 
No. 158. 

Kapoeas . 
No. 158. 

Karang-bollong . 
No. 240. 

Kei -eilanden . 
No. 321. 

Koetei . 
No. 198. 

Kokos-eilanden . 
No. 102, 108,118, 
126, 187, 197, 
205, 234, 259. 

Kommering . 
No. 218. 

Laboeha . 
No. 144. 

Lagoesi . 
No. 265. 

Lahat . 
No. 152. 

Leiden . 
No. 299. 



Lematang-Enim . 

No. 262. 
Lingga . 

No. 195 
Madagascar . 

No. 574, 589, 396, 

407, 440, 478. 
Madura . 

No. 15. 
Makassar. 

No. 150, 165. 
Malang . 

No. 142. 
Malayo-moluksche- 
archipel . 

No. 11. 
Manilla . 

No. 541. 
Mauritius . 

No. 485. 
Meeuwenbaai. 

No. 90, 101. 
Menado. 

No. 150, 178,215. 
Moessi. 

No. 218. 
Moluksche-archipel. 

No. 58, 157,549, 

575. 
Montrado. 

No. 196. 
Morotai. 

No. 507. 
Muntok. 

No. 206. 



Natoena-eilanden. 

No. 1Ö5. 
Ngawi. 

No. 217- 
Nias. 

No. 152. 
Nieuw-Guinea. 

No. 228, 269, 385, 

480, 485. 
Nieuw-Holland. 

No. 512. 
Noessa-laut. 

No. 520. 
Nossibe. 

No. 595. 
Obi. 

No. 156, 528,580. 
Padang. 

No. 160, 218. 
Palembang . 

No. 160, 176,209, 

216, 258. 
Pamangkat . 

No. 59. 
Pengaron . 

No. 88. 
Pinang . 

No. 279. 
Pompenoea . 

No. 265. 
Pontianak . 

No. 88, 155. 
Preanger-regent- 
schappen . 

No. 80. 



93 



Priaman 

No. 160,201, 215 

236, 258. 
Prigi . 

No. 174, 268. 
Réunion . 

No. 365, 37ö,391, 

395, 407,440. 
Riouw . 

No. 46, 195. 
Rotti . 

No. 327. 
Saleh . 

No 218. 
Samangka-baai. 

No. 244. 
Sarnbas . 

No. 88. 
Sampit . 

No. 59. 
Sangi- eilanden. 

No. 170, 387. 
Saparoea. 

No. 141, 322. 
Serayoe . 

No. 204. 
Siak. 

No. 230. 
Siam . 

No. 231, 319, 337, 

342, 347. 
Sibogha . 

No. 132, 160. 
Sin dj ai. 

No. 263. 



Singapore. 

No. 55, 185,243, 
246, 254, 266, 
271, 278, 488. 

Sinkawang . 
No. 164, 177, 195. 

Sintang. 
No. 237 

Soenda-moluksche- 
archipel . 
No. 10,14,16,17, 
18, 19 20, 21, 22, 
40, 47, 48, 49, 50, 
51, 54. 

Solombo . 
No. 140. 

Solor. 
No. 44, 61, 83, 
98, 384. 

Sumatra . 

No. 65, 73, 79, 
89, 103, 125, 152, 
160, 176, 188, 
200, 201, 202, 
205, 209, 210, 
215, 216, 218, 
250, 236, 244, 
258, 262, 267. 

Sumbawa . 

No. 7, 129, 227. 

Suriname . 

No. 292, 313, 325, 
351, 352, 368, 
436. 



Tanara . 

No. 214. 
Ternate. 

No. 72, 82, 93, 

120,130,159,151, 

284,510,551,579. 
Tikoe. 

No. 125, 188. 
Timor . 

No. 57, 95, '172, 

222,255,277,529. 
Tjilatjap. 

No. 190. 
Toboli . 

No. 154. 
Troessan . 

No. 160. 
Wonosobo . 

No. 215: 
Waigioe . 

No. 586, 590. 
IJsland . 

No. 457. 
Zuid-Amerika . 

No. 290, 421. 



94 

REGISTER DER GESCHRIFTEN NAAK DE 
FAMILIËN. 



Acanlhuroidei . 

No. 376. 
Anguilloidei . 

No. 70. 
Balisteoidei. 

No. 52, 357,358, 
Berycoidei. 

No. 11, 416,417, 
Blennioidei . 

No. 10, 31, 355, 

382, 396. 
Bogodoidei . 

No. 11, 442. 
Callionymoidei . 

No. 10, 25, 477. 
Carangoidei . 

No. 34, 40, 48. 
Carcharioidei . 

No. 53, 140. 
Chacoidei . 

No. 175, 191, 294. 
Chaetodontoidei . 

No. 18, 40, 182, 

461,463,470,473. 
Cbauliodontoidei . 

No. 36. 
Chironecteoidei . 

No. 90, 119. 
Cichloidei . 

No. 389, 421, 478. 



Girrhiteoidei . 
No. 366, 445. 

Glupeoidei . 
No. 36, 51, 54, 
368, 370. 

Cobitioidei . 

No. 212, 252, 300, 
302, 323, 340, 
401. 

Congroidei . 

No. 70, 77, 334, 
335. 

Gyprinoidei . 

No. 252, 299 305, 
305,306,323,333, 
337,341,356,405, 
404,405,406,411, 
413,454,487. 

Echeneoidei. 
No. 51. 

Equuloidei '. 
No. 34. 

Gadoidei . 
No. 437. 

Gobiodei . 

No. 10, 31, 80, 
101,374,449,450, 
451,452,456,459, 
467, 482. 



Gymnothoracoidei. 

No. 70, 77, 314, 

316, 327, 334, 335, 

358,351. 
Heterobranchoidei . 

No. 175, 191, 293, 

294. 
Homalopteroidci . 

No. 73, 252. 
Labroidei . 
No. 9, 39, 280, 

281,282,562,575, 

410. 
Larapridoidei . 

No. 54. 
Licbioidei . 

No. 54. 
Loricariodei . 

No. 191, 295,294. 
Luciocephaloidei . 

No. 250, 486 
Mugiloidei . 

No. 211, 251. 
Mullodei. 

No. 11, 447 
Myliobatidoidei . 

No. 55. 
Nandoidei . 

No. 458. 



95 



Notopleroidei . 
No. 56, 51, 68 

Ophidioidei. 

No. 33, 51, 104, 
115 

Ophiocephaloidei . 
No. 20, 486. 

Opliisuroidei. 

No. 70, 201, 317, 
334,355,338,350, 
551. 

Opislhognalhoidei. 
No. 238, 459. 

Orthagoriscoidei . 
No. 424. 

Osphromenoidei. 
No. 20, 484. 

Ostracionoidei . 
No. 52, 554, 357, 
558. 

Pegasoidei. 
No. 76. 

Pempberidoidei . 
No. 18, 475. 

Percoidei . 

No. 11, 17, 19,40, 
95, 98, 591, 592, 
595,594,408,414, 
415,419,420,425, 
425,426,427,428, 
429,430,451,452, 
455,455,441,455, 
457,464,466,481. 

Platycephaloidei. 
No. 14, 398,477. 



Platypteroidei 

No. 10. 
Pleuronecteoidei . 

No. 55, 50, 285, 

511, 515, 560. 
Polynematoidei . 

No. 11. 
Pomacenlroidei. 

No. 4, 6, 501, 395, 

409,465,469,471, 

474. 
Pristidoidei . 

No. 55. 
Pseudocbromidoidei . 

No. 455. 
Pseudoclupeoideï. 

No. 56, 51, 371 
Ptyobranchoidei . 

No. 77, 315,534, 

555. 
Rhinobatidoidei . 

No. 55. 
Rhynchobdelloidei . 

No. 22, 599. 
Sauridoidei. 

No. 51. 
Scaroidei . 

No. 9, 280. 
Sciaenoidei . 

No. 16, 40, 456, 

444. 
Scomberoidei . 

No. 54, 40, 48. 
Scombresocioidei . 

No. 24, 48,77,251, 



563, 564, 567, 369. 
Scorpaenoidei . 

No. 14,24,40,345, 

460, 462, 468. 
Scyllioidei . 

No. 55, 575. 
Serioloidei . 

No. 54, 54. 
Sillaginoidei. 

No. 11, 444. 
Siluroidei . 

No. 1,2,3,5, 175, 

191, 290, 291, 

292, 294, 295, 

298, 525, 559, 

402. 
Soleuostoniatoidei . 

No. 76. 
Soleoidei . 

No. 55, 346. 
Spbyraenoidei . 

No. 11, 116. 
Synaiiceioidei . 

No. 14, 258, 445. 
Synbrancboidei . 

No. 70, 354, 335. 
Syngnathoidei . 

No. 76, 97. 
Tetraodontoidei . 

No. 27, 47, 357, 

558. 
Teulhioidei. 

No. 21. 
Torpedinoidei . 

No. 365. 



96 



Toxoteoidei . 

No. 18, 458. 
Trachichlhyoidei 

No. 207. 
Trachinoidei . 

No. 286. 
Trachypteroidei . 

No. 377. 



Triacanthoidei . Trygonoidei . 

No. 52, 357, 358, No. 53. 

361 . Uranoscopoidei 

Tiïchiuroidei . No. 476. 

No. 34. 
Trigloidei . 

No. 112. 



VERSCHEIDENHEDEN EN SYSTEMATIEK. 

No. 104, 113, 148, 180, 191, 207, 211, 212, 229,250, 
252, 255, 281, 283, 287, 289, 290, 291, 294, 297, 298, 
300, 302, 306, 315, 316, 319, 334, 340, 345, 346, 350, 
354, 355, 357, 364, 366, 375, 392, 408, 425, 447, 448, 
449, 450, 453, 457, 460, 461, 463, 464, 466, 468, 470. 



CATALOGUS 



VAN 



VAN 



P. BLEEKER, 

GEPUBLICEERD IN 

1. Natuur- eu Geneeskundig Archief voor Nederlandseh Indië. 
1844—1848. 

2. Verhandelingen van het Bataviaasch Genootschap van 
Kunsten en Wetenschappen. Dl. 21—26. 

5. Journal of the Indian Archipelago and Eastern Asia. 
1848—1849. 

4. Nova Acta Academiae Caesareae Leopoldino-Carolinae Na- 

-turae Curiosorum XXIV. 
;i. Natuurkundig Tijdschrift voor Nederlandseh Indië. Dl. 

I— XXII 1850—1860. 

6. Verhandelingen der Koninklijke Natuurkundige Vereeni- 
ging in Nederlandsen Indië. Dl. I— VIII. 1856—1860. 

7. Verslagen en Mededeelingen der Koninklijke Akademie van 
Wetenschappen. Ie Rks. XII— XVII. 2e Rks. II — XIII 

8. Verhandelingen der Koninklijke Akademie van Welen- 
schappen . I — XIX . 

9. Natuurkundige Verhandelingen van de Hollandsrhe Maat- 
schappij der Wetenschappen. 1862 — 1874. 

7 



98 

10. Archives Néerlandaises des sciences exacles ei, naturelle: 
publiés par la Sociélë Hollandaise des Sciences a Harlem 
II— XII 

11. Nederlandseh Tijdschrift voor de Dierkunde. I — IV. 

12. Proceedings of the Zoolpgical Society of London. 
15. Annales des Sciences naturelles. 



Natuur- en Geneeskundig Archief voor Neêrlandsch Fndië. 
Batavia. 8°. Dl. I— IV. 1844-1848. 

Bijdragen tot de Geneeskundige topographie van Batavia. I. 

1844. Fauna en derzelver producten . Visschen p. 551—553 ; 
II. 1845. p. 505—528. Overgedrukt in Tijdschrift voor 
Neêrlandsch ïndië. 

Overzigt der Siluroïden welke te Batavia voorkomen. III 

1845. p. 135—184. 

Siluroideorum bataviensium species nuperrime detectae. III 

p. 284—293. 
Pharyngognathoruin Siluroideorumque species novae javanenses. 

IV 1846. p. 155—169 



Verhandelingen v.m hel Bataviaasch Genootschap van Kunsten 
en Wetenschappen Batavia 4°. 

Siluroideorum bataviensium conspectus diagnosticus. XXI. 

1846—1847. 8°. p. 1—60. 
Labroideorum clenoideorum bataviensium diagnoses et adum- 

brationes. XXI. p. 1— "5. 
Nieuwe bijdrage tot de kennis der Siluroïden van Java. XXI. 

p. 1—12. 
Overzigt der te Batavia voorkomende Gladscbubbige Labroïden , 

met beschrijving van 11 nieuwe species. XXII. 1849. 4°. 

p. 1—64 (1847), 



99 

Bijdrage lol de kennis der Percoïden van den Malayo-Moluk- 
schen archipel , mei beschrijving van 22 nieuwe soorlen . 

XXII. p. 1—64 (Sepl. 1848). 

Bijdrage lol de kennis der Scleroparei van den Soenda Mol uk - 
schen archipel. XXII p 1—10 (Fehr. 1849) 

Bijdrage tot de kennis der Blennioïden en Gobioulen van den 
Soenda-Molukschen archipel . met beschrijving van 42 nieuwe 
soorten. XXII. p. 1—40 (Aug. 1848), 

Bijdrage lot de kennis der ichthyologische fauna van het eiland 
Bali, met beschrijving van eenige nieuwe species. XXII. 
p. 1—11 (Nov. 1848). ' 

Bijdrage tot de kennis der ichlhyologische fauna van het eiland 
Madura, met beschrijving van eenige nieuwe soorten. XXII. 
p. 1—16 (Dec. 1848). 

Bijdrage lot de kennis der Sciaenoïden van den Soenda-Moluk- 
schen archipel , met beschrijving van 7 nieuwe soorten . 

XXIII. 1850. p. 1—31 (Aug. 1849). 

Bijdrage tot de kennis der Sparoïden van den Soenda-Moluk- 
schen archipel. XXIII. p. 1—16 (Dec. 1849). 

Bijdrage tot de kennis der Maenoïden van den Soeda-Moluk- 
schen archipel. XXIII. p. 1—13 (Jan. 1850) 

Bijdrage tot de kennis der visschen met Doolhofvormige kieu- 
wen van den Soenda-Molukschen archipel. XXIII. p. 1—15 
(Febr. 1850) 

Bijdrage tot de kennis der Chaetodontoïden van den Soenda- 
Molukschen archipel. XXIII. p. 1—31 (Dec. 1849). 

Bijdrage tot de kennis der Teuthiden van den Soenda-Moluk- 
schen archipel. XXIII. p. 1—13 (Maart 1850). 
! Bijdrage tot de kennis der Nolacanlhini van den Soenda-Moluk- 
schen archipel. XXIII. p. i— 6 (Maart 1850) 

Bijdrage tot de kennis der ichlhyologische fauna van Midden- 
en Oost-Java, met beschrijving van eenige nieuwe species. 
XXIII. p. 1-23 (Febr. 1849). 

Bijdrage tol de kennis der Makreelachtige visschen van den 



10U 

Soenda-Molukschen archipel. XXIV. 1852. p. 1—95 (Ocl. 
1850, Aanhangsels Dec. 1850, Maart 1852). 

Bijdrage tot de kennis der Snoekachtige vissclien van den 
Soenda-Molukschen archipel. XXIV. p. 1—28 (November 
1850. Aanhangsel Maart 1852). 

Rijdrage tot de kennis der Chiroeentroidei, Lntodeiri , Butirini , 
Elopes , Notopteri , Salmones , Echeneoidei en Ophidini van den 
Soenda-Molukschen arehipel. XXIV. p. 1—52 (Jan. 1851). 

Bijdrage lot de kennis der Haringachtige vissclien van den 
Soenda-Molukschen archipel. XXIV. p. 1—52 (Dec. 1851, 
Aanhangsel Mei 1852). 

Bijdrage tot de kennis der Pleuronecteoïden van den Soenda- 
Molukschen archipel. XXIV. p. 1—52 (Dec. 1850, Aan- 
hangsels Jan. 1851, Maart 1852). 

Bijdrage tot de kennis der Blootkakige vissclien van den Soenda- 
Molukschen archipel. XXIV. p. 1—26 (Aug. 1850. Aan- 
hangsel Maart 1852). 

Bijdrage tol de kennis der Balistini en Ostraciones van den 
Indischen archipel. XXIV. p. 1 — 58 (Mei 1851, Aanhangsel 
November 1851). 

Bijdrage tot de kennis der Plagioslomen van den Indischen 
archipel. XXIV. p. 1—92 (Juni 1851, Aanhangsel 1852). 

Bijdrage tot de kennis der Muraenoïden eu Symbranchoïden 
van den Indischen archipel. XXV. 1855, p. 1 — 76 (Sept. 
1852, Aanhangsel Sept.— Dec. 1853; . 

Bijdrage tot de kennis der Troskieuwige vissclien van den In- 
dischen archipel. XXV. p. 1 — 50 (Augustus 1855). 

Nalezingen op de ichthyologie van Japan. XXV. p. 1—56 
(Jan. 1855). 

Nalezingen op de ichthyologische fauna van Bengalen en Hin- 
dostan. XXV. p. 1—166 (Juni— Sept. 1853, Aanhangsel 
Maart 1854; . 

Nieuwe nalezingen op de ichthyologie van Japan. XXVI. 1857, 
p. 1—132 (Jan— Febr. 1854). 



101 

Bijdrage lot de kennis der Sphyraenoïden van den Indischen 
archipel. XXVI. p. 1—22 (Sept. 1854). 

Index speciemm piscium in voluminibus XXI — XXVI Aclorum 
Societaiis Artium et Scientiarum bataviensis descriptarum, 
adjeclis citationibus nbi descriptiones Bleekerianae reeen tiores 
emendataeque reperiunter. XXVI. p. 1 — 24. 



Journal of the Indian Archipelago and Eastern Asia. 
Singapore 8°. 

A Contribution to the iehlhyology of Sumbawa. 11. 1848. p. 

632—640. 
A Contribution lo the knowledge of the ichthyological fauna 

of Celebes. III. 1849. p. 65—74. 



Nova Acta Academice Ccesarece Lcopoldino-Carolintv 
Naturce Curiosorum. 

Over eenige nieuwe soorten van Notopterus van den Indischen 
archipel. Dl. XXIV. p. 1. 1854. bl. 49—62. 



Natuurkundig Tijdschrift voor Nederlandschlndië uitgegeven 

door de Natuurkundige Vereeniging in Nederlandsch 

Indië . Batavia . 8° . 

Bijdrage tot de kennis der ichthyologïsche fauna van Borneo, 

niet beschrijving van 16 nieuwe soorten van zoetwatervis- 

schen. I. 1851. p. 1—16 (Maart 1850). 
Over eenige nieuwe soorten van Scleroparei vau den Indischen 

archipel. I.'.p. 17—27 (Augustus 1850). 
Over twee nieuwe soorten van Callionymus van den Indischen 

archipel. I.p. 28—52 (Augustus 1850). 
Over eenige nieuwe soorten Van Belone en Hemirhamphus van 

Java. I. p. 95—95. 



102 

Over drie nieuwe soorten van Tetraödon van den Indischen 
archipel. Lp. 96—97. 

Faunae ichthyologicae Javae insularumque adjacentium genera 
et species novae. I. p. 98 — 108. 

Visschen van Banka. I.p. 159—161 (October 1850). 

Visschen van Borneo. I. p 161 — 162. 

Over eenige nieuwe soorten van Blennioiden en Gobioïden van 
den Indischen archipel. I.p. 236—258 (November 1850). 

Nieuwe bijdrage tot de kennis der ichthyologische fauna van 
Borneo, met beschrijving van eenige nieuwe soorten van 
zoetwatervisschen. lp. 259—275 (Nov. 1850). 

Oxybeles Brandesii, eene nieuwe soort van Ophidini van 
Banda-Neira. I. p. 276—278. 

Over eenige nieuwe geslachten en soorten van Makreelaehlige 
visschen van den Indischen archipel. I. p. 541 — 572. 

Over eenige nieuwe soorten van Pleuronecteoïden van den 
Indischen archipel. I. p. 401 — 416. 

Over eenige nieuwe soorten van Megalops , Dussumieria , No- 
topterus en Astronesthes . I. p. 417 — 424. 

Visschen van Billiton. I. p. 478—479 (Februari 1851). 

Visschen van Straat Malakka, Prince- of Wales Island en 
Singapore. 1. p. 480-481 (Nota;. 

Derde bijdrage tot de kennis der ichthyologische fauna van 
Borneo, met beschrijving van eenige nieuwe soorten zoet- 
watervisschen. II. 1851. p. 52-70 (Febr. 1851). 

Cheilinoides een nieuw geslacht van Gladschubbige Labroïdcn 
van Batavia. II. p. 71-72 (Maart 1851). 

Nieuwe bijdrage lot de kennis der Pereoidei, Sclei oparei, 
Sciaenoidei, Sparoidei, Maenoidei, Chaelodontoidei en Scom- 
beroidei van den Soenda-Molukschenarohipel. II. p. 165 — 179. 

Vierde bijdrage tot de kennis der ichthyologische fauna van 
Borneo, met beschrijving van eenige nieuwe soorten van 
zoetwatervisschen. II. p. 195—208 (Mei 1851). 

Nieuwe bijdrage tot de kennis der ichthyologische fauna van 
Celebes. II. p. 209—224 (Mei 1851) 



Ï03 

Bijdrage tol de kennis der ichthyologische fauna van de Banda- 
eilanden. II. p. 225—261 (Mei 1851). 

Visschen van Solor. H. p. 347—348 (Juni 1851; 

Groole Kaalkop (Lates nobilis Cv.), II. p. 348-349. 

Vijfde bijdrage tot de kennis der ichthyologische fauna van 
Borneo, met beschrijving van eenige nieuwe soorten van 
zoetwatervisschen. II. p. 415 — 442 (Augustus 1851). 

Bijdrage tot de kennis der ichthyologische fauna van Riouw. 

II. p. 469—497 (Oct. 1851). 

Bijdrage tot de kennis der ichthyologische fauna van Singa- 
pore. III. 1852. p. 51—86 (December 1851) 

Bijdrage tot de kennis der ichthyologische fauna van Blitong 
(Billiton) , met beschrijving van eenige nieuwe soorten van 
zoetwatervisschen. III. p. 87—100 (Dec. 1851). 

Bijdrage tot de kennis der ichthyologische fauna van Timor. 

III. p. 159—174 (Jan. 1852). 

Bijdrage tot de kennis der ichthyologische fauna van de Mo- 

luksche eilanden. Visschen van Amboina en Ceram. III. 

p. 229—309 (April 1852). 
Zesde bijdrage tot de kennis der ichthyologische fauna van 

Borneo . Visschen vau Pamangkal , Bandjermasin , Praboe- 

karta en Sampit. III. p. 407—442 (Juni 1852). 
Bijdrage tot dé kennis der ichthyologische fauna van het eiland 

Banka. III. p 443—460 (Juni 1852). 
Visschen van Solor. III. p. 490. 
Nieuwe bijdrage tot de kennis der ichthyologische fauna van 

Amboina. III. p. 545—568 (Aug. 1852). 
Diagnostische beschrijvingen van nieuwe of weinig bekende 

vischsoorlen van Sumatra, Tiental I— IV. III. p. 569—608 

(Mei 1852), V— X IV p 243—302 (Febr. 1855) 
Nieuwe visschen van Banda Neira III. p. 643—646 (Sept. 1852). 
Nieuwe bijdrage tot de kennis der ichthyologische fauna van 

Ceram. III. p. 689—714 (Sept. 1852). 
Nieuwe bijdrage tot de kennis der ichthyologische fauna van 

Banka III. p. 715—738 (Oct. 1852). 



104 

Derde bijdrage tot de kennis der ichthyologïsche fdima van 
Celebes. III. p. 759—782 (Sept. Oct. 1852). 

Derde bijdrage tot de kennis der ichthyologische fauna van 
Amboina. IV. 1855. p. 91—150 (Dec. 1852). 

Bijdrage tot de kennis der ichthyologische fauna van Ternate. 

IV. p. 151—140 (Ocl. 1852). 

Over eenige nieuwe soorten van Homaloptera v. Hass. (Bali- 
tora Gr..) van Java en Sumatra IV. p. 155—164 Decem- 
ber 1852). 

Exocoetus hexazona, eene nieuwe soort van Banka. IV. p. 
206—207 (Febr. 1855). 

Sicydium Parvei , Blkr, eene nieuwe soort van de Preanger 
regentschappen, IV. p. 426—427 (Juni 1855) 

Diagnostische beschrijvingen van nieuwe of weinig bekende 
vischsoorten van Batavia. Tiental I — VI. IV p. 451 — 516 
(Jan. — Aug 1855). 

Nieuwe bijdrage tot de kennis der ichthyologische fauna van 
Ternate en Halmaheira (Gilolo). IV. p. 595—610 (Augus- 
tus 1855) 

Bijdrage tot de kennis der ichthyologische fauna vauSolor. V. 
1855. p. 67—96 (Febr. 1855). 

Vierde bijdrage tot de kennis der ichthyologische fauna van 
Celebes. V. p. 155—174 (Juli 1855). 

Nalezingen op de ichthyologische fauna van het eiland Banka 

V. p. 175—194 (Juli— Sept 1855). 

Derde bijdrage tot de kennis der ichthyologische fauna van 

Ceram. V. p. 255—248 (Juli 1855). 
Vierde bijdrage tot de kennis der ichthyologische fauna van 

Amboina. V. p. 517—552 (Maart— Aug. 1855). 
Zevende bijdrage tot de kennis der ichthyologische fauna van 

Borneo, zoetwatervisschen van Sambas, Pontianak en Pau- 

garon. V. p. 427—462 (Jan— Aug. 1855). 
Nieuwe tientallen diagnostische beschrijvingen van nieuwe ol 

weinig bekende vischsoorten van Sumatra V. p. 495 — 55' 

(Oct— Dec. 1855). 



105 

Antennarius notophthalmus , eene nieuwe soort van de Meeu- 

wenbaai. V. p. 545—545 (Dec. 1855). 
Bijdrage tot de kennis der ichthyologische fauna van llahna- 

heira (Gilolo). VI. 1854. p. 49-62 (Nov. 1855). 
Derde bijdrage tot de kennis der ichthyologische fauna van dö 

Banda-eilanden . VI. p. 89—114 (Dec. 1855). 
Uiagramma haematochir, eene nieuwe soort van Ternale VI 

p. 175—176 (Maart 1854). 
Specierum piscium bataviensium novae vel minus cognitac. 

VI. p. 191—202 (Jan. 1854). 
Nieuwe bijdrage tot de jkennis der ichthyologische fauna van 

Timor. VI. p. 205— 214 (Febr. 1854) 
Bijdrage tot de kennis der ichthyologische fauna van bel eiland 

Flores. VI. p. 511—558 (Maart 1854). 
Syngnathus tapeiuosoma , eene nieuwe zeenaald van Anjer. VI. 

p. 575—576 (Jan. 1854j. 
Diagramma polytaenioides , eene nieuwe soort van Solor. VI. 

p. 5"6— 578 (April 1854). 
Faunae ichtbyologicae japonicae species novae . VI p 595 — 

426 (Jan.— Febr. 1854). 
Vijfde bijdrage tot de kennis der ichthyologische fauna van 

Amboina. VI. p. 455—508 (Mei 1854). 
Verslag van vischverzamelingen van Oelakan, de Lematang-Enim 

rivieren, de Kokos-eilanden en van Amboina. VI. p. 517 — 

519 (Juni 1854). 
Verzameling viscbsoorten van Padang van M. Th. Reiche. VI. 

p. 550 (Juni 1854). 
Eleotris Tolsoni, eene nieuwe soort van Java's westhoek nabij 

de Meeuwenbaai. VI. p. 542—545 (Juni 1854). 
lUjdrage tot de kennis der ichthyologische fauna van de Kokos- 
eilanden. VII. 1854. p. 57—48 (Juni 1854). 
Dverzigt der icblliyologische fauna van Suinatra, met bijschrij- 
ving van eenige nieuwe soorten . VU. p. 49 — 108 (Jan. — 

Juni 1854). 



106 

Over vischsoorten van Hobarttowii , verzameld door Goetzee 

VIL p. 121-126 (Aug. 1854). 
Over tanden van Aelobalis narinari MH. van Tjilenteuruin 

VIL p. 131 (Aug. 1854) 
Over vischsoorten van Batjan en Makassar , verzameld door 

Jkhr. C. F. Goldmann en J. G. van Oven. VIL p. 133—155 

(Aug. 1854). 
Iets over visschen levende in zeesterren , en over eene nieuwe 

soort van Oxybeles. VIL p. 162—165 (Aug. 1854 
Vissehen van de Natoena-eilandcn. VIL p. 165 — 164 (Aug. 1854). 
Over vischsoorten verzameld te Menado, door G. W. F. Mogk. 

VIL p. 219—220 (Oct. 1854) 
Vijfde bijdrage lot de kennis der ichthyologische fauna van 

Gelebes. VIL pi 225—260 (Maart— Sept. 1854). 
Ichthyologische waarnemingen gedaan op verschillende reizen 

in de residentie Bantam. VIL p. 509—526 (Sept. 1854). 
Over den bouw der schubben bij de Indische Sphyraenen. VIL 

p. 529. 
Over eenige nieuwe visschen van de Kokos-eilanden. VII. p 

553—558 iOct. 1854). 
Bijdrage tot de kennis der ichthyologische fauna van Batjan. 

VII. p. 559—578 (Sept. 1854). 
Specierum piscium javanensium novarum vel minus roguila- 

rum diagnoses adumbratae. VIL p 415—448 (Juni— Oct. 

1854). 
Zesde bijdrage tot de kennis der ichthyologische fauna van 

Celebes. VII. p. 449-452 (Nov. 1854). 
Zoetwalervisschen van Tjibilioeng en Perdana VII p. 468— 

469 (Nov 1854). 
Visschen van de rivier van Bandjermasin , verzameld dooi 1 (] 

Helfrich. VIL p. 470 (Nov. 1854). 
Vischsoorten vau Ternatc. verzameld door G. F. Goldmams 

VI. p. 474—475 (Nov, 1854). 
Vischsoorten van Pasoeroean, het meer van Gratz, van Am- 

barawa, Garoet en Patjitan, VIL p. 482—484. 



107 

Daclylopterus cheirophthalmus . van de Banda-eilanden. VN. p. 

494-495 (Oct. 1854) 
Nog iets over visschen levende in Ecliinodermen. Vil. pj 495 — 

496 (Dec. 1854). 
Achtste bijdrage lot de kennis der ichthyologisehe fauna van 

Borneo. Zoelwatervisschen van Bandjermasin. VIII. 1855 p. 

151—168 (Nov. 1854). 
Derde bijdrage tot de kennis der ichthyologisehe fauna van de 

Kokos-eilanden. VIII. p. 169—180 (Dec. 1854). 
Antennarius Lindgreeni, eene nieuwe soort van Banka. VIII 

p. 192—195 
Vijfde bijdrage tot de kennis der ichthyologisehe fauna van 

Ternate. VIII. p. 295—504 (Dec. 1854). 
Bijdrage tot de kennis der ichthyologisehe fauna van deBatoe- 

eilanden. VIII. p. 505—528 (Maart 1855). 
Visschen van de Duizend-eilanden. VIII. p. 544 (Maart 1855). 
Visschen van Tikoe, Sumatra's Westkust. VIII. p. 545 (Maart 

1855). 
Zesde bijdrage tot de kennis der iclithyologische fauna van 

Amboina. VIII. p. 591—454 (Maart 1855). 
Zevende bijdrage tot de kennis der ichthyologisehe fauna van 

Celebes. VIII. p. 455—444 (April 1855). 
Vierde bijdrage tot de kennis der ichthyologisehe fauna van 

de Kokos-eilanden. VIII. p. 445—460 (April 1855). 
Tweede bijdrage tot de kennis der ichthyologisehe fauna van 

de Baloe-eilanden. IX. 1855. p. 65-72 (April 1855). 
Tweede bijdrage tot de kennis der ichthyologisehe fauna van 

Hahuaheira (Gilolo). IX. p. 105—112 (April 1855). 
Nieuwe bijdrage tot de kennis der ichthyologisehe fauna van 

Sumbawa. IX. p. 115—115 (April 1855). 
Verslag van verzamelingen vischsoorten van de Batoe-eilandcn , 

van Amboina en van Tikoe. IX. p. 140—141 (Maart 1855). 
Over eenige nieuwe visschen van Ternate. IX. p. 155 (April 

1855). 



108 

Tweede bijdrage tot de kennis der ichthyologische fauna van 

Batjan, zoetwatervisschen IX. p. 191—202 (Mei 1855). 
Nalezingen op de vischfauna van Sumatra, visschen van Lahat 

en Sibogha. IX. p. 257—280 (Juni 1855). 
Achtste bijdrage tot de kennis der ichthyologische fauna van 

Celebes. IX. p. 281—314 (Juni 1855). 
Vischverzamelingen van Sumatra en Celebes. IX. p. 325—524 

(Juni 1855). 
Vischsoorten gevangen in de Kalimas bij Soerabaya. IX. p. 328. 
Verslag van eenige verzamelingen van visschen van Oost- Ja va. 

IX. p. 591—414 (Juni, Juli 1855). 
Negende bijdrage tol de kennis der ichthyologische fauna van 

Borneo. Zoetwatervisschen van Pontianak en Bandjennasin . 

IX. p 415—450 (Juli 1855) 
Bijdrage tot de kennis der ichthyologische fauna van het eiland 

Groot-Obi. IX p 431—458 (Juli 1855). 
Derde bijdrage tot de kennis der ichthyologische fauna van 

Batjan. IX. p. 491—504 (Augustus 1855). 
Tweede bijdrage tot de kennis der ichthyologische fauna van 

het eiland Bintang. X. 1856. p. 544—556 (Nov. Dec. 1855). 
Zevende bijdrage tot de kennis der ichthyologische fauna van 

Ternate. X. p. 557—586 (Nov. 1855). 
Carcharias (Prionodon) amblyrhynchus , eene nieuwe haaisoort, 

gevangen nabij het eiland Solombo. X. p. 467—468 (Nov, 

1855). 
Visschen van Saparoea. X. p. 469 (Nov. 1855). 
Index specierum piscium in Voluminibus. I — X. Diarii Societatis 

Scientiarum Indo-Batavae descriptarum X. p. 472 — 500. 
Verslag omtrent eenige vischsoorten gevangen aan de Zuidkust 

van Malang in Oost-Java. XI. 1856. p. 81—92 (Dec. 1855) 
Vijfde bijdrage tot de keirnfé der ichthyologische fauna van d 

Banda-eilanden. XI. p. 93—110 (Maart 1856). 
Visschen waargenomen te Laboeha , eiland Batjan. XI. p. 255 

.254 (Nov. 1855). 



109 

Bijdrage lot de kennis der iplitl\y,olQgische fauna van hel eiland 

Boeroe. XI p. 585—414 (Mei 1856). 
Verslag van eeuige verzamelingen van zee- en zoelwalervis- 

schen van het eiland Banka . XI. p. 415—420 f.luni 181iü 
Viselisoorlen , nieuw voor de kennis der fauna van het eiland 

Ceram XI. p. 486—487 (Juni 1856) 
Achtste bijdrage tot de kennis der ichthyologische fauna van 

Ternate. XII. 1856—1857. p. 191—210 (Juli. 1856). 
Bijdrage tot de kennis der ichthyologische fauna van het eiland 

Nias. XII. p. 211—228 (Juni 1856). 
Derde bijdrage tot de kennis der ichthyologische fauna van de 

Ba toe-eilanden. XII p. 229—242 (Juni 1856). 
Berigt omtrent eenige vischsoorten van Tohoali, eiland Bali, 

XII. p. 275—275 (Aug, 1856) 
Nieuwe hijdrage tot de kennis der ichthyologische fauna van 

Bali. XII. p. 291—502 (Sept. 1856). 
Mededeeling omtrent den Ikan lika (Bagarius Buchanani Blkr). 

XII. p. 498 (Jan. 1857). 

Berigt omtrent eenige vischsoorten, nieuw voor de kennis der 

fauna van het eiland Ceram. XII. p. 508 (Dec. 1856). 
Tweede hijdrage tot de kennis der ichthyologische fauna van 

Boero. XIII. 1857. p. 55—82 (Dec. 1856). 
Vischsoorten uit het meer van Pandjalloe, Java. XIII. 1857, 

p. 255—256. 
Over eenige vischsoorten, nieuw voor de kennis der fauna van 

Biliton. XIII. p. 285—287 (Maart 1857). 
Dcscriptiones specierum piscium javanensium novarum vel minus 

cognilarum diagnosticae . XIII. p. 525—568 (Jan. 1866— 

April 1867). 
Bijdrage tot de kennis der ichthyologische fauna van de S;,ngi 

eilanden. XIII. p. 569—580 (April 1867). 
Verslag van eene nieuwe verzameling visschen van Batjan . 

XIII. p. 581— 586 (April 1857) 

Verslag omtrent eenige vischsoorten van Timor-kocpang en 
Timor-delhi. XIII. p. 587—590 (April 1857). 



IK) 

Vischsoorten van Fort de Koek en Tikoe XIII. p. 443-444 

(Mei 1857). 
Over eenige vischverzamelingen van verschillende gedeelten van 

Java. XIII. p. 475—480 (April 1857) 
Berigt omtrent visschen van Riouw en Culcita discoidea met 

Oxybeles Brandesii. XIV. 1857. p. 189 
Periophthalmus Seblosseri Cv. uit de rivier van Siak XIV 

p. 190. 
Vischsoorten uit de rivier Tjilarum bij Tjikao XIV. p. 200— 

201 
Qver eenige vischsoorten gevangen bij Prigi aan Java's zuid- 
kust. XIV. p. 244—246 (Juli 1857). 
Index descriptionum specierum pisciuni Bleekerianarum in 

Voluminibus I ad XIV Diarii Soeietatis Seientiarum Indo- 

Batavia. XIV. p. 447—486. 
Visschen van Java's zuidkust XV 1858 p. 159— 162 (l)ec. 

1857). 
Holacanlhus pseudannularis, eene nieuwe soort van Batavia. XV. 

p. 169—171 (Nov. 1857). 
Bijdrage tot de kennis der vischfauna van den Goram-archipel. 

XV. p. 197—218 (Nov. 1857). 
Vierde bijdrage tot de kennis der vischfauna van Bililon. XV. 

p. 219—240 (Dec. 1857). 
Tweede bijdrage tot de kennis der vischfauna van Singapore 

XV. p. 241—254 (Jan. 1858). 
Enumeratio specierum piscium javanensium hucusque cognita- 

rum. XV. p. 359—456 (Jan. 1858). 
Vijfde bijdrage lot de kennis der ichthyologische fauna van de 

Kokos-eilanden. XV. p. 475—468 (Juni 1858). 
Vischsoorten uit de zee bij Tikoe. XVI. 1858—1859. p. 26 

(Oct. 1857). 
Berigt over eene verzameling vischsoorten van Amboina. XVI. 

p. 28-30 (Oct. 1857). 
Vischsoorten van Tjilatjap. XVI. p. 37 (Oct. 1857). 
Vischsoorten van Sinkawang. XVI. p. 38 (Oct. 1857). 



111 

Verdeeling der Siluren. XVI. p. 58-41 (Oei. 1857). 
Vischsoorlen van Anjer en Biouw. XVI. p. 45 (Oct; 1857). 
Vischsnorlen van Banjoewangie en Buiten zorg. XVI. p. 47 — 

48 (Oct. 1857). 
Verslag omtrent visehsoorten van Sinkawang. XVI. p. 195 — 

196 (Maart 1858). 
Vischsoorlen van de Kokos-eilanden. XVI. p. 205—206 (April 

1858). 
Herig t omtrent visehsoorten van Baljan. XVI. p. 208—210 

(April 1858). 
Zoetwalervisschen van Benkoelen. XVI. p. 210—211 (April 

1858). 
Over Tindjan Kassik (Sphagehranehns polyophihalmns). XVI 1 

p. 211—212 (April 1858). 
Zeevisschen van Benkoelen. XVI. p. 259 (Juni 1858). 
Visehsoorten van de Kokos-eilanden. XVI. p. 240 (Juni 1858). 
Visehsoorten uit de Serayoe. XVI. p. 241 (Juni 1858). 
Vischsoorlen gevangen hij Benkoelen. XVI. p. 245 — 244 (Juni 

1858J. 
Vischsoorlen gevangen bij Muntok. XVI. p. 252 (Juni 1858). 
Nog iets over het geslacht Helerophthaluuis Blkr. XVI. p, 

255—255 (Juni 1858). 
Vischsoorlen van Palemhang en Djambi. XVI. p. 265—266 

(Juli 1858). 
Verslag eener verzameling visehsoorten van Benkoelen. XVI 

p. 275—275 (Juli 1858). 
Conspectus specierum Mugilis Arehipelagi indici analyticus. XYÏ. 

p. 275—280 (Juli 1858). 
Over de geslachten der Gohitinen. XVI. p. 502-504(Aug. 1858). 
Vischsoorlen gevangen hij Tanara. XVI. p. 517—518 (Aug. 

1358). 
Zee- en zoetwatervisschen van Priaman. XVI. p 556—558 

(Oct. 1858). 
Over eene verzameling vischsoorlen van Palemhang. XVI. p. 

538-540 (Oct. 1858). 



11-2 

Zoelwalervisschen uit de omstreken van Ngawi. XVI. p. 3;>7 
358 (Nov. 1858). 

Vischsoorten uit de rivieren Moessi , Saleh , Padang en Kóm- 
mering. XVI. p. -384—388 (Dec. 1858). 

Vischsoorten gevangen bij Japara. XVI. p. 406 — 409 (Jan. 
1859). 

Vischsoorten van Anjer XVI. p. 424 — 425 (Jan. 1859). 

Verslag van eene verzameling Reptilien en Visscben van Wes- 
telijk Borneo. XVI. p. 433—441 (Jan. 1859). 

Vierde bijdrage tot de kennis der ichthyologische fauna van 
Timor. Visschen van Alapoepoe XVII. 1858—1859 p. 
129—140 (Juli 1858). 

Derde bijdrage tot de kennis der ichthyologische fauna van 
Bali. XVII. p. 141—175 (Juni 1858). 

Bijdrage tot de kennis der vischfauna van Bawcan. XVIII 
1859. p. 351—358 (Jan. 1859). 

Negende bijdrage tot de kennis der vischfauna van Banka. 

XVIII. p. 359—378 (Febr. 1859). 
Over eenige vischsoorten van de Zuidkust wa teren van Java. 

XIX. 1859. p. 328—352 (Maart 1859) 
Derde bijdrage tot de kennis der vischfauna van Sumbawa* 

XIX. p, 434—440 (Juli 1859). 
Over de vischfauna van Siam. XX. 1859-1860 p. 101 102 

(Maart 1859). 
Vischsoorten van de kust van Boni. XX. p. 129 (April 1859) 
Vischsoorten van Badjoa. XX. p. 140—142 (Mei 1859). 
Tiental vischsoorten van de Kokos-eilanden. XX. p. 142—143 

(Mei 1859). 
Ikan Menga van Tjikadjang (Sicydium cynocephalus Cv.). XX, 

p. 156 (Mei 1859). 
Verzameling vischsoorten van Badjoa. XX. p. 197—198 (Juli 

1859) . 
Verzameling vischsoorten van Priaman. XX. p. 198—199 Juli 

1859). 
Zoetwatervisschen van Sintang. XX. p. 199—200 (Juli 1859). 



1 1 :» 

Twee vischsoorten van Biliton. XX. p. 201 (Juli 1859). 
Eenige vischsoorten van de Kokos-eilanden. XX. p. 202 (Juli 

1859). 
Vischsoorten van Karangbollong ;. XX. p. 202— 204 (Juli 1859). 
Berigt omtrent eenige vischsoorten van Amboina. XX. p. 204 

(Juli 1859). 
Vischsoorten van Bali-boleling . XX. p. 205—208 (Juli 1859). 
Over vischsoorten van Singapore. XX. p. 216 — 217 (Aug. 

1859). 
Visschen uit de omstreken van Tandjong aan de Samangka- 

haai. XX. p. 219—220 (Aug. 1859). 
Vischsoorten van Desima . XX. p. 234—236 (Aug. 1859). 
Afbeeldingen van vischsoorten van Singapore door den graai 

Fr. de Castelnau. XX. p. 236—239 (Aug. 1859). 
Visschen van Anjer en uit het meer Dano. XX. p. 241 (Aug. 

1859). 
Visschen van Amboina, de Aroe-eilanden en Bonthain. XX. p. 

331—352 (Oct. 1859). 
Over de plaatsing in het stelsel van de Luciocephaloïden. XX. 

p. 395-397 (Nov. 1859). 
Conspectus Systematis Cyprinorum. XX. p. 421 — 441. 
Vijfde bijdrage tot de kennis der vischfauna van Timor. Vis- 
schen van Atapoepoe. XX. p. 442—445 (Dec. 1859). 
Derde bijdrage tot de kennis der vischfauna van Singapore 

XX. p. 446—456 (Oct. 1859). 
Iets over het natuurlijk stelsel der visschen. XX. p. 461 — 

462 (Dec. 1859). 
Over eenige vischsoorten van de Kaap de Goede Hoop. XXI. 

1860. p. 49-80. 
Tiende bijdrage tot de kennis der vischfauna van Banka. XXI. 

p. 135—142 (Nov. 1859). 
Zoetwatervisschen van Singapoera. XXI. p. 334 (Febr. 1860). 
Bericht over vischsoorten van Benkoelen. XXII. 1869 p. 65 — 

66 (Maart 1860). 

8 



114 

Viscbsoorten gevangen bij Prigi. XXII. p. 88 — 89 (April 1860). 
Bericht' over viscbsoorten van Nieuw-Guinea. XXII. p. 98 — 100 

(Mei 1860). 
Zoetvvatervisschen van Gomhong. XXII. p. 100—101 (Mei 1860). 
Vischsoorlen nieuw voor de kennis der fauna van Singapoera. 

XXII. p. 101—102 (Mei 1860). 
Elfde bijdrage tot de kennis der viscbfanna van Banka . XXIÏ . 

p. 107—108 (Mei 1860). 
Derde bijdrage lot de kennis der iclitbyoiogiscbe fauna van 

Boero. XXII. p. 109 — 114 (April 1860). 
Zesde bijdrage tot de kennis der viscbfauna van Ceram. XXII. 

p. 228—230 (Juni 1860) 
Vierde bijdrage tot de kennis der viscbfauna van Bali. XXII. 

p. 239—242 (Juni 1860). 
Tweede bijdrage tot de kennis der viscbfauna van Bawean. 

XXII. p. 243—246 (Juni 1860). 
Zesde bijdrage tot de kennis der vischfauna van Timor. XXIÏ. 

p 247—261 (Juli 1860). 



Verhandelingen der Koninklijke Natuurkundige Vereeniging 

in Nederlandsch-Indië. Acta Societatis Regiae Scien- 

tiarum Indo- Neer landicae . Batavia 4°. 

Beschrijving van nieuwe en weinig bekende viscbsoorten van 
Amboina, verzameld op eene reis door den Molukschen ar- 
chipel, gedaan in het gevolg van den gouverneur-generaal 
Duymaer van Twist in September en October 1855 I 
1856. p. 1—76. Dec. 1855, Aanhangsel (Juni 1856). 

Beschrijvingen van nieuwe of weinig bekende viscbsoorten van 
Menado en Makassar, grootendeels verzameld op eene reis 
naar den Molukschen archipel in het gevolg van den gou- 
verneur-generaal Duymaer van Twist. I. p. 1—80 (Jan. — 
Febr. 1856). 



1 15 

Conspeclus speeierum piscium Molaccensium liucusque cogni- 

larum. II. 1857 p. 1—25 (Juli 1856). 
Tiende bijdrage tot de kennis der ichthyologische fauna van 

Borneo. Visschen van de rivieren Barilo, Kahajan en Ka- 

poeas. II. p. 1—21 (Sepl. 1856). 
Achtste bijdrage tot de kennis der vischfauna van Amboina. 

II. p. 1—102 (Nov.— Dec. 1856). 

Zesde bijdrage tot de kennis der vischfauna van Sumatra . 

Visschen van Padang, Troessan, Priaman, Sibogha en Pa- 

lembang. III. 1857—1858 p. 1—50 (Ocl. 1856). 
Vierde bijdrage tot de kennis der ichthyologische fauna van 

Japan. III. p. 1—46 (Jan. 1857). 
Tiende bijdrage tot de kennis der vischfauna van Celebes. III. 

p. 1—16 (Febr. 1857). 
Elfde bijdrage tot de kennis der vischfauna van Celebes. 

Visschen van Makassar. III. p. 1—2. (Juni 1857). 
Elfde bijdrage lot de kennis der ichthyologische fauna van 

Borneo. Visschen van Sinkawang. III. p. 1—4 (Mei 1857). 
Negende bijdrage tot de kennis der vischfauna van Amboiua. 

III. p. 1—6 (Juni 1857). 

Tiende bijdrage tot de kennis der vischfauna van Amboina. 
III. p. 1—4 (Nov. 1857). 

Ichthyologiae Archipelagi iudici Prodromus. I, Siluri, etiam 
sub titulo: üe visschen van den Indischen Archipel be- 
schreven en toegelicht. IV. p. 1858 p. 1 — 353 (Juni — Sept. 
1857), Naschrift p. 354—370 (Aug. 1858). 

Zevende bijdrage tot de kennis der vischfauna ven Sumatra. 
Visschen van Palembang. V. 1858—1859. p. 1—12 )Dec. 
1857). 

Twaalfde bijdrage tot de kennis der vischfauna van Borneo. 
Visschen van Sinkawang. V. p. 1—10 (Oei. 1857 en Maart 
1858,. 

Twaalfde bijdrage lot de kennis der vischfauna van Celebes. 
Visschen uan Menado. V. p. 1—4 (Juni 1858). 



116 

Vijfde bijdrage tot de kennis der ichthyologïsche fauna van 

Japan. V. p. 1—12 (Juli 1858). 
Bijdrage tot de kennis der vischfauna van Nieuw-Guinea. VI. 

1859 p. 1—24. (Deo. 1858). 

Enumeratio specierum piscium hucusque in Archipelago Indico 
observatarum , adjectis habitationibus citationibusque ubi 
descriptiones earum recentiores reperiuntur, nee non spe- 
eiebus Musei Bleekeriani Bengalensibus , Japonicis, Capensi- 
bus Tasmanieisque. VI. p. 1—276 (Nov. 1859). 

Icbthyologiae Archipelagi indici Prodromus II Cyprini. VIL 

1860 p. 1—492. (Juni— Oct. 1859. Naschrift Juni 1860). 
Zesde bijdrage tot de kennis der visebfauna van Japan. VIII. 

1860 p. 1—104 (April— Oct, 1859;. 
Acbtste bijdrage tot de kennis der vischfauna van Sumatra. 

Visschen van Benkoelen , Priaman , Tandjong , Palembang 

en Djambi. VIII. p. 1—88 (Febr.— Aug. 1859). 
Negende bijdrage tot de kennis der vischfauna van Sumatra. 

Visschen uit de Lematang-Enim en van Benkoelen. VIII. p. 

1—12 (Febr.— Maart 1860). 
Dertiende bijdrage tot de kennis der vischfauna van Borneo. 

VIII. p. 1—64 (Sept. 1859). 
Elfde bijdrage tot de kennis der vischfauna van Amboina. VIII. 

p. 1—14 (Febr.— Sept. 1859). 
Twaalfde bijdrage tot de kennis der vischfauna van Amboina. 

VIII. p. 1—4 (Mei 1860). 
Dertiende bijdrage tot de kennis der vischfauna van Celebes. 

Visschen van Bonthain, Badjoa, Sindjai, Lagoesi en Pom- 

panoea. VIII. p. 1—60 (Juni 1860). 



Verslagen en Mededeelingen der Koninklijke Akademie van 
Wetenschappen, Af deeling Natuurkunde. 8°. 

Mededeeling omtrent vischsoorten nieuw voor de kennis der 

fauna van Singapoera. XII. 1861 p. 28—65 (Jan. 1861). 
Aanteekening over Labrastrum en Centropus. XII. p. 81—82. 



117 

Iets over de vischfauna van het eiland Pinang. XII. p. 64 — 

80 (Jan. 1861). 
Iets over de geslachten der Scaroïden en hunne Indisch-ar- 

ehipelagische soorten. XII. p. 228—244 (Juni 1861). 
Conspectus generum Labroideorum analyticus. XIII. 1862 p. 

94—109 (Nov. 1861) reprod. in Proceed. Zool. Societ. 
Synonyma Labroideorum indo-archipelagicorum hucusque ob- 

servatorum revisa, adjectis specierum novarum descriplioni- 

bus. XIII. p. 274—308 (Nov. 1861). 
Sur quelques genres de la familie des Pleuronectéoïdes . XIII. 

p. 424—429 (Febr. 1862). 
Neuvième article sur la faune ichthyologique de 1'ile de Ter- 

nate. XIV. 1862 p 95—98 (Dec. 1861). 
Sixième mémoire sur la faune ichthyologique de rilede Batjan. 

XIV. 1862 p. 99—112 (Dec. 1861). 
Notice sur Ie genre Trachinus Ast. et ses espèces. XIV. p 

112—122 (Dec 1861); reprod. in Annales des Sciences 

naturelles . 
Notices ichthyologiques . XIV. p. 125—141 (Jan. 1862). 
Description de quelques espèces nouvelles de Silures de Suri- 
name. XIV. p. 571—389 (Juni 1862). 
Notice sur les genres Parasilurus, Eutropiichthys, Pseudeutro- 

pius et Pseudopangasius . XIV. p. 390—399 (April 1862). 
Notice sur les genres Trachelyopterichthys , Hemicetopsis et 

Pseudocetopsis . XIV. p. 400—405 (April 1862). 
Treizième memoire sur la faune ichthyologique de 1'ile d'Ani- 

boine. XV. 1865 p. 19—29 (Mei 1862); reprod. in Ned. 

T. Dierk. I.p. 355—560. 
Glyphidodon Westermani, une nouvelle espèce de Java. XV. 

p. 50—51 (Juni 1862); reprod in Ned. T. Dierk. I. p. 

560—561 . 
Sur les genres de la familie des Cobitioïdes XV. p. 52 — 44 

(Sept. 1862); reprod. in Ned. T. Dierk. I. p. 561—568. 
Description de trois espèces nouvelles de Siluroïdes de 1'lndc 



118 



archipélagique . XV. p. 70—76 (Juni 1862); reprod. in 

Ned. T Dierk. I.p. 568—371. 
Beschrijving en afbeelding van eene nieuwe soort van Brama 

(Abramis) uit de omstreken van Leiden. XV. p. 235 — 238 

(Oct. 1862); reprod. in Ned. T. Dierk lp. 371—373. 
Description de qaelques espèces nöuvelles de Cyprinoïdes de 

Ceylan. XV. p. 239—253 (Dec. 1862); reprod. in Ned. 

T. Dierk. I. p. 573-381. 
Description d'une nouvelle espèce du genre Nemacheilus. XV. 

p. 254—256 (Nov. 1862); reprod. in Ned. T. Dierk. I. 

p. 580—581. 
Sur une nouvelle espèce de poisson du Japon appartenant a 

un nouveau genre. XV. p. 257—260 (Jan. 1863} ; reprod. 

in Ned. T. Dierk. I. p. 582—585. * 
Notice sur les noms de quelques genres de la familie des Cy- 
prinoïdes. XV. p. 261—264 (Jan. J865): reprod. in Ned. 

T. Dierk. II. 65—67. 
Dixième notice sur la faune ichthyologique <le 1'ile de Ternate. 

XV. p. 265-266 (Febr. 1865); reprod. in Ned. T. Dierk. 

II. p. 67—68. 
Notices sur une collection de poissons de la Nouvelle Hollande, 

faite a Port Jackson. XV. p. 442—451 (Maart 1865); 

reprod. in Ned. T. Dierk. II. p 68—75. 
Sur deux nouvelle? espèces de Citharicbtbys de Suriname 

de Guatimale. XV. p. 452—455 (Maart 1865); reprod. 

Ned. T. Dierk. II p. 75—74 
Sur une nouvelle espèce de Synaptura du Gap de Bonne es| 

rance. XV. p. 456—459 (April 1865): reprod. ïn Ned. 

Dierk. II. p 57—76. 
Notice sur Ie genre Ichthyophis Less. et sur richthyophis ti 

grinus et richthyophis pantherinus de Lessen. XV p. 460- 

466 (Mei 1863): reprod. in Ned. T. Dierk. II. p. 77—71 
Notice sur la faune ichthyologique de Siam. XVI. 1864. p 

352—558 (Juni 1865); reprod. in Ned. T. Dierk. II. p 

96—99. 



119 

Deuxième notice sur la faune iehthyologique de Tile de Sapa- 

roua. XVI. p. 359—361 (Juli 1863); reprod. in Ned. T. 

Dierk. II. p 99—100. 
Notice -sur quelques poissons de 1'ile Grand-Key. XVI. p. 

362—363 Juli 1863); reprod. in Ned. T. Dierk. II. p. 

100—101. 
Notice sur quelques poissons de 1'ile de Noussalaut. XVI. p. 

564— 565 (Juli 1863;; reprod. in Ned. T. Dierk. II. p. 108. 
Notice sur la faune iehthyologique des iles Arou. XVI. p. 

366—368 (Aug. 1863); reprod. in Ned. T. Dierk. II. p. 

101—102. 
Notice sur une nouvelle espèce de Xipharia. XVII. 1865 p. 

195—197 (Aug. 1865); reprod. in Ned. T. Dierk. II. p. 

194—196. 
Sur une nouvelle espèce de Puntius a épine anale dentelée. 

XVII. p. 198—202 (Dec. 1865); reprod. in Ned. T. Dierk. 

II. p. 196— 198. 
Notice sur la faune iehthyologique de 1'ile de Guébè. 2e Reeks 

II. 1867—1868 p. 271—272. (Oct. 1867). 
Douzième notice sur la faune iehthyologique de 1'ile de Ter- 

nate. 2e Reeks. II. p. 275—274 (Oct. 1867). 
Troisième notice sur la faune iehthyologique de 1'ile d'Obi. 

2e Rks. II. p. 275 (Oct. 1867j. 
Huitième notice sur la faune iehthyologique de 1'ile de Batjan. 

2e Rks. II. p. 276—277 (Oct. 1867). 
Description de deux espèces nouvelles de Blennioïdes de 1'Inde 

archipélagique. 2e Reeks. II. p. 278—230 (Sept. 1867). 
Troisième notice sur la faune iehthyologique de la Nouvelle 

Guinee. 2e Rks. II. p. 281—282. 
Cinquiètne notice sur la faune iehthyologique de 1'ile de Solor. 

2e Reeks. IL p. 283—288 (Oct. 1867). 
Sixième notice sur la faune iehthyologique de 1'ile de Bintang. 

2e Reeks. II. p. 289-294. (Oct. 1867). 
Notie» 1 sur la faune iehthyologique de 1'ile de Waigiou. 2e. 

Reeks. II. p. 295—501 (Oct. 1867). 



120 

Deuxième notice sur la faune iehthyologique des iles Sangir. 

2e Reeks. II. p. 302—304 (Oct. 1867). 
Deuxième notice sur la faune iehthyologique des iles Arou. 

2e Reeks. II. p. 305—306 (Oct. 1867). 
Description de trois espèces inédites de Chromidoïdes de Mada- 

gascar. 2e Reeks. II. p. 307— 514 (Nov. 1866). 
Description de trois espèces inédites de poissons des iles 

d'Amboine et de Waigiou. 2e Reeks. II. p. 331 — 335 

(Nov. 1867). 
Description de deux espèces inédites d'Epinephelus , rapportées 

de Tile de la Réunion par MM. Pollen et van Dam. 2e Reeks. 

II. p. 336—341 (Febr. 1866). 
Notice sur Ie Parupeneus bifasciatus (Mullus bifasciatus Lac.) de 

File de la Réunion. 2e Reeks. II. p. 342—348 (Juli 1865). 
Sur les espèces confondues sous Ie nom de Genyoroge benga- 

galensis Günth. 2e Reeks. III. 1868—1869 p. 64—77. 

(Juni 1865). 
Description d'une espèce inédite de Caesio de File de Nossibe. 

2e Reeks. III. p. 78—79 (Juli 1866). 
Description d'une espèce inédite de Chaetopterus de File 

d'Amboine. 2e Reeks. IIÏ. p. 80—85 (Juni 1866). 
Description d'une espèce inédite de Glyphidodon de File de la 

Réunion. 2e Reeks. III. p. 231—233 (Mei 1866). 
Description de deux espèces inédites d'Allicus de Madagascar. 

2e Reeks. III. p. 254—236 (Mei 18(36). 
Neuvième notice sur la faune iehthyologique du Japon. 2e 

Reeks. III. p. 257—252 (Dee. 1867). 
Description et lïgure d'une espèce inédite de Platycéphale. 

2e Reeks. III. p. 253—254 (Dec. 1867). 
Description et figure d'une espèce inédite de Khynchobdella de 

Chine. 2e Reeks. IV. 1869—1870. p. 249-250. 
Mededeeling omtrent eenige nieuwe vischsoorten van China. 

2e Reeks. IV. p. 251—253. 
Description d'une espèce inédite de Botia de Chine et figures 



121 

du Botia elongata et du Botia modesta. 2e Reeks. IV. p. 

254—236. 
Description et figure d'une espèce inédite de Hemibagrus de 

Chine. 2e Rks. IV. p. 257—258 (Nov. 1869). 
Notice sur les peintures chinoises de Cyprinoïdes, dóposées au 

Museum d'Histoire naturelle de Groningüe par M. 1. Senn 

van Basel. 2e Rks. VI. p. 116—121 (Juli 1871). 
Description et figure du Cichla temensis Humb. 2e Rks. VII. 

p. 52—34 (Aug. 1872). 
Troisième notice sur la faune ichthyologique des iles Arou. 2e 

Rks. VII. p. 35—59 (Jan. 1872). 
Mededeelingen omtrent eene herziening der indisch-archipelagi- 

sche soorten van Epinephelus, Lutjanus, Dentex en verwante 

geslachten. 2e Rks. -VII. p. 40—46 (Sept. 1872). 
Description et figure d'une espèce insulindienne d'Orthagoriscus. 

2e Rks. VII. p. 151—153 (Sept. 1872). 
Révision des espèces insulindiennes des genres Diapterus et 

Pentaprion. 2e Rks. VII. p. 235—255 (Dec. 1872). 
Mededeeling omtrent den stand der uitgave van den Atlas 

ichthyologique des Iudes orientales nêërlandaises. 2e Rks. 

VIII. p. 125— 126 (Maart 1874). 

Typi nonnulli generici piscium neglecti. 2e Rks. VIII. p. 367 — 

571 (Juni 1874). 
Notice sur les genres Amblyeleotris , Valenciennesia et Bra- 

chyeleotris. 2e Rks. VIII. p. 572—576 (Oct. 1874). 
Description de quelques espèces insulindiennes inédites des genres 

Oxyurichthys , Paroxyurichthys et Cryptocentrus. 2e Rks. 

IX. p. 158—148 (Maart 1875). 

Notice sur les genres Grymnocaesio , Pterocaesio, Paraeaesio et 
Liocaesio. 2e Rks. IX. p, 149—154 (April 1875). 

Sur la pluralité des espèces insulindiennes de Toxotes. 2e Rks. 
IX. p. 155—167 (Mei 1875). 

Révision des Sicydiini et Latrunculini de 1'Insuhnde. 2e Rks. 
IX. p 271—293 (Febr. 1875). 



Generum Familiae Scorpaenoideorum conspeetus analyticus. 2e 

Rks. XI p. 294-300 (Dec. 1875). 
Notice sur les genres et sur les espèces des Chétodontoïdes dé 

la sousfamille des Taurichthyiformes . 2e Rks. X p 508 — 

520 (Jan. 1876). 
Description de quelques espèces inédites de Pomacentroïdes de 

Tlnde archipélagique . 2e Rks. X. p. 384— 591 (Dec. 1876). 
Sur les espèces confondues sous les noms de Chrysophrys hasty, 

berda, calamara el Schlegeli. 2e Rks. XI. p. 1 — 14. (Sept. 

1875). 
Révision des espèces insulindiennes de la sousianiille des Eléo- 

triformes. 2e Rks. XI. p. 15—110 (Jan. 1875) 
Notice sur 1'identité des genres Gnathanacanthus Blkr. el Ho- 

loxenus Günlh. 2e Rks. XI. p 152—154 (Mei 1876). 
Description de deux espèces inédites du genre Prochilus (Am- 

phiprion BI. Schn.) 2e Rks. XI. p. 155-157 (Juni 1876). 
Sur deux espèces inédites de Cichloïdes de Madagascar. 2e 

Rks. XII p. 192—198 (Sept. 1877). 
Description des espèces insulindiennes du genre Sligtnalogobius. 

2e Rks XII. p 199—208 (Febr. 1877;. 
Sur les espèces du genre iïypophtbalmycblhys Blkr. Cephalus 

Ras (nee BI. nee al.) 2e Kks. XII. [>. 209— 218 (Dec. 1877) 
Révision des espèces insulindiennes de la familie des Calliony- 

moïdes. 2e Rks. XIII (April 1877) 



Verhandelingen der Koninklijke Akademie van 
Wetenschappen . 4° . 

Bijdrage tot de kennis der ichtbyologische fauna van Japan. 

I. 1855. p. 1—16 (Dec 1851). 
Over eenige visseben van van Diemensland. II. 1855. p. 1 — 5( 

(Juli 1854). 
Mémoire sur les Cypriuoïdes de Ghine. XII. 1871. p. 1—9] 

(Nov. 1869). 



Révision des espèces de Dentex, Synagris, Gymnocranius» 

Gnathodentex et Pentapus de 1'Inde archipélagique et du 

Japon. XIII. 1873. p. 164 (Juli 1872). 
Révision des espèces indo-archipélagiques des genres Lutjanus 

et Aprion. XIII. 1873. p. 1—102 (Aug. 1872). 
Révision des espèces indo-archipélagiques du groupe des Epi- 

nephelini et de quelques genres voisins XIV. p. 1 — 151 (Aug. 

1872). 
Mémoire sur les Scïénoïües et les Sillaginoïdes de Pinde archi- 
pélagique. XIV. 1874. p. 1—74 (Sept. 1875). 
Sur les espèces insulindiennes de la Familie des Cirrhitéoïdes. 

XV. 1874. p. 1—58 (April 1875). 
Révision des espèces indo-archipélagiques de la Familie des 

Mulloïdes XV. 1874. p. 1-58. (April; 1875). 
Sur la Familie des Pseudochromidoïdes et révision de ses 

espèces insulindiennes. XV. 1875. p. 1 — 30. (Nov. 1875). 
Mémoire sur les espèces insulindiennes de la Familie des 

Scorpénoïdes. XVI. (Mei 1874). 
Révision des espèces insulindiennes de la familie des Chétodon- 

toïdes. XVII. p. 1—168. (Jan. 1876). 
Poissons de 1'ile Maurice. XVIII. 
Mémoire sur les poissons a pharyngiens labyrhithiformes. XIX. 

p. 1—56 (Oct. 1876). 
Révision des espèces insulindiennes du genre Platycephalus . 

XIX. p. 1—51 (Mei 1877). 
Enumération des espèces de Poissons actuellement connues du 

Japon XIX. (Nov. 1877). 
Sur quelques espèces inédites ou peu connues de Poissons de 

Chine apparteuant au Museum de Hambourg. XIX. (Nov. — 

Dec. 1877). 



Natuurkundige Verhandelingen van de Hollandsche Maatschappij 
der Wetenschappen. Haarlem 4°. 

Mémoire sur les poissons de la cöte de Guinee. XVIII. 1862. 



124 

Description de quelques espèces de Cobitioïdes et de Cyprinoï- 

des de Ceylan. XX. 1864. p. 1—20. (Nov. 1862). 
Description des espèces de Silures de Suriname conservées aux 

Musées de Leide et d' Amsterdam. XX. 1864. p. 1—104. 

(Juni 1862). 
Kévision des espèces indo-archipélagiques du groupe des Apo- 

gonini. 5e Verz. II. 1874. p. 1-82. (Jan. 1873). 
Révision des espèces d'Ambassis et de Parambassis de 1'Inde 

archipélagique . 5e Verz. II. p. 1—24. (Maart 1873). 
Hévision des espèces insulindiennes de la familie des Synan- 

céoides. 3e Verz. II. 1874. 



Archives Néerlandaises des Sciences exacles et naturelles 

publiées par la Société Hollandaise des Sciences 

a Harlem. 8°. 

Quatrième nolice sur la faune ichlhyologique de File de 

Halmahéra. II. 1867 p. 597—399 (Oct. 1867). 
Description et figure d'une espèce inédite de»Crossorhinus de 

FArchipel des Moluques. II. p. 400—401. (Oct. 1867). 
Description de quelques espèces nouvelles de Gobius de Mada- 

gascar. II. p. 405—420 (Nov. 1866). 
Description " de deux espèces inédites de Choerops. III. 1868. 

p. 275— 277 (Oct. 1866). 
Description d'une espéce de Rhombotides de 1'ile de la Kéu- 

nion III. p. 277—278 (Juni 1866). 
Description et ligure d'une nouvelle espéce de Trachypterus 

de Hle d'Amboine. III. p. 279—280 (Oct. 1867). 
Description de deux espèces inédites de Labroïdes d'Amboine 

VI. p 526-528 (1870). 
Sur Ie genre Moronopsis Gill (Paradules Blkr.) et ses espèces 

indo-archipélagiques. VII. p. 573—380 (April 1872). 
Sur Ie genre Parapristipoma et sur Fidentité spécifique des 

Perca trilineata Thunb., Pristipoma japonicuin Cv. et Dia- 

gramma japouicum Blkr. VIII. p. 19—24 (Mei 1872). 



Description et figure du Lethrinus Güntheri Blkr VIII. p. 

155—154. (Sept. 1872). 
Révision des cspéces indo-arcbipélagiques du genre Caesio el 
de quelques genres voisins. VIII. p. 155 — 182 (Nov. 1872). 
Description (avec figures) de deux espéces nouvelles de Scié- 

noïdes de Suriname. VIII. p. 456—461 (Juli 1873). 
Description (et figure) d'une espéce inédite de Gadus (Bore- 
gadus) des mers d'Islande. VIII. p. 462—465 (Oct. 1873). 
Esquisse d'un systéme naturel des Gobioïdes. IX. p. 289—531 

(Mei 1874). 
Sur les espéces insulindiennes de la familie des Opistbogna- 

Lhoïdes. IX. p. 466—476 (Dec. 1873). 
Sur les espéces insulindiennes de la Familie des Nandoïdes. 

IX p. 455—465 (Sept. 1873). 
Notice sur les Eléotriformes et description de trois espéces 

nouvelles. X. p. 101—112 (Nov. 1874). 
Gobioideorum species insulindicae novae. X. p. 113—134 (Dec. 

1874). 
Description du genre Parascorpis et de son espéce type (avec 

figure). X. p. 380—582 (Jan. 1875). 
Notice sur Ie genre Chaelodon Mt. (Pomacanthus Lac. Guv. et 
sur la pluralité de ses espéces vivantes. XI. p. 178—185 
(Febr. 1876). 
Systema Percarum revisum. XI. p. 247—288 (Dec. 1875). 
Notice sur la sousfamille des Holacanthiformes et description 
de quelques espéces insuffisamment connues. XII. p. 17— 
57 (Febr. 1876). 
Révision des espéces de Pempheris de Pinde arcbipélagique 

XII. p 42—54 (Mei 1876) 
Notice sur les espéces nominales de Pomacenlroïdes de 1'Inde 
archipélagique. XII. p. 38— 40 (Nov. 1876), 



126 

Nederlandsch Tijdschrift voor de Dierkunde, uitgegeven 

door het Koninklijk Zoölogisch Genootschap Natura 

Artis Magistra te Amsterdam , onder redactie 

van P. Bleeker , H. Schlegel en G. F. 

Westerman. Amsterdam 8°. 

Sur quelques genres nouveaux du groupe des Doras. I. 1863 

p. 10—18 (Maart 1862). 
Sur quelques nouveaux genres du groupe des Synodontes I. 

p. 52—55 (April 1863). 
Over eenige vischsoorten van het eiland Bangka , het Rijks 

museum te Leiden aangeboden door J F. R. S. van den 

Bossche Lp. 72—73 (Fehr. 1862). 
Systema Silurorum revisum. I. p. 77—122. 
Description de quelques espèces de poissons nouvelles ou pen 

connues de la Chine envoyées au Musée de Leide par M. 

G. Schlegel. I. p. 135—150 (Aug.— Dec. 1862). 
Septième notice sur la faune ichthyologique de 1'ile de Batjan. 

lp 151—152 (Jan. 1863). 
Troisième mémoire sur la faune ichthyologique de 1'ile deHal- 

maheira. I.p. 153—159 (Jan. 1863). 
Notice sur quelques poissons de 1'ile de Morotai. I. p. 160 

(Jan. 1863). 
Notice sur deux espèces inédites du genre Aphthalmiehtliys 

Kp. I. p. 163-166 (Mei 1863). 
Sur quelques espèces nouvelles ou peu connues de Gymnothora: 

BI. de 1'Inde archipélagique . I. p. 167—171 (Juni 1863) 
Description de quelques espèces nouvelles ou peu connues 

d'Ophisuroïdes de 1'Inde archipélagique. I. p. 179-181 

(Juni 1863). 
Systema Cyprinoideorum revisum. I. p. 187— 218 (Mei 1863). 
Onzième notice sur la faune ichthyologique de 1'ile de Ternale 

I. p. 228—238 (Sept. 1863). 
Deuxième notice sur la faune ichthyologique de 1'ile de Obi 

Lp. 239—245 (SepL 1863). 



127 

Sur Une nouvelle espèce d'Echidna de l'ile de Rotti. 1 pi 

246—247 (Sepl. 1865). 
Deuxième notice sur la faune ichtliyologique de l'ile de Flores. 

I.p 248—252 (Aug. 1863). 
Septiem e notice sur la faune ichtliyologique de l'ile de Céram 

I. p. 253—261 (Sepl. 1863). 
Seplième mémoire sur la faune ichtliyologique de l'ile de Timor. 

I. p. 202—276 (Sept. 1865J. 
Poissons de Madagascar. I. p. 344 — 345 

Rhinobagrus et Pelteobagrus, deux genres nouveaux de Silu- 
roïdes de Chine. II. 1865 p. 7—10 (April 1864). 

Descriptiori de deux espèces inédites de Cobitioïdes. If. p. 
11 — 14 (April 1864). 

Paralaubuca, un genre nouveau de Cyprinoïdes de Siam. II. 
p. 15—17 (Maart 1864) 

Notice sur quelques genres et espéces de Cyprinoïdes de Chine. 

II. p. 18—29 (Mei 1864). 

Notice sur quelques poissons de la baie de Manille . II. p. 50 — 

32 (Mei 1864). 
Nouvelle notice sur la faune ichtliyologique de Siam. II. p, 

35—57 (Mei 1864). 
Poissons inédits indo-archipélagiques de 1'Ordre des Murènes. 

II p. 58-54 (Maart 1864). 
Notice sur les poissons envoyés de Chine au Musée de Leide 

par M. G Schlegel. II. p. 55—62 (Mei 1864). 
Notice sur quelques poissons de l'ile de Harouko. II. p. 65 — 

64 (Oct 1863). 
Systema Muraenoium revisum . II. p. 115—122 (Dec. 1865), 
Synonyma Muraenorum indo-archipelagicorum hucusque ob- 

servatorum revisa, adjeclis habitalionibus cilationibusque ubi 

descriptiones figuraeque eorum recentiores reperiuntur . II. 

p. 125— 156 (Dec. 1865). 
Description de deux espéces inédites de Gnathopogon et de 

Rasbora de l'ile de Java. II. 157-140. 



128 

Qaatrième nolice sur la faune ichthyologique de Pïle de Bouro. 

II. p. 141—151 (Jan. 1864). 

Notice snr Ie genre Paraploactis et description de son espèce 

type. II, p. 168—170 (Juni 1864). 
Sixième notice sur la faune ichthyologique de Siana. II. p. 

171—176 (Aug. 1863). 
Description de quelques espéces inédites de poissons de 1' Ar- 
chipel des Moluques. II. p. 177—181 (Maart 1864). 
Enumération des espéces de poissons actuellement connues de 

File de Céram II. p. 182—193 (Sept. 1864). 
Description de deux espéces inédites des genres Gallechelys el 

Pisoodonophus. II. p. 213—216 (Aug. 1864). 
Description de quelques espéces de Murénes de Suriname. II. 

p. 233—249 (Juli 1863). 
Description de quelques espéces de poissons du Japon, du Cap 

de Bonne espérance et de Suriname, conservés au Musée de 

Leide. II. p. 250—269 (Mei 1863). 
Enumération des espéces de poissons actuellement connues de 

Pile d'Amboine. II. p. 270—293. 
Notice sur les Ostracions, confondus sous Ie nom d'Ostracion qua- 

dricornis L. et description des Ostracion notacanlhus et gui- 

neensis. II. p. 298—305 (Sept. 1864). 
Notice sur Ie genre Apionichthys Kp. (Soleotalpa Günlh). II. 

p. 306—308. 
Systema Balistidorum, Ostracionidorum Gymnodontidorumque 

revisum. III. 1866 p. 8—20. 
Synonyma Balistidorum, Ostracionidorum Gymnodontidorumque 

indo-archipelagicorum hucusque observatorum revisa , adjectis 

habitationibus citationibusque ubi descriptiones figuraeque 

eorum recentiores reperiuntur. III. p. 20—40. 
Deuxième notice sur la faune ichthyologique de Pile de Harouko. 

III. p. 41—42 (Dec. 1864). 

Description de quelques espéces inédites des genres Pseudo- 
rhombus et Platophrys de Pinde archipélagique . III. p. 43— 
50. (Febr. 1865). 



129 

Description d'une espèee inédite de Triacanlhiïs de Pinde ar- 
chipélagique III. p 51 -82 (Maart 1865). 
Sur les espèces d'Exocetus de Pinde archipélagique. III. p. 105- 

129. (Juli 1865). 
Description d'une espèee inédite d'Exocetus découverl par M. F. 

Pollen. III. p. 130—135 (Juli 1865). 
Description d'une espèee inédite de Cheilinus III. p. 134 — 135 

(Aug. 1864). 
Révision des Hémirhamphes de 1'Iude archipélagique . III. p. 

136—170 (Sept. 1865). 
Descriplion du Narcacion Polleni, espèee inédite des uiers de 

Tile de la Réuuion. III. p. 171—173 (Juli 1865). 
Notice sur Ie Cirrliites punctatus Cv. III. p 174 — 177. 

(Juli 1865). 
Description d'une espèee inédite de Stoléphorus de Suriname. 

III. p. 178—180 (Oct. 1865). 
Révision des espèces de Mastacembelus (Belone Cuv.) de Pinde 

archipélagique. III. p 214-236 (Oct. 1865). 
Sur la pluralité des espèces indo-arehipélagiques du genre 

Megalops Lac. III. p. 278—292 (Dec. 1865). 
Description de quelques espèces inédites ou peu connues de 

Clupéoides de 1'Inde archipélagique. III. p. 293 — 308 (Nov. 

1865). 
Description de trois espèces inédites du genre Acanthorhodeus 

Blkr. IV. p. 70—76. (Oct. 1869). 
Descriplion de quelques espèces inédites de Xenocypris. IV. p. 

62-69. (1869). 
Sur les espèces du genre Culter Basil. IV. p. 77—88 (1869) 
Mémoire sur la faune ichthyologique de Chine. IV. p. 113 — 

154 (Aug. 1871). 
Notice sur Ie Synodus macrocephalus Lac. (Luciobrama (ypus 

Blkr). IV. p. 89—91 (Febr. 1871). 
Description de quelques espèces de poissons de 1'ile de la 

Rêunion et de Madagascar IV. p. 92—105 (1866). 

9 



150 

Notice sur Ie Grammistes punctalus et ocellatus. IV. p 

106-110 (Aug. 1865). 
Description d'une cspèce inédite de Heliases d'Amboine. IV. 

p 111 — 112. 
Révision des espèces indo-archipélagiques du groupe des An- 

ihianini. IV. p. 155-169 (Ocl. 1870j. 
Révision des espèces indo-arcliipélagiques du groupe des Pria- 

canlhini. IV. p. 170—177 (Febr. 1871). 
Révision des espèces indo-archipélagiques dn genre Myripristis. 

IV. p. 178-197 (Oct. 1871). 
Révision des espèces indo-archipélagiques du genre Holocen- 

trum. IV. p. 198—232 (Sepl. 1871). 
Addilion au Mémoire sur la faune ichthyologique de Chine. 

IV. p. 285—284 (April 1872). 
Sur les espèces indo-archipélagiques d'üdontanthias et de 

Pseudopriacanthus. IV. p, 255—240 (Juni 1872). 
Révision des espèces indo-archipélagiques des genres Plecto- 

rhynchus et Prislipoma. IV. p. 275—517 (Nov. 1872). 
Révision des espèces indo-archipélagiques du genre Lelhrinus. 

IV. p. 518—344 (Aug. 1872). 
Sur les espèces de Scolopsis Cv. de 1'Jnde archipélagique. IV. 

p. 545—571 (Juni 1872). 
Révision des espèces insulindiennes du genre ïherapon. IV 

p. 372-593 (Juni 1872). 

Proceedings of the Zoological Society of London. 

Goospecius generum Lahroideorum analyticus 1861 p. 408 

418 (Nov. 1861). 
Notice sur l'Elopichthys dahuricus 

Annales des mences naturelles. 

Notiee sur Ie genre Trachinus sArtedi) et ses espèces Dl. XXJ 

No. 6. Zoölogie p. 575— 5S2. 



N O T I O E 



SUR 

L'ATLAS ÏCIITHYOLOGIQUE DES INDES 
OKIENTALES NÉERLANOAISES. (*) 

Bienlól après mon arrivée a Balavia, Fidée me vint d'écrire 
une Topograpbie physique el médicale de la capitale des ïndes 
néerlandaises, ce qui nécessitait , enlre aulres, un examen de 
sa faune el des visites réilérées aux marchés aux poissons. 

Frappe par la multiplicilé des formes que venail de révéler 
1'examen snperficiel de la faune icblbyologique de Balavia, je 
voulus en eonnaitre les noms scienlifiques, Ne possédanl lou- 
tefois, a celle époque, aucun ouvrage spécial sur la malière, 
et ne trouvant a Balavia d'aulres Irailés ichlhyologiques que 
PHisloire des Poissons de Lacépède, il ne me restail qu'a faire 
venir d'Europe la liltéralure nécessaire, el a rassemhler, en 
allendant, Ie plus d'espèces possihle. 

Lorsque, après plus d'un an d'allenle, je me vis a même 
de commencer les délerminaüons, ma colleclion se composait 
déja de plus de Irois cents espèces de poissons tant ma rins 
que d'eau douce, el bon nombre de ces espèces ne se trouvant 
pas dans les auteurs, il devint bientót manifeste que plusieurs 
de ces formes n'avaient pas encore élé enregistrées par la 
science. Celle révélation me poussa de plus en plus a augmen- 
ter ma colleclion et a publier les espèces que je croyais inédiles. 
Quant aux simples descriplions des formes nouvelles, pouvant 
disposer des Archives des Sciences physiques et médicales (Na- 

(*) Naai een onvoltooid handsehrifl , door Dr. Bleeker nagelaten. 



152 



tuur- en Geneeskundig Archief voor Nederlandsch Indië) , jour- 
na! que j'avais fondé en 1844. et des Mémoires de la Sociélé 
Batavienne des arts et des sciences , il n'y avait aucune dilïi- 
cullé. Mais pour mes collections el la liltérature coüleuse 
qu'exigeaient les délerminations , mes moyens ne suffisaient pas 
du tout. Les appointements de sous-lieutenant , rang quej'oe- 
cupais alors comme médecin militaire, ne permettaient point 
Pacquisition d'une bibliothèque zoologique ou ichthyologique un 
peu complete, ni Ie luxe d'une collection d'objels d'histoire 
naturelle, pour la conservation desquels il fallait de grandes 
quantités d'alcool et de nornbreux bocaux. 

Dès que j'eus formé Ie projet d'étendre mes rechercbes sur 
toute File de Java et sur toute Pinde archipélagique , je crus , 
vu Pinsuffisance de mes ressources, pouvoir m'adresser au 
Gouvernement colonial et en appeler a sa générosilé scientifique, 
lui proposanl de soutenir mes recherches matériellement, en 
subsidiant la publication d'une faune ichthyologique des Indes 
orientales néerlandaises , illustrée par les figures des espèces 
inédites et moins connues. Le plan de cette publication, soumis 
au gouvernement , était a peu prés celui qui a été suivi dans 
PAtlas. . Ma requête, d'ailleurs, ne visait pas a obtenir une 
subvention a titre purement gratuit, mais était accompagnée 
de Poffre que mes collections seraient cédées au gouvernement, 
pour être incorporées au Musée d'Histoire naturelle de Leide. 
Il me paraissait que, de cette maniere, ma demande aurait 
plus de chance de succes , et que la compensation offerte serait 
acceptée avec bienveillance. 

La tentative, toutefois, ne réussit nullement. Je dois avouer 
que mon age et ma position n'étaient pas de nature a inspirer 
beaucoup de conflance dans Pauteur, jeune médecin militaire 
de troisième classe (sous-lieutenant), qui jusque-la n'avait pres- 
que rien publié. Le gouvernement se borna, tout en refusant 
ma demande et mon offre, a témoigner tant soit peu de sym- 
pathie pour mes études, en nPaccordant une gratification de 
cinq cents florins, gratification que je n'avais nullement solli- 



153 

citée et que même j'avais bien l'ènvie, mais non Ie courage, 
de refuser. 

Quoique abandon né a nies propres fofceset moyens, jeconti- 
nuai mes recherches et 1'accumulation de mes matériaux. S'il était 
impossible de faire paraitre un ouvrage tel que je 1'avais projeté , 
il me restait toujours la voie de ptiblicalion par les Archives 
des sciences naturelles et les Mémoires de la Société Batavicnne 
des arts et des sciences, — et il me restait aussi 1'espoir que, 
lot au tard, Pappui du gouvernement pourrait êtrc Ie résultat 
de 1'activité que j'avais 1'intention de déployer. 

Les circonstances , cependant, ne me favorisaient pas. A peinc 
avais-je publié quelques petits mémoires ichthyologiques , que 
je dus quitter Batavia , pour me rendre a Samarang. Dans 
1'impossibilité de faire transporter mes collections, il fallut 
bien les laisser a Batavia. Après quelques mois de service a 
Samarang, on me donna de nouveau une autre destination , en 
me chargeant du service médical a Sourabaia. lei encore je 
ne restai que quelques mois , pour être envoyé ensuite a la 
fortcresse d'Ambarawa. Par ces déplacements successifs , deux 
années s'écoulèrent pendant lesquelles mes recherches ichthyo- 
logiques ne purent être que peu suivies , Ie temps el les moyens 
manquant pour les continuer sérieüsement. Aussi , si j'avais du 
tester éloigné de Batavia , il aurait été impossible d'exécuter ', 
même en partie, Ie plan de 1'ouvrage projeté. 

En Tan 1849, replacé a Batavia, je recommenrai a me 
vouer plus spécialement aux études ichthyologiques. Dès cette 
époque, mes relations avec les principales iles des possessions 
néerlandaises devinrent plus nombreuses et contribuèrent a 
élargir notablement mes collections. En 1850 fut fondée a 
Batavia la Société royale de physique des Indes néerlandaises 
Koninklijke Natuurkundige Verecniging in Nederlandsch lndië) , 
dont je lus bientót élu président : et c'est grace a cette Société 
que je pus faire connaitre, presque imniédialement après leur 
arrivée a Batavia , les envois qui venaient affluer par les soins zélés 
d« k nonibreux eollecteius dispersés sur les établissemcnts 



154 

européens des iles de la Sonde et des Moluques. Je n'avais 
qu'a envoyer de 1'alcool et des bocaux aux fonctionnaires civils 
et militaires avec Iesquels j'entrelenais des relations, pourêtre 
sur de recevoir des collcclions de plus ou moins de valeur. 
De cette maniere, mon cabinet s'enrichil de nombreuses espèces 
des iles Sumatra, Balou, Nias, Singapore, Bintang, Bangka, 
Bililon, Bawéan, Bali, Borneo, Gelebes, Sangi, Ternate, 
Halmahéra > Batjan , Bouro , Amboine , Céram , Saparoua , Banda , 
Goram, Flores, Solor, Timor, Arou, Waigiou,etc. — D'autres 
colleclions aussi me furent adressées du Bengale et du Japon , 
et j'en recus également de Tasmanie et du Cap. Avant mon 
départ pour 1'Europe, en 1860, je possédais plus de 2500 
espèces de poissons , dont environ 2000 de 1'Inde ai chipélagique. 
Le nombre des espèces inédiles publiées aux Indes innnlail a 
plus de 1100. 

Toutes les espèces insulindiennes de mon cabinet étaient 
destinées a être figurées pour 1'Atlas projeté. Mais de grandes 
difficultés surgirent par rapport a 1'exéeution. Il n'y avait nulle 
part aux Indes des dessinateurs habiles et disponibles . et s'il 
y en avait eu, je n'aurais pu les engager, faute de ressources 
suffisantes. Il fallut donc bien me résigner a faire usage 
de talents fort médiocres, et encore ne pouvais-je en trouver, 
a Batavia, que parrni les militaires de la garnison, lorsque 
leurs supérieurs voulaient bien les met! re a ma disposition. 

Longtemps j'ai du me contenter de dessins médiocre- 
ment exacts et d'une exécution tres imparfaite. Ces dessins 
reslaient toujours a refaire, quand je recevais des individus 
plus frais, mieux conservés ou d'une taille plus convenable 
pour la publicalion. Aussi plusieurs centaines d'espèces ont 
été figurées de nouveau, même jusqu'a buit et dix fois, a fur 
et a mesure que mes dessinateurs apprenaient a représenter 
les objels avec plus de fidélité. Lors de mon départ pour 
FEurope, je possédais les figures de presque toutes les espèces 
insulindiennes de mon cabinet, et bien que presque aucune 
de ces figures, dont le nombre montait è plus de trois mille, 



155 

n'ait élé copiée pour 1'Atlas, elles ont pu servir de base, en 
ce que concerne les couleurs fraiches , pour les figures que 
j'ai fait exéculer après mon retour en Europe. 

Des trois dessinateurs que j'ai eus a ma disposilion aux 
Indes, deux n'ont pu m'assister que pendant quelques années. 
Le troisième, M. L. Speigler, a survécu et est venu me rejoindre 
en Europe, oü, depuis 1862, il continue è relaire les dessins 
faits aux Indes, en s'appliquant de son mieux a leur donner 
toute rexactitude possible. Bien que le zèle et la persévérance 
de M. Speigler n'aient jamais faibli, et qu'il ait le ménle d'avoir 
travaillé plus d'un quart de siècle a la parlie iconograpbique 
de 1'ouvrage, dont presque toutes les figures sont de sa main, 
je dois a la vérilé et a ma responsabililé de ne pas laisser 
ignorer les extrêmes soucis causés par une coopération qui 
nécessitait une surveillance et une direclion minutieuses et con- 
tinuelles. M. Speigler n'avait malheureusement pas un talent 
égal a son zèle, et il lui manquait absol urnen t la facullé d'ob- 
servalion nécessaire pour rendre exactement lant la physionomie 
que les détails des objets qu'il avait a reproduire. Aussi, pas 
un seui de ses dessins n'a pu être admis a la publication 
qu'après avoir subi des corrections de ma part, et ces correc- 
tions s'élendant non-seulement sur les esquisses, maissurtous 
les délails de Texécution, je puis dire que les dessins linissaient 
par être mon propre ouvrage plulót que celui du dessinateur. 
et que leur retouche m'a pris plus de temps que la description 
des espèces qu'ils représentent. Tourmenté en outre par des 
soucis financiers et conjugaux, mon dessinateur était souvent, 
et pendant des semaines entières, incapable d'apporter une 
attention un peu suivie a son travail. Dans ces périodes assez 
fréquenles de découragement et de désespoir, il ne me restait 
qu'a le laisser faire et a reléguer ses productions incorrecles 
et inutiles parmi ma collection de dessins condamnés. J'ai 
conservé tous ces dessins, ainsi que ceux de mes auxiliaires 
autérieurs . afin qu'ils puissent témoigner. au besoin , de la ges- 



136 

tation longue et pénible qui a précédé la naissance de la parti e 
iconographique de 1" Atlas. 

Le refus doré, par lequel Ie gouvernement des Indes avait 
répondu a ma demande de faire paraitre sous son égide 1* Atlas 
projeté, ne m'avait nullemeut découragé. Je continuai a pré- 
parer Fexécution de mon plan. Jeune encore, je pouvais at- 
tendre et espérer avoir bientót des titres a la faveur de 1'au- 
torité, titres qui jusque-la m'avaienl fait défaut. Heureusenient, 
toutefois, je n'eus pas besoin de m'adresser une seconde fois 
au gouvernement. 

L'attention des naturalistes en Europc avait été éveillée par 
les nombreuses espèces nouvelles décrites dans mes publications 
ichthyologiques , surtout dans celles mises au jour après mon 
retour a Batavia. 

Plusieurs Musées , désireux de posséder de mes doubles , 
s'adressèrent a moi avec la prière de leur en ceder, et j'ai 
eu le plaisir de pouvoir offrir successivement des collections 
aux musées zoologiques de Paris, de Bonn, de Heidelberg, de 
Darmstadt, de Stuttgardt, de Munich, de Würzbourg, de 
Vienne, de Göttingue et de Copenhague. Le directeur du 
Musée d'Hisloire naturelle des Pays-Bas , i). J. Temminck , 
toujours soucieux d'enrichir sa célèbre création, me pria aussi 
de faire des collections de poissons pour rélaMissement^confié 
a ses soins; il ignorait que cinq ans auparavant j'en eusse déja 
fait Foffre, allant ainsi au-devant de ses désirs. En Péclairant 
sur ce point je déclarai en même temps que mes bonnes dis- 
positions pour le Musée de 1'Etat n'avaient riullement changé, 
que Téchec éprouvé en 1845 me défendait, il est vrai, de 
réitérer ma proposition, mais que je conlribuerais volontiers a 
enrichir les collections de Leidc, s'il pouvait enlrer dans les 
vues du gouvernement néerlandais de prendre Tinitiative. 

Et c'est ce qui arriva. Thorbecke, alors premier ministre, 
résolut, sur Tavis de Temminck, de donner au Gouverneur- 
général, M. Duymaer van Twist, avant son départ pour les 



137 

Indes, les instruetions suivantes: Ie gouvernement colonial re- 
viendrait sur la décision prise au sujet de mon offre de 1845; 
il m'inviterait a faire les eollections désirées par Ie Musée de 
1'Elat, et me ferait entendre qüe, par contre, je pourrais 
compter sur sou appui malériel dans la publication de 1'Atlas 
projeté. L'aifaire fut réglée sur ces bases en 1855. Aussilót 
après, je eommeneai mes envois pour Ie Musée nalional a Leide, 
auquel j'expédiai suecessivement plus de 16000 poissons indo- 
archipélagiques ; — mais de nouvelles dilïicultés surgirenl par 
rapport a la publication de 1'Atlas. 

La lithograplrie , aux Indes, était eneore dans 1'enfance. De 
chromolithographie il ne pouvait être question. Les progrès 
en matière d'art lilbograpbique avaient été, dcpuis 184o,lents 
et peu considërables. Aussi était-il absolument impossible d'y 
faire exécuter et publier uu ouvrage de la nature et de l'étendue 
de r Atlas, étendue estimée alors a plus du doublé de celle de 
révaluation antérieure. Et, füt-on parvenu a faire paraitreuu 
peu régulièrement les plancbes, on pouvait prévoir que 1'exé- 
cution en resterait trop au-dessous des exigences de la science. 

Il fallut donc bien me rêsoudre a différer la publication 
jusqira mon retour en Europe, mais il me manquait encore 
sept ans de service avant de pouvoir quitter définitivement les 
colonies sans sacritier ma pension de retraite. Et bien que ce 
temps put être utilisé a augmenter encore mes matériaux, il 
me paraissail trop long, d'autant plus que ma santé avail 
beaucoup souffert par des maladies graves et souvent répétées. 
Le gouvememenl s'étant montré si lavorable a mon entreprise, 
je crus qu'il ne reluserait pas de m'accorder un congé extra- 
ordinaire pour l'Europe, vu rimpossibilité de publier diguement 
1'Atlas aux Indes ; mais en ceci je me trompais, et la requète que 
je présentai, a relïet d'oblenir un congé sans préjudice de mes 
droits futurs, n'eut aucun succes. Je dois reconnaitre aussi 
que, étant de mon état médecin militaire, le gouvernement 
avait droit a mes services comme tel ; que ma position de na- 
luralish' mi d'icblbyologistc n'avail rien d'oflkiel , et que les 



158 

règlements défendaient peut-être de payer une solde a un of- 
ficier supérieur, grade que j'avais a ce moment-la, pour des 
travaux parement scientifiques, élrangers a son service médical. 

Ce fut donc seulement vers la fin de 1860 que je pus quitter 
les Indes, et com meneer enfin la publicalion d'un ouvrage pré- 
paré pendant une période de plus de dix-sept ans , y compris 
Fannée 1861 , absorbée en grande paitie par des voyages aux 
principaux musées de FEurope. 

La publicalion des premiers volumes n'éprouva que peu d'en- 
traves. Les vingt premières livraisons paruren t assez réguliè- 
rement. mais non s;ms difficultés. J'avais trouvé un édileur 
dans M. Frédéric Muller, d'Amsterdam, mais eet édileur n'avait 
a s'occuper que de recevoir les livraisons toutes prêles, de les 
dislribuer aux souscripteurs el de faire rentrer les fonds. Les 
feuilles de texte et les planches m'étaient envoyées direclement 
des imprimeries. La collalion en élait faile par moi-même, et. 
j'avais aussi a diriger 1'emballage et 1'expédilion a Fédileur. 
La correction et la collalion des planches me causaient beattcoup 
de désagrément. tant par suite de la négligence des graveurs 
que par suite du défaut de soins a 1'établissement lilhograpbi- 
que: je ne parvenais qu'avee peine a me faire délivrer les 
plancbes dans un état oii elles pusserit êlre presenteer aux 
souscripteurs. 

Les subsides accordés par Ie gouvernement pour subvenir 
aux frais de publicalion, étaient épuisés avec la vingtième 
livraison. Ces subsides avaient pour base une évaluation de 
Félendue de 1'ouvrage faite en 1853 , mais Ie nombre des espèces 
insulindiennes de mes collections s'élant considérablement accru 
depuis cette époque, il devint nécessaire d'élargir notablement 
les limites de 1'Atlas. 

En quiüarit Java j'avais une liste de plus de quatre-vingt 
souscriptions aux Indes, et j'espérais voir doubler ce chiffre 
en arrivant en Europe. Mais la publicalion du premier volume 
était a peine achevée. qu'il devint manifeste qu'il n'y avait 
pas a compter sur Flnde pour couvrir un peu les frais de 



150 

I'ouvrage. Le gouvernement eolonial avait commencé par facilitei 
1'expédition des envois aux Indes et par prêter son concours pour 
1'expédilion et la transmission des contribntions des souscrip- 
teurs. Mais le nouveau titulaire de ce gouvernement crut de- 
voir s'abslenir de toute coopéralion a ce sujet, ce qui équiva- 
lait a 1'anéanlissement de loutes les souscriplions. En présence 
de 1'état politiqae et social oü les Indes se trouvaient a celte 
époque, 1'édileur n'osa pas se charger lui-même d'expédier les 
livraisons aux ïndes el de faire renlrer les fonds , surlou! parce 
qu'il jugea impossible que ses eftorts pussent avoir un résultat 
financier su(fi>ant, tant pour I'ouvrage que pour lui-même. Les 
envois anx Indes furent donc suspendus, et par conséquent il 
n'y eut plus de recettes de ce cólé-la. Les souscriplions exlra- 
insulindiennes élaient aussi reslées au dessous de 1'évaluation et 
n'alteignaient pas même le chilfre de soixante-dix. Encore 
fallait-il ceder 30 pour cent des rentrees a 1'éditeur. Les 
reven us de I'ouvrage étaient donc réduits a une somme tres 
modique, qui ne permettait nullement de se passer dusubside 
accordé jusque-la. 

J'exposai alors 1'état financier de I'ouvrage au ministre des 
colonies (J. D. Fransen van de Putte), avec la proposition 
d'allouer un nouveau stibside pour dix livraisons. Le ministre, 
toulefois, fit des difficullés. L'administration des tinances des 
rossessions d'oulre-mer, autrefois confiée au seui gouvernement 
eolonial, avait fini par être mise sous le controle des Etats- 
Généraux, et le ministre des colonies n'élait plus libre de dis- 
poser des fonds du trésor, sans 1'approbalion de la représentation 
nationale. Or, le ministre Fransen van de Putte refusa de 
demander un nouveau subside aux Ohambres, craignant que 
la représentation ne fut (ias disposée a 1'accorder et ne jugeat 
que les finances de 1'Etat avaient été déja assez chargées par 
la première subvenlion. 

La suite inévitable de ce refus était une suspension tem- 
poraire de la publication. Reduit a mes propres ressources , je 
ne pouvais plus avancer que très-lentement. 



140 

Vinrent encore de nouvelles difficultés relatives a l'exécution 
lithographique. Le lithographe qui avait imprimé les viftgt 
premières livraisons ayant liquide ses affaires, il fallut en cher 
eher un autre. Je croyais avoir réussi en contractant avec le 
directeur de la Lithographie royale néerlandaise , a la Haye , 
mais je fus bientöt désillusionné. Les épreuves des planches 
provenant de eet établissement étaient si médiocres, que je fus 
obligé d'en rejeler plusieurs, et je ne réussis a faire publier 
la 21e livraison qu'après plus de deux ans de litige et d'at- 
tente. Je ne fus pas beaucoup plus heureux en ce qui coti- 
cernc les planches de la 22e livraison , pour l'exécution de la- 
quelle j'avais passé un contrat avec un établissement renonimé 
de Harlem. Je n'avais pas trop a me plaindre du travail litho- 
graphique, mais je ne pus réussir a faire prolonger le contrat 
pour les livraisons suivanles , les conditions exigées élant trop 
onéreuses. Je m'adressai alors a un des meilleurs élablissements 
de Leide. Les planches de quatre livraisons sortirent de cel 
atelier, mais non pas saus quatre années de dilïieullés pour 
obtenir les épreuves, difficultés qui linirent par rendre néces- 
saire le recours a un autre entrepreneur. 
. Je trouvai mon cinquième lithographe a Amsterdam , mais 
j'élais tombe de Charybde en Scylla , et je dus me contenter 
de tirer de cette source cinq planches de la 27e livraison. Biefl 
que recommandé par mon éditeur , eet établissement n'était pas 
du lout organisé pour l'exécution d'un ouvrage de la nature de 
r Atlas ichthyologique. 

J'arrivai donc a un sixième établissement lithographique, celui 
de MM. Emrik et Binger, a Harlem. Une partie des planches 
de la 27e livraison et celles des livraisons suivantes sont Toeuvre 
des artistes de Harlem , et , eu égard a la modicilé des ressour- 
ces disponibles pour la publication de 1' Atlas, je n'ai eu, en 
général, qu'a me louer de rexécution de la plupart de ces 
planches. 

Je dois noter ici que les dilTicultés éprouvées par rapport 
a l'exécution irréprochable et reguliere «les planches n'avait pas 



141 

sa soarce fondaraentale dans Ie mauvais vouloir ou t'indifférem < 
des chefs des élablissemenls lühographiques , maw dans les 
moyens bornés «lont je pouvais disposer ét qui ne permetlaienl 
pas de trop élever les frais du travail. Aussi, pendant Ie 
cours de la publiealion , les contrals successifs »e manquèrent 
pas de devenir de plus en plus onéreux , sans même qu'il en 
resul lat une exéculion plus splendide. 

La démission du minislre que j'ai nommé plus haut me iit 
espérer que je pourrais trouver chez ses successeurs de meil- 
leures dispositions pour mon ouvrage , et en cela , heureuse- 
ment, je ne me suis pas trompé. Le minislre des colonies 
Hasselman n'hésita pas a porter un nouveau subside sur son 
budget, et la représentation nationale n'y fit aucune objection. 
Je pus donc recommencer a activer la marebe de 1'ouvrage, 
dont la position pecuniaire était désormais assurée pour les 
(rente livraisons qui, d'après le prospectus primitif, devaient 
composer le total de 1' Atlas. 

Mais dès lors j'entrevis que 1'évalualion de ce prospectus 
avait èié trop basse et que, pour completer 1'ouvrage, il fau- 
drait au moins une dizaine de livraisons de plus. Les dessins 
nouveaux, pris souvent sur des individus d'une taille plus dé- 
veloppée, exigeaient un nombre de planches beaucoup plus con- 
sidérable que ne Pavaient fait supposer les dessins antérieurs 
mis au rebut, et de beaucoup d'espèces aussi il m'avait paru 
désirable de donner des figures d'individus d'age différent. 

En 1875, avant la publication de la trentième livraison , je 
crus devoir exposer 1'état des choses au gouvernement colonial. 
Le Baron van Goltstein , alors ministre , n'hésita pas a déclarer 
que l'Atlas, déja si avance, ne pouvait rester inachevé. II 
porta en conséquence a son budget la somme jugée nécessaire 
pour couvrir le deficit sur les livraisons ultérieures , dont le 
nombre fut évalué a une quinzaine , et les Chambres n'y ayant 
mis aucun obstacle , je pus continuer régulièrement la publica- 
tion de 1'ouvrage. 

Pour ceux qui connaissent ou connaitront 1' Alias Ichthyolo- 



142 

gique, il n'esi pas superflu de savoir que Ie texte n'a pu ren- 
fermer, en général, que des descriptions diagnostiques assez 
détaiilées, des résumés diagnostiques des espèces et des genres, 
des remarques succincles éclaircissant, les descriptions, et des 
apercus de la distribulion géographique. Le plan primilifétait 
beaucoup plus élendu et semblable a celui que j'avais suivi 
dans les deux volumes publiés a Batavia, sous le tilre de »Ich- 
tbyologiae Indiae archipelagicae Prodromus", et trailant des 
Silures el des Cyprins. Mais, si j'avais voulu appliquer avec 
conséquence ce plan a 1'Allas, 1'ouvrage aurait pris des propor- 
tions incornpalibles avec les ressources dont je disposais. — 
L'Atlas n'esi, pour ainsi dire, que la quintessence de mes nom- 
breux mémoires sur 1'icblbyologie insulindienne. 

Je tiens aussi a ne pas laisser ignorer que c'est 1'ouvrage 
d'un amateur el non celui d'un naluralisle de profession ; qu'il 
fut concu par un jeune médecin militaire, sans rang ni for- 
tune, mais chargé d'un service qui ne laissait que peu de loisirs 
pour des recherches zoologiques. Je tiens encore a dire que 
1'auteur n'avait pas seulement a créer 1'ouvrage même, mais 
aussi lous les malériaux: il commenca la lache saus bibliolbèque 
ni musée publics qui pussenl 1'aider dans ses invesligations; il 
avail a former sa propre bibliolhèque icblhyologique et a se 
faire un musée a lui, et il se Irouvait donc dans une posilion 
tres désavantageuse comparée a cellft dont peuvenf se réjouir 
les naluralisles qui disposenl des immenses ressources des grands 
cenlres scienlifiques du monde civilisé. Je tiens, enfin, a ce 
qu'on sache que, pendant les dix-buit ans passés aux Indes, 
j'eus a lutter ('onlinuellement avec les conséquences de la ma- 
nipulation de coliections tres souvent a demi putréfiées et donl 
Faction intoxicatrice se manifestait , au moins deux ou trois fois 
par an , par des fièvres typhoïdes ou pulrides , qui m'interdisaient, 
pendant des semaines, tout travail scientifique. D'aiüeurs. . . . 



L IJ S T 

VAN 

OPENBAAK GEMAAKTE GESCHRIFTEN, 

DOOR 

P. BLEEK ER. 

Chronologische opsomming der werken en artikels over 
verschillende lakken van kennis (Ichlhyologie 

uitgesloten). 

Bijdrage tol de geneeskundige topographie van Batavia. 1844 — 

1846. Natuur- en Geneesk. Archief Ned. Ind. 1844-1846; 

Tijdscbr. Ned. Ind. Jaarg. 1844 — 1846. 
Overzigl der literatuur over de Natuurlijke geschiedenis van 

Neêrlandsch Indië. Nat. Gen. Arch. Ned. Ind. 1844. — Suppl. 

Ihid. 1844, 1845 , 1846. 
Iets over koolzuurhoudende bronnen op de landen Tjitayam en 

Sawangan. Nat. Gen. Arch. Ned. Ind. 1844. 
Warme bronnen en bad-etablissement te Selocaton (Planloenang). 

Nat. Gen. Arch. 1844. 
Mineraalwater van Gebangan. Nat. Gen. Arch. 1844. 
Bijdrage tol de kennis der genees- en artsenijmengkunde onder 

de Chinezen in het algemeen en onder die te Balavia in het 

bijzonder. Nat. Gen. Arch. 1844. 
Fragmenten voor eene geneeskundige statistiek van het leger 

in Neêrlandsch Oosl-lndië. Nat. Gen. Arch. 1845—1846. 
Brieven over Java. Tijdschr. van Neêrlandsch Indië. Jaarg. 1845. 

I — III. 



144 

Bezoek van den Tankoeban-prahoe na de eruptie van den 

27slen Mei 1846. Tijdsein'. Ned. Ind. Jaarg. 1846. II. 
Bijdragen tot de statistiek der bevolking van Java. Tijdsein*. 

Ned. Ind. Jaarg. IX. 1847. 
Iets over de geologische verhouding tusschen Java en Madura. 

T. Ned. Ind. Jaarg. IX. 1847. 
Bijdrage tot de kennis van het eiland Madura Ind. Archief 1849. 
Bijdrage tot de geneeskundige topographie van Willem I. 

Tijdschr. Vereen, t. hevord. d. Geneesk. wetensch. in Ned. 

Ind. Jaarg. I. 1852 (uit een verslag van het jaar 1849). 
De dysenterie van een pathologisch, anatomisch en practisch 

standpunt beschouwd. Batavia Lange & C°. 1849 (vertaald 

in het Engelsen en Fransch). 
Bijdrage tot de kennis van de statistiek der bevolking van de 

eilanden Banka en Billiton. Ind. Arch. en Tijdschr. Ned. 

Ind. Jaarg. 1850. II. 
Fragmenten eener reis over Java. Tijdschr. Ned. Ind. Jaarg. 

1849, 1850. 

Algemeene staat der inlandsche bevolking van Java , over de 
jaren 1845, 1846, 1847 en 1848. Tijdschr. Ned. Ind. Jaarg. 

1850. II. 

De Tankoeban Bralioe in October 1850. Nat. Tijdschr. Ned. 
Ind. I. 1850. 

Iels over den kop van Crocodilus (Gavialis) Schlegeli. Nat. T. 
N. Ind. I. 1850. 

Levensberigt van J. van Heymngen. Nat. T. N. Ind. I. 1850. 

Afmetingen van schedels van inboorlingen van Java, Snmatra, 
Nias, Borneo, Celebes. de Moluksche eilanden en Nieuw- 
Guinea. Nat. T. Ned. Ind. II. 1851. 

Algemeen verslag van de werkzaamheden der Natuurkundige 
Vereeniging in Nederlandsch Indië, (voorgelezen in de alge- 
meene vergadering gehouden den 20sten Februarij 1851). 
Nat. T. Ned. Ind. II. 1851. 

Levensberigt van Dr. C. A. L. M. Schwaner. Ibid. II. 1851. 

Pe arragonietheuvels van Koeripon. Ibid. III. 1852. 






Algemeen verslag dn werkzaamheden \an de Natuurkundige 

Vereeniging in Nederlandsril Indië oy,er het jaar l«5l. Uud. 

III. 18-i J 2. 
Levensberigl van .Mr. 1). W J. 0. Baron yaa Lunden. Ilml 

III. 1852. 
Verslag der werkzaamheden van het Bataviaasch Genootschap 

van kunsten en wetenschappen . van Sepl. 1850 tot April 

1852. Verh. Bal, Genooisch. v. kunst, en welensch. 1)1. 

XXIV. 1852. 
Algemeen verslag der werkzaamheden van de Natuurkundige 

Vereeniging in Nederlandsen Indië in 1852. Nat. ï. Ned. 

Ind, IV. 1853. 
Overzigt der geschiedenis van het Bataviaascli Genootschap van 

kunsten en wetenschappen van 1778 — 1855. — Verh. Bat. 

Gen. XXV. 1855. 
Overzigt der geschiedenis van de Bataviasche tentoonstelling 

van produkten der natuur en industrie van den Indischcn 

Archipel. Nat. T. Ned. Ind. V. 1853. 
Algemeen verslag der werkzaamheden van de Natuurkundige 

Vereeniging van Nederlandsch Indië , voorgelezen in de alge- 

meene vergadering van het jaar 1854. lhid. VI. 1854. 
Algemeen verslag der werkzaamheden van de Natuurkundige 

Vereeniging in Nederlandsch Indië , voorgelezen in de alge- 

meene vergadering van het jaar 1855. Ihid. IX. 1855. 
Polypedates Junghuhni , eene nieuwe javasche soort van de 

familie der hoomkikvorschen. Ibid. XI. 1856. 
Algemeen verslag der werkzaamheden van de Natuurkundige 

Vereeniging in Nederlandsch Indië in 1856. Ihid. XI. 1856. 
Reis door de Minahassa en den Molukschen Archipel gedaan 

in de maanden September en üctoher 1855 in het gevolg 

van den gouverneur generaal Mr. A. J, Duymaer van Twist. 

Batavia Lange k Co°. 2 Dln. gr. 8°. 
Recherches sur les Crustacés de 1'Inde Archipélagique. I. Sur 

les Décapodes oxyrhinques. II. Sur les Isopodes cymotboadiens. 

Act. Soc. scient. Ind. Neerl. ü. 1857. 

10 



146 

Berigt omtrent eenige reptiliën van Sumatra, Borneo, Batjan 

en Boero. Nat. T. Netl. Ind. XIII 1857. 
Algemeen verslag der werkzaamheden' van de Natuurkundige 

Vereeniging in Nederlandsen Indië, voorgelezen in de 7<ïe 

algemeeue vergadering, gehouden den 12den Fehniarij 1857. 

ïbid. XIII.' 1857. 
Over eenige reptiliën van Celebes. Ihid. XIV. 1857 
Over eenige reptiliën van het eiland Banka. Ihid. XIV. 1857 
Opsomming der soorten van reptiliën tot dusverre van het 

eiland Java hekend geworden. Ihid. XIV. 1857 
Slangen uit de omstreken van Nijrowe, aangeboden door 1). 

C, Noordzick. Ihid. XIV. 
Opsomming der tot dusverre van het eiland Sumatra bekend 

geworden reptiliën Ibid . XV. 1858. 
Reptiliën van Bintang, aangeboden door E. F. Meijer. Ihid 

XVI. 1858—1859, 
Reptiliën van Agam, aangeboden door E. W. A. Ludekcng 

Ibid. XVI. 
Hemidactylus plalurus Ibid XVI. 
Reptiliën van Borneo, aangeboden door J. II A. B. Sonne- 

mann Rebentisch. Ibid. XVI. 
Tarsius spectrum en slangen van Koetei, aangeboden door J 

Wolff. Ibid. XVI. 
Reptiliën en visschen van Bintang, aangeboden door E Net- 

scher, E. F. Meijer en H. Raat. Ibid. XVI. 
Reptiliën en visschen van Banjoewangi en Buitenzorg, aange- 
boden door H. Zollinger. Ibid. XVI. 
Aypisurus margaritophorus Blkr. Ibid. XVI. 
Algemeen verslag der werkzaambeden van de Natuurkundige 

Vereeniging in Nederlandscb Indië, voorgelezen in de 8ste 

Algemeene Vergadering gebouden den 22sten Februarij 1858 

Ibid XVI 
Reptiliën van Borneo, aangeboden door J. H. A. B. Sonnemann 

Rebentisch, Ibid. XVI. 



147 

Reptiliën en visscheu van Monttado, aangQliQ^l^n dpor G .1 

Pjlet. Ibid. XVI 
Reptiliën van Japan, f bid . XVI. 

Slangen van Koelei. aangejboden door .1 Wolff . [bid., XVI. 
Reptiliën van Hengalen, aangeboden door Th. Ca.nton. Ibid. XVI. 
Slangen van Buitenzorg , aangeboden door \V. Kook. Ibid. XVI. 
Reptiliën en visscben van Baljan, aangeboden door .1. G. F. 

Berneloï Afcwifs. Ibid. XVI. 
Keptiliën van Ambarawa, aangeboden door C. A. M. AI. van 

Ellenrieder. Ibid. XVI. 
Slangen van Fort de Koek, aangeboden door E. \Y. A. Lude- 

kino. Ibid. XVI. 
Gonyosoma Janseni Blkr., eene nieuwe slang van Menado. 

Ibid. XVI. 
Keptiliën enz. van Biliton, aangeboden door A. Hendriks. Ibid. 

XVI. 
Keptiliën en visscben van Bali , aangeboden door l\ L van 

Bloemen Waanders. Ibid. XVI. 
Keptiliën van Wonosobo in Midden-Java , aangeboden door J. 

W. E. Arndt. Ibid. XVI. 
Reptiliën van Oost-Java, aangeboden door J. G. H. Broekmeijer 

en J. Hageman. Ibid. XVI. 
Keptiliën van Midden-Java en Menado, aangeboden door J. W. 

E. Arndt. Ibid. XVI. 
Schildpadden van Banka, aangeboden door F. IJ. Deissner. 

Ibid. XVI. 
Keptiliën van Fort de Koek. verzameld door E. W. A. Luoe- 

king. Ibid. XVI. 
Verslag omtrent reptiliën van Nieuw Guinea , aangeboden door 

H. von Rozenberg. Ibid. XVI. 
Keptiliën van Amboina, aangeboden door H. von Rozenherg. 

Ibid. XVI. 
Reptiliën en visscben van Anjer, aangeboden door J. (\. i\ 

Bernelot Moens. Ibid. XVJ. 



148 

Verslag van reptiliën en visschen van Westelijk Bomen, aan- 
geboden door J. H. A. B. Sonnemann Bebentisch. Ibid. XVI. 

Algemeen verslag der werkzaamheden van de Natuurkundige 
Vereeniging in Nederlandsch Indië, voorgelezen in de 9 e Al- 
gemeene Vergadering gehouden den 24 s,,;n Fehruarij 1859. 
Ibid. XX. 1859—1860. 

Over vischsoorten en reptiliën van Bintang en Ivak, aangebo- 
den door E. F. Meijer. Ibid. XX. 

Reptiliën van Sintang, verzameld door A. H. Thepas. Ibid. XX 

Vischsoorten en Pieptiliën van Bali, verzameld door P. L. van 
Bloemen Waanders. Ibid. XX. 

Reptiliën en visschen van Tandjong aan de Samangkabaai , ver- 
zameld door C. F. W. Hünnius. Ibid. XX. 

Slangen en visschen uit de omstreken van Anjer en uit hel 
Meer Dano, verzameld door J. G. T. Bernelot Moens. Ibid. XX. 

Reptiliën van Agam , aangeboden door E. W. A. Ludekinc. 
Ibid. XX. 

Reptiliën en visschen van Bonthain , aangeboden door J. L. de 
Jeeger. Ibid. XX. 

Slangen van Anjer, aangeboden door J. C. T. Bernelot Moéns. 
Ibid. XX. 

Over eenige nieuwe soorten van Zeeveders of Pennatulina (Po- 
lypi natantes) van den Indischen Archipel. Ibid. XX. 

Slangen van Rau (Sumatra's Westkust) aangeboden door J. A. 
James. Ibid. XX. 

Reptiliën van Bankalis, aangeboden door J. J. W. E. van 
Riemsdijk. Ibid. XX. 

Pareas Waandersi, de zoogenaamde vliegende slang van Bali. 
Ibid. XX. 

Over de reptiliën-fauna van Sumatra. Ibid. XXI. 1860. 

Reptiliën van Buitenzorg. XXI. 

Soorten van Reptiliën van het eiland Banka , aangeboden door 
C. W. F. Mogk. Ibid. XXI. 

Reptiliën van Ampat Lawang, aangeboden door H. J. Alken. 
Ibid. XXI. 



149 

Reptiliën van Japara , aangeboden door H. Kaai. lbid. XXI. 
Algemeen verslag der werkzaamheden van de Natuurkundige 

Vereeniging in Nederlandsen Indië, voorgelezen in de 10 c,e AI- 

gemeene Vergadering, gehouden den 14 dcn Februarij 1860» 

ïbid. XXI. 
Ueptiliën van Sumatra's Westkust , aangeboden door E. W. 

A. Lüdeking. Ibid. XXI. 
Over de reptiliën-fauna van Ceram. Ibid. XXII. 1860. 
Over de reptiliën-fauna van Amboina. Ibid. XXII. 
Reptiliën van Makassar, aangeboden door J. R A. Bauek. 

Ibid. XXII 
Keptiliën van Boni , aangeboden door J . J . va> Bloemen 

Waanders. Ibid. XXII 
Thans bekende reptiliën van Celebes. XX11. 
Keptiliën ujt de omstreken van Gombong, aangeboden door 

F. H. Deissner. Ibid. XXII. 
Reptiliën van het eiland Timor, aangeboden door G. Wasslmk. 

Ibid. XXII 
Thans bekende reptiliën van Timor. Ibid. XXII. 
Keptiliën van Banka, aangeboden door C. VV. F. Mogk. 

Ibid. XXII. 
Reptiliën uit de omstreken van Fort de Koek , aangeboden door 

E W. A. Ludekiing. Ibid. XXII 
Het partikulier landbezit op Java. Gids. Jaarg. XXVll. 1863. 
Een woord aan den lezer. Tijdsohr. Ned. Ind. Nieuwe Serie, 

1863. I. 
l)e Molukken en Menado in 1860 en 1861. Ibid . 1863. I. 
De invoering der volkszijdeteelt in Nederlandsen Indië lbid 

1863. I. 
Nederlandsen Indië en de Volksvertegenwoordiging I — V. lbid. 

1875. I, II, 1864. 
Het Koninklijk Instituut voor de Indisehe taal-, land- en 

Volkenkunde, lbid. 1865. I. 
Het onderwijs in het Maleisen en Javaanseh te litreeht. Ibid. 

1863. I. 



150 

Razzia's in Nederlandsen Indië. [bid. 1865. I 
Aankondigingen en beschouwingen op het gebied der koloniale 
letterkunde. Ibid. 1865. I 

1. Parlementaire redevoeringen over koloniale belangen % 

van W. R. van Hoevell. 
%. Hinderpalen die vrijwilligen arbeid en vrije kultunr 
op Java in den weg staan , van H. A. F. de Vogel. 

5. Redevoeringen en adviezen , van Mr. Wintgem 

4. Het herstel van het Nederlandsen gezag op Java . 

van J. H J Hoek. 
H. Beschouwingen over partikuliere industrie , van J 

J. Hasselman 

6. De Ned .0.1 bezittingen onder van der Capellen , 
van J. A. Spengler. 

7. Tijdschrift voor Nijverheid en Landbouw in Ned 
ïnd. Dl. 7 en 8. 

8. Geographie van Ned. Indië. van J Pijnappel 

9. De wording van het kultuurstelsel . ven Bartholo 
10. Over de drukpers in Ned Indië, van J. J. A. Schill. 

Overzigt der Litteratuur over Nederlandsen ïndië van het jaar 

1862. Ibid. 1865. I 
Individueel grondbezit in de residentie (Iheribon. Ibid. 1865. I. 
Wetenschappelijke werkzaamheid in Nederlandsch Indië. Ibid 

1865 I. 
Kofïij van Java en van Ceylon , een wenk in cijfers. Ibid 

1865. I 
Statistisch-oeconomische onderzoekingen en beschouwingen op 

koloniaal gebied. 

1. Over de bevolkingstoename op Java. Ibid. 1865. I. 
Levensberigt van J. J. Altheer. Ibid. 1865 I 
Jaarlijksche overzigten van wetenschappelijke vorriglingcn op 

Nederlandsch-Indisch gebied. Ibid. 1865 I 
Oudheidkundig onderzoek op Java Ibid 1865. I 
Een nieuw gebouw voor een Museum in Nederlandsen Indië. 

Ibid. 1865. I. 



11H 

Over de strekking van dit Tijdschrift onder de nieuwe redactie. 

Ibid. 1863. I. 
De verliepen der wetenschap in Nederlandsen Indië. Dood van 

P. Diard en J. G. F. Brumuind. Ibid. 1865. I 
De oflicièele suikerrapporten over het individueel grondbezit op 

Java. Ibid. 1863. 1. 
De statistische opname der residentie Gheribon. Ibid. 1863. II. 
Bijdrage tot de geschiedenis en kennis van Nederlandsen Indië 

in het jaar 1807. Ibid. 1863. 11. 
De hervorming der Molukken. Ibid. 1863. II. 1864. 
Aankondigingen en beschouwingen op het gebied der koloniale 

letterkunde. Ibid. 1865. II. 

1. Art. 56 van het regiem, op bet beleid der reger. van 
N. I. van A. J. Duymaer van Twist. 

2. Tijdschrift voor lnd. taal-, land- en volkenkunde. Dl. 
XI, XII. 

3. Natuurkundig Tijdschrift voor Ned. Indië. Dl. XXIV, 
XXV 

4. Geneeskundig Tijdschrift voor Ned. Ind. Dl. IX, X. 

i>. Boegineesch heldendicht op den eersten Bonischen veld- 
logt, vert. door B. F. Matthes. 

6. Het ontstaan van het rijk van Wadjo enz. vert. door 
B. F. Matthes. 

7. Bijdragen tot de geschiedenis. Ünderh. met Engeland 
1820—1824, van Elout. 

8. Handleiding voor bouwkunde in Ned. Ind , door La- 
kerveld en Brocx. 

9. Verslag werkzaamh. Balaviaasch Genootsch. van 27 
Maart 1865. 

10. Algemeen verslag Schoolwezen in Ned. Indië onder 
ultimo 1861. 

11. Het gaslicht toegelicht, door R. .1. L. Weyheinke en 
.1 M . Roskopf 

12. Koloniale Jaarboeken. Jaarg. I, II. 

15. Het dwang- en monopoliestelsel , door VV. va> Frehn. 



152 

14. Een vlugtige blik op Java enz., door R. W. Bake. 

15. Essai d'une iaune entomologique de 1'Arch. Ind. 
Néerl., door Snellen van Vollenhoven. 

Het regeringsreglement thans het stelsel der konservatieven , 

Ibid. 1865. II 
Ambtelijke stemmen over «vrijwillige arbeid" op Java. Ibid. 

1863. II. 

Iets over het mijnwezen in Nederlandsen Indië. Ibid. 1865, II 

Een koloniaal hervormer. Ibid. 1863. II. 

Beschaving der inlandsche bevolkingen in Nederlandsen Indië. 

Ibid. 1865. II. 
De zeeroof in den Indischen Archipel. Ibid. 1865. II. 
Levensberigt van VV. C. van Braam. Ibid. 1865. II. 
De tinexploitatie op de Karimon-eilanden . Ibid. 1865. II. 
De aftreding van den heer Lion als hoofdredacteur van het 

Bataviaasch Handelsblad. Ibid. 1865 II. 
Statistisch-oeconomische beschouwingen op koloniaal gebied. 

II. Over de digtheid der bevolking van Java. Ibid. 1865. II. 
Suikerfabrieken op Java in kontrakt met het gouvernement in 

1865. Ibid. 1865. II. 
Ondernemingen van ontginning van woeste gronden op Java. 

Ibid 1865. II. 
Het onderwijs der inlandsche bevolkingen. Ibid. 1865. II. 
Een slem uit Indië. Ibid. 1863 II. 
Nieuwe stemmen uit Indië. Ibid. 1865 II. 
De beoefening der geologie van Nederlandsen Indië Ibid 

1865. II. 
Een woord aan den lezer. Ibid. 1864. I. 
De Nederlandsch-Indische handelsvloot in 1845 en 1863. Ibid. 

1864. 1 

Nederlandsen Indië in de volksvertegen woordig ing VI. Ibid. 

1864. I. 
De suikerproduktie op Java, Mauritius en Cuba, een nieuwe 

wenk in cijfers. Ibid 1864. I. 
Een Engelsche Courant in Nederlandsen Indië. Ibid. 1864. I. 



155 

De opheffing van de gedwongen nagelkultuur en van het na- 
gelmonopolie, lbid. 1864 I. 

Aankondigingen en beschouwingen op het gebied der koloniale 
letterkunde lbid. 1864. I— II. 

1. Het inlandsen schoolwezen en de evangelisatie in N- 
Indië, door Bartholo. 

2. De evangelische zending in Oost-Java , door J E . 

HARTHOORiN 

5. De evangelische zending op Oost-Java. door H O. 
Voorhoeve . 

4. Java, Eene voorlezing door H. Capadose. 

5. Dertigste jaarlijksch verslag van het Parap, Weezen- 
gesticht 

6. De munten van Nederlandsen lndië beschreven en af- 
gebeeld door Netsgher en v. u. Chys. 

7. Herinneringen aan Ned. Indië uit de jaren 1857 — 52. 

8. Handboek v. d. Landbouw in Ned Indië, door W. 
L. de Stürler. 

9. Sur la culture du Quinquina a Java , par M. Rochussen, 
De Reactie en de vrije en gedwongen tabakskulluur in Rcin- 

bang lbid. 1864. I. 
Een monument te Martapoera lbid 1864. 1. 
De kunstmatige bevordering van den groei en de vruchtbaarheid 

van tropische gewassen lbid 1864. I. 
överzigt der literatuur over Nederlandsen lndië van het jaar 

1863 lbid. 1864. I 
De ongelijkmatige werking van de helling der landrente op 

Java lbid. 1864 ï 
Nieuw berigt omtrent het slagen der ailanthine-tcclt in tropi- 
sche gewesten. T. Ned. Ind. 1864. 1. 
Kan de wetenschap niet bloeien in een tropisch klimaat? T. 

Ned. Ind. 1864. I. 
Het staatsexamen en het middelbaar onderwijs in Ncderl. Indië. 

ï. Ned. Ind. 1864. I 



184 

Is zorg voor de beschaving der inlandsche bevolkingen van 

Nedorlandsch lndië staatsplicht ? T. Ned. Ind 1864. II. 
Onze ambtenaren op de bnitenbezittingen T Ned Ind 

1864. II 
De kofïijprodnktie van Java vergeleken inet die van Ceylon. 

T. N. Ind 1864 ü. 
Aankondigingen en beschouwingen op hel gebied der koloniale 

letterkunde. Tijdscbr. Ned Ind. 1864. II.' 

1. Open brieven betreffende onze Indische belangen, door 
A. Elink Sterk. 

2. Oude grieven en nieuwe bewijzen ten aanzien van de 
evangelische zending, door S. E. Harthoorn. 

3. De regeeringsbeginselen van Nederlandsen lndië getoetst 
aan de behoefte van moederland en kolonie, door E. 
Fbancis. 

4. Catalogus der Bibliotheek van hel Indisch Genootschap. 

5. Koloniale Jaarboeken . 

6. Jaarboekje Celebes 1864. 

7. Een-en-lwintig jaren in de Oost, door J. A. C. Waitz. 

8. Beschouwingen over Java. door J J. Hasselman 

9. Natuurkundig Tijdschrift voor Ned. Ind. Dl. XXVI. 

10. Tijdschrift voor Indische taal-, land- en volkenkunde. 
Dl XIII. 

11. Bijdragen tot de taal-, land- en volkenkunde van Ned. 
Ind Dl. I— IV 

12. Indisch Tijdschrift onder redactie van T. J. Grashuis. 
1864. 

15. Herinneringen uit de loopbaan van een Indisch officier, 

door W . A . van Rees 
14. Nederlandsen lndië en het ministerie Thorbecke, door 
Mr. A. F. Jongstra. 
Denkbeelden van den Javaan omtrent het recht van eigendom 
op den grond, volgens den stichter van het kultuurstelsel 
T. Nen Ind. 1864. II. 



15i> 

Een bewijs dat de Javaan geen vrijen wil kan hebben en zon- 
der oordeel des ondersdieids handelt. T. Ned. Ind. 1864.11 
Nog iets over de handelsvloot van Java. T. Ned. Ind. 1864. II. 
Uitbreiding van het onderwijs van Staatswege onder de inland- 
sche bevolkingen in Nederlandsen Indië. T. Ned. Ind. 1864. II. 
Het aanleeren van hel Nederduitsch door de inlanders van gou- 

vernementswege bevorderd T Ned Ind. 1864 II 
Iets over de toename der Enropeesche bevolking op Java. T 

Ned Ind 1864 II 
Over de vroegere belastingen in geld op Java . T . Ned . Ind . 

1864 II 
Een inspecteur van het inlandsen onderwijs in Nederlandsch 

Indië. T. Ned Ind 1864 II. 
Het internationaal kongres over het koloniaal stelsel. T. Ned. 

Ind 1864 II 
Iets over de toeneming der fihineesche bevolking op Java. Tijds. 

Ned. Ind. 1864. II. 
Publiciteit van statistische bijzonderheden omtrent Nederlandsch 

Indië. Tijdschr v Ned. Ind. 1864. II. 
Bevolking van Java en Madura op het einde van 1861. T. 

Ned Ind. 1864. II 
De Regering en de koninklijke Natuurkundige Vereenigiug in 

Nederlandsch Indië. T. Ned. Ind. 1864. II. 
De besluiten tot verbanning en interneenng in Nederlandsch 

Indië. T. Ned Ind. 1864. II 
Aankondigingen en beschouwingen op het gebied der koloniale 
letterkunde. T Ned. Ind. 1865. I. 

1. Beschouwingen over de regeling van de bevordering, 
het ontslag, enz. der europeeschc officieren van de 
Ned. Ind. Landmacht. 
ï Handleiding voor bouwkundigen enz. in Ned Indië, 

door van Lakervelp k Broek. 
5. Neu-Guinee und seine Bewohner . von O. Firsch. 
4. Verslag vcrriglingen Bataviaasch Genootschap 1865, 
8. Koloniale Jaarboeken. Jaarg. IV. 



6. Tijdschr. Ind. taal-, land- en volkenk. Dl. XIV. 

7. Natuurk. Tijdschr. Ned. Ind. Dl XXVII. 

8. Geschiedkundig overzicht v. h. handelstelsel in Ned 
Indië, door J. H. M. Mollerus 

9. Tijdschrift voor Nijverheid en Landbouw in Ned 
lndië. Dl. IX. 

10. Geneeskundig Tijdschrift v. Ned. Ind. Dl. XI. 
Grondeigendom en heeredienstplichtigheid . T. Ned. Ind 

1865. I. 
Het heulsap-vraagstuk op Java. T. Ned. Ind. 1865. I. 
Levensbericht van Dr. G. Wassink. T. Ned. Ind. 1865. I. 
De alarmkreten der reactie over Nederlandsen Indië. T. Ned. 

Ind. 1865. I. 
Belemmering der partikuliere kulluurondernemingen op Java. 

T. Ned. Ind. 1865 1 
Het onderwijs in de land- en volkenkunde van Nederlandsch 

lndië. T. Ned. Ind. 1865. I. 
Overzicht der litteratuur over Nederlandsch lndië van het jaar 

1864. T. Ned. Ind 1865. 1 

Brief over het onderwijs onder de. inlanders op Java. Algeui. 
Vergad. Indisch Genootschap. 5 Maart 1865. T Ned. Ind 

1865. I 

Iets over de partikuliere landerijen van Java. T. Ned Ind 

1865. II 
Wat de Javaan van de koffijkulluur geniet. T. Ned Ind 

1865 II 
Bevolking van Java en 3Iadura op het einde van 1862. T. 

Ned. Ind. 1865 II 
De ontworpen West-Java kolhjkultuur-maatsehappij . T Ned. 

Ind 1865. II. 
Over de dichtheid der bevolking van Java op het einde van 

1862, T. Ned. Ind. 1865. II. 
Een nieuwe uitspraak over onze koloniale staatkunde on övef 

het kultuurstelsel. T Ned Ind. 1865. II. 



157 

IVlroleuni-ontgïnning in Nederlandsch Indië cii in hel hij/umin 

Op Java T. Néd». Ind. 1 8Go I). 
Het koffijmonopotóje in hél rijk van Boni. T. Ned. Ind. 1865/11. 
Ons koloniaal stelsel en de Nederlandscli-lndisclie Katoen 

maatschappij . T. Ned. Ind. 1866. I. 
Iets over het eiland Bawean . T. Ned. Ind. 1866. I. 
Het bestuur over Nederlandsch Indië van den Kommissaris- 

Generaal Du Bus de Gisignie. ï. Ned. Ind 1866. I. 
Bevolking van Java en Madura op het einde van 1863. T. 

Ned. Ind. 1866. I. 
Verlies van nienschenlevens (4) Java door ongelukken. T. 

Ned. Ind. 1866 I, 1867, II. 
He gedwongen kofïijkultuur in de Mïnahassa. T. Ned. Ind. 

1866. I. 
Over het aantal dessa's en kampongs op Java en Madura T. 

Ned. Ind. 1866. 1. 
Nog iets over de verbrokkeling van het grondbezit op Java. 

T. Ned. Ind. 1866. I. 
De bevolkingsdichtheid van Java en Madura op het einde van 

1863. ï. Ned Ind. 1866. II. 

Statistiek der bevolking van het, gouvernement van Java's 

Noordoostkust in het jaar 1802. 
De bevolkingsdichtheid van Java en Madura op het einde van 

1864. Bijdr. taal-, land- en volkenkunde N. Ind. 3de Keeks 
2de deel 1868. 

Bevolking van Java en Madura op hel einde van 1864. T. 
Ned. Ind. 1867. II. 

Bevolking van Java en Madura op het einde van 1865. T. 
Ned. Ind. 1868. II. 

De Bevolkingstoeneming van Java en Madura in het twintig- 
jarig tijdvak 1845 tot 1865. T. Ned. Ind. 1868. II. 

De Hervorming van het koloniaalstelsel. 1868. 8°. 

Verslag van het Koninklijk zoölogisch botanisch Genootschap 
van akklimatatie , uitgebracht, in de (Jaarlijksche) Algemeene 
Vergadering, gehouden te 's Gravenhage op 29 April 1868. 
'sGravenhage 1868. 



158 

Verslag van het Koninklijk zoölogisch botanisch Genootschap 
van akklimatatie , uitgebracht in de (Jaarlijksche) Algenieene 
Vergadering, gehouden te 's Graven hage op 21 April 1869 





Pil ó'i' ■ 



BIJDRAGE TOT DE KENNIS DEI'. ÜRUSTACREN 
FAUNA VAN JAVA'S NOORDKUST. 



DOOK 

Dr. C. Ph. SLUITER. 



De resultaten mijner dreggingen, gedurende hel laatste halt 
jaar op Java's Noord-kust ondernomen , zijn, wat de Crustaceën 
en vooral wat de Echinodermen betreft, niet onbelangrijk. Ter- 
wijl ik de beschrijving der Echinodermen, waaronder vooral 
de Holothuriën dooi- eenige merkwaardige specimens vertegen- 
woordigd waren, uitstel lot later, bepaal ik mij voor het 
oogenblik alleen tot het opsommen van eenige nieuwe of zeld- 
zame vormen van Brachyuren. Verschillende soorten zijn hierbij 
nieuw voor Java's kust, en werden tot nu toe slechts bij de 
Philippijnsche Eilanden en de Australische kust gevonden. 

Mijne dreggingen beperkten zich nog slechts tot de reede 
voor Tandjong Priok en de koraaleilanden daar tegenover lig- 
gende, de kust van Java tusschen Priok en Batavia, verder 
de koraal-banken van het eiland Onrust en omliggende eilanden 
Purmerend en Kerkhoff en de diepere geulen tusschen deze 
eilanden , en eindelijk nog de baai van Merak in Straat Soenda. 

Oxystomata. 

Leucosiadae. 

Jphis septem spinosa. Leach . 

Leach. Zool. Miscell. Tomé III. pag. 25. 

Milne Edw. Hist. nat. des Crusl. Tomé II. pag. 139. 

Bell. Transactions Linn. Society. XXI. pag. 311. 

Fig. 1. De zeven sterke doornen — Ie weten: vijf aan den 
achterrand van het carapax, van welke de middelste het sterkst 
ontwikkeld is, en twee zeer lange aan weerskanten van het 



160 

carapax — zijn bij mannetje en wijfje even sterk ontwikkeld, 
zelfs gewoonlijk bij hel wijfje krachtiger dan bij bet mannetje. 

De figuur is een wijfje aan de buikzijde. 

Vindplaats: Koraalbanken van Onrust <>n Merak. 

Myra carinala . Bell . 

Bell. Monograpb of the Leucosiadae Trans. Linn. Soe 
XXI. pag. 297. 

Vindplaats : Onrust .. 

Leucosia affinis. Bell. 

Bell. loc. cit. pag. 287. 

Vindplaats: Tandjong Priok. 

Leucosia margarilacea . 

Bell. loc. cit. pag. 288. 

Fig. 2. Kleur van hel carapax licht violet paarlgrijs aan de 
rugzijde, terwijl de ventraalzijde geheel melkwit is. De vingers 
en de dislaal-eindeu van ieder der geledingen der poot en zijn 
rood. De tuberkels op de armen wit mei licht rooden ring. 
Het abdomen komt overeen met hel abdomen van L. affinis. 

Aan Bell was alleen liet mannetje bekend ; daarom is in Fig 
2 de teekening van een wijfje, aan de buikzijde gegeven. 

Vindplaats : Onrust 

Calappidae. 

Matula viclor . Fabr. 

Milne Edw. Hist, nat. des Crust. T. II. pag. 115. 

Desmarest. Considér. sur les Crust. pag. 101 enz 

Vindplaats : Tandjong Priok . 

M a j a c e a . 

Chorinus algatectus . (n. sp.) 

Adams k White. Voyage of the Samarang. 

De Haan. Fauna Japonica. 

xWilne Edw. Hist. nat. des Crust. Tomé I. pag. 314. 

Leach. Zool. Miscell. 

A. Milne Edw. Nouv. Arch. d. mus. d'hist. nat. 

Fig. 3 en Fig.. 4. Bostrum met twee lange naar voren uit- 
stekende hoornen, die licht naar beneden gebogen zijn, onge- 



161 

veer als bij Ghorinus incisa (de Haan). Overigens is hel ca- 
rapax niet niet doornen gewapend maar bedekt met tuberkels , 
en wel vijf grootere en kleinere op de middellijn van hel 
lichaam, van welke de achterste dubbel zijn. Aan weerskanten 
der twee lange hoornen bevinden zich twee kleinere, en boven- 
dien op de beide zijden van het carapax eenige kleinere ver- 
hevenheden. Oogen lang gesteeld en niet retractiel; de stelen 
met hoekige insnoeringen en verdikkingen. 

De buitenste voelers zijn tusschen de lange hoornen en de 
stelen der oogen ingeplant, en korter dan genoemde hoornen. 
Het binnenste paar voelers bevindt zich binnen een eigenaardige 
door het rostrum omsloten ruimte (zie Fig. 4). Carapax naakt, 
behalve op de tuberkels. Langs den geheelen rand een zoom van 
fijne haren. Op de tuberkels bundels lange haren , die aan de punt 
zijn omgekruld. Dergelijke lange gekrulde haren zijn vooral 
talrijk en regelmatig geplaatst op de twee lange en de twee kortere 
hoornen vóór aan het rostrum. De pooten zijn met vrij lange 
dunne haren voorzien, die niet aan de punt zijn omgekruld. 
Tusschen deze haren vindt men op ieder der geledingen van 
eiken poot, behalve op de klauwen, drie of vier merkwaardig 
vervormde haren. Zij zijn dikker en stijver, dan alle overige 
haren en zoo sterk omgebogen , dat zij ongeveer een cirkel vormen. 
Zij ontbreken op het voorste paar pooten , die klein en 
slechts met zwakke scharen gewapend zijn. De vier volgende 
paren zijn lang, dun en cylindrisch. 

De algemeene vorm komt het meest overeen met Ch. verruco- 
sipes (Ad. and White) , alleen de vorm van het rostrum is verschil- 
lend; bovendien is de eigenaardige verhouding der haren en der 
stijve cirkelvormige haakjes op de pooten typisch voor deze soorl. 

Het dier leeft op de koraalbanken , en verbergt zich door 
grootere en kleinere stukjes wier aan de stijve haakjes Ie 
haken , waardoor het geheele lichaam bedekt wordt onder wier. 

Volgens Adams and White zou het geslacht Chorinus slechts 
in diep water worden aangelroileu. Mijn exemplaar vond ik 
op de ondiepe (IV2 vaam) koraalbanken bij Onrust. 

41 



lm 
Cancroidea 

Po r t u 'n i da e. 

Thalamila Prymna. Herbsl. 

De Haan. Fauna Japonica. Tal). XII. pag. 45. 

Milne Kdw. Hist. nat. des Crust. Tomé I. pag. 461. 

Van de vele door mij gevangene exemplaren , zijn altijd de 

wijfjes belangrijk grooiër dan de mannetjes, en licht groenaclitig 

gekleurd. De mannetjes zijn donker , met donker roode vlekken . 

De scharen zijn hij beide donker rood met breede zwarte dwars- 

streep. 

Vindplaats: Onrust. 

Thalamila arcuatus. De Haan. 

De Haan. Fauna Japonica. Tab. XIII. fig. 1 en Tab. II. fig. 2. 

Mijn exemplaar stemt geheel overeen met de genoemde soort 
van de Haan . Alleen het abdomen heeft een anderen vorm als 
het door de Haan op Tab. II afgebeelde, maar dit verschil is 
wel alleen daaraan toe te schrijven , dat die figuur genomen 
is naar een klein en jong specimen. 

Vindplaats: Onrust. 

Thalamita Iruncatus. Fabr. 

Milne Kdw. Hist. nat. des Crust. Tomé I. pag. 465. 

De Haan. Fauna Japonica. Tab. XII. enz. 

Vindplaats: Tandjong Priok. 

Grapsofidea 

Pinnotheridae. 

Xenophlhalmus pinnolheroides. White. Voyage of the Sama- 
rang. Ad. k White. Tab. XII. 

Noles on four new genera of Crust acea. Ad. k White. Ann 
and Mag. of Nat. Hist. vol. XVIII. pag. 177. 

Mijn exemplaar is licht geel met licht roode vlekken , maai 
komt overigens volkomen overeen met de door Ad. k White be- 
schrevene. 

Tot nog toe werd deze soort alleen op de Philippijnsche Eilan- 
den gevonden, terwijl mijn exemplaar afkomstig is van de ree 



voor Tandjong Priok. Het dier leeft Vrij , niet tusschen de schalen 
van schelpdieren. 

Xenophlhalmus duplocilialus (n. sp.) Ann. and Mag. ol* Nal. 
vol. XVIII. pag. 177. 

De algemeene lichaamsvorm stemt overeen met die van X . 
pinnotheroides, ook de eigenaardige vorm van het front en de 
plaatsing der zeer kleine oogen. 

Het verschil met de vorige soort is evenwel zeer opvallend. 
Ten eerste zijn de armen veel sterker ontwikkeld, breed en 
plal , en meer of min lepelvormig gebogen. Verder is bij het 
wijfje niet alleen het derde lid van het abdomen behaard , maar 
het derde en vierde lid zijn beide voorzien van een dwars uitste- 
kende bundel lange haren. Het achterste paar poolen aan den 
achterkant helder rood gekleurd. Voor het overige is de kleur 
vuil geel zonder bepaalde teekeningen. De grootte is gelijk aan 
die van de vorige soort. 

Daar door White het voorkomen van borstels alleen aan het 
derde lid van het abdomen , en ook het zeer klein zijn van de 
armen bij de wijfjes, als geslachts-kenmerken worden opgege- 
ven, zou dit specimen als een nieuw geslacht moeten worden 
aangemerkt, evenwel komt mij de overeenkomst tusschen beide 
dieren te groot voor, om ze daarom alleen tot twee verschil- 
lende geslachten te brengen. 

Vindplaats: Tandjong Priok. 

Ocypodidae. 

Gelasimus Marionis. Desm. 

Desmarest. Consid. sur les Crust. pag. 124. 

Milne Edw. Hist. nat. des Crust. Tomé II. pag. 53. 

Bij betrekkelijk jonge exemplaren zijn de twee typische 
grootere tanden aan de randen der scharen nog niet te onder- 
kennen. De vaste vinger heeft bij de jongen slechts een gol- 
venden rand 

Vindplaats : Onrust . 

Ocypoda pallidula. Homb. et Jacq. 



164 

Voyage au Pole Sud et dans POcéanie sur 1'Astrolabe et la 
Zélée. Zoölogie par Hombron et Jacquinot. 

Mijn exemplaar stemt geheel met de beschrijving en afbeel- 
ding van Jacquinot overeen (PI. 6. fig. 1. A), alleen is de tee- 
kening op den rug van het carapax eenigszins verschillend. Het 
carapax is even als het door Jacquinot beschrevene niet effen 
maar met kleine korreltjes dicht bedekt. 

Vindplaats: Tandjong Priok en Merak. 

Grapsus mess »r. Fabr. 

Forskal. Egypte. 

Milne Edw. Hist nat. des Grust. 

Vindplaats : in groote menigte op de reede van Priok en 
Onrust. 

Varuna litlerata. Fabr. 

Herbst. Tomé III pag. 58. 

Milne Edw. Hist. nat. des Crust. Tomé II. pag. 95. 

Vindplaats : Onrust. 

Hlppldae 

Bemipes lestudinarius. M. Edw. 

Lamarck. Hist. nat. des anim. sans verl. Tomé II. pag. 401. 
Milne Edw. Hist. nat. des Crust. Tomé II. pag. 204. 
Tot nu toe nog slechts aan de kust van Australië gevonden , 
terwijl mijne beide exemplaren van Onrust afkomstig zijn. 

Batavia, 15 April 1880. 






HET VIJFTIGJARIG JOILÉ 

VAN DEN HEER 

JOHANNES ELIAS TEIJSMANN. f) 

Op 2 Januari 1880 werd te Builenzorg een zeldzaam feest 
gevierd. 

De heer Johannes Elias Teijsmann , ridder der orde van den 
Nederlandschen Leeuw, Inspecteur honorair der kullures, had 
op dien dag onafgebroken een halve eeuw in onvermoeide 
werkzaamheid in Nederlandsch-Indië doorgebracht. 

Gedachtig aan den grooten naam , dien de jubilaris zich , 
vooral op het gebied der botanie , alom heeft weten te verwer- 
ven, en daarom overtuigd dat vele wetenschappelijke mannen 
gaarne van hunne deelneming zouden willen doen blijken , had 
de heer Dr. R. H. C. C. Scheffer , direkteur van 's lands plan- 
tentuin te Builenzorg, gezorgd dat vele en onder dezen de 
beroemdste naturalisten der wereld tijdig kennis droegen van 
de aanstaande feestviering. 

De mededeeling , geheel buiten weten van den heer Teijsmann 
gedaan , droeg goede vruchten. 

Op den feestdag, des voormiddags tegen half tien ure, ver- 
eenigden zich ten huize van den heer Scheffer de heer C. M. 
J. W. Runen, kolonel adjudant van Zijne Excellentie den 
Gouverneur-Generaal, als vertegenwoordiger van den Opper- 
landvoogd, en de afgevaardigden van vijf te Batavia gevestigde 
wetenschappelijke instellingen , namelijk : 



(*) Van de hand van Mr. T. H. der Kinderen. (Zie Notulen der Bestuurs- 
vergaderingen van 15 April, 20 Mei en 17 Juni 1880). 



166 

van het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Weten- 
schappen : 

Mr. T. H. der Kinderen, President; 

Mr. N. P. van den Berg, Vice President; en 

W. P. Groeneveldt, Sekretaris; 

van de Koninklijke Natuurkundige Vereeniging in Neder- 
landsch-Indië ; 

Dr. P. A. Bergsma, President; en 

Dr. H. Cretier , Sekretaris ; 

van de Nederlandsch-Indische Maatschappij van Landhouw en 
Nijverheid : 

G. A. de Lange, President; en 

Mr. H. Kuneman. Sekrelaris; 

van de Vereeniging tot bevordering van geneeskundige weten- 
schappen in Nederlandsch-Indië : 

Dr. J. J. W. P. van Riemsdijk, President; en 

Dr. C. L. van der Burg, Sekretaris; en 
van den Planten- en Dierentuin te Batavia: 

Au. L. Hovy, President; en 

Dr. F. H. Bauer, Fd. Sekretaris. 

Ten 10 ure reden al deze heeren niet Dr. Scheffer in op- 
tocht naar de woning van den Jubilaris. 

Aldaar had zich reeds een talrijke schare van heeren en 
dames vereenigd , te zamen gekomen om den zoo algemeen ge- 
achten vriend en diens echtgenoot op den voor hen zoo vreug- 
devollen dag deelneming te betuigen. 

Onder hen bevond zich het Hoofd van plaatselijk bestuur 
der afdeeling Buitenzorg , de assistent-resident Jhr. C. H. A 

VAN DER WlJCK. 

De heer Teusmann ontving den vertegenwoordiger van den 
Gouverneur-Generaal en de deputatiën staande, in de binnen- 
galerij zijner woning, en werd, nadat de kolonel Rijnen hem 
van de deelneming en de belangstelling van Zijne Excellentie 
had verzekerd , namens de verschillende wetenschappelijke licha- 



167 

men door den President van het Balaviaasch Genootschap van 
Kunsten en Wetenschappen volgendervnjze tóegesproken : 

• Heden een halve eeuw geleden was er grbote beweging in Batavia. 
Onder den donder van het geschut en het gejuich der menigte hield 

de nieuw benoemde Gouverneur -Generaal Johannes van den Bosch, die 
den vorigen dag aan boord van Z. M. fregat de Huppel de roede had 
bereikt, zijn plechtigen intocht. 

• Bijna gelijktijdig met den, met grootén luister en schitterende eerbe- 
wijzen ingehaalden , door duizenden met belangstelling aanschouwden 
Landvoogd, zette ook voel aan wal een jongeling van ruim 21 jarigen 
leeftijd , een Geldersman , die zich aan den bijzonderen dienst van den Gou- 
verneur-Generaal had verbonden en op hetzelfde vaartuig de reis naar 
Java had gedaan. 

'Nederig en eenvoudig ging hij zijn weg; niemand lette op hem; en 
noch hij zelf, noch iemand ter wereld kon denken, dat eenmaal zijn 
naam in alle deelen der wereld door de geleerdste mannen hunner eeuw 
met vereering en hoogschatting zou worden genoemd. 

-Die jongeling waart gij, hooggeschatte Heer Tehsmann ! 

• Heden moogt gij een tijdvak van vijftig jaren herdenken, door u 
onafgebroken in Ned.-Indië doorgebracht, en niet alleen uil deze gewesten , 
maar ook uit het vaderland . ja uit de geheele wereld stroomen u van 
alle kanten de blijken toe van die vereering en die hoogschatting. 

-Zoo komen ook nu Commissiën uit de Directiën van het Bataviaasch 
Genootschap van Kunsten en Wetenschappen, van de Koninklijke Natuur- 
kundige Vereeniging in Nederlandsch-lndië, van de Nederlandsch-Indi^che Maat- 
schappij van Nijverheid en Landhouw, van de Vereeniging tot bevordering 
van (ieneeskundige Wetenschappen in Nederlandsch-lndië en van den Planten- 
en Dierentuin te Batavia tot u , om u eere en hulde te brengen. 

• Zij hebhen mij, als voorzitter van hel oudste aan wetenschappen 
gewijd lichaam van geheel Azië , uitgenoodigd daarbij aller to'k te zijn , 
en met ingenomenheid zal ik trachten aan die uitnoodiging te voldoen , 
want zij stelt mij in de gelegenheid de verdiensten te verkondigen van 
een verdienstelijk man. 

• Wel weten wij dal uw gevoel van nederigheid en bescheidenheid 
daaronder lijden zal . maar gij moet ons dit vergeven , want zou onze 
hulde op dezen dag wel veel meer zijn dan een bloote vorm , wanneer wij 
daarbij niet . althans eenigermate . in het licht stelden . waarom zij u recht- 
matig toekomt? 

• Veelzijdig zijn uwe verdiensten. 



168 

•Nog geen jaar waart gij in Indië, of de Gouverneur-Generaal be- 
noemde u tot hortulanus van 's Lands Plantentuin te Buitenzorg. 

»Uw arbeid als tuinman in zijn bij zonderen dienst hebbende gadege- 
slagen, meende hij, dat gij als hortulanus de rechte man zoudt zijn 
op de i echte plaats. 

»En hij had juist gezien. 

• Immers gedurende meer dan 38 jaren zijt gij onafgebroken aan den 
Buitenzorgschen Hortus verbonden geweest, en, volgens bevoegde beoor- 
deelaars, is d ; e Tuin zijn buitengewonen rijkdom en het grootste deel 
van zijn roem alleen verschuldigd aan uw streven. 

»Als uwe, hoewel nederige en eenvoudige, toch krachtige persoonlijk- 
heid den Tuin niet, waar het pas gaf, had verdedigd, dan zou hij 
wellicht niet meer in wezen zijn; althans stellig had hij dan niet de 
uitgebreidheid, welke hij nu bezit. 

»Maar onvermoeid streedt gij voor de belangen van den u toever- 
trouwden Hortus, en van lieverlede wist gij door uwe volharding zijn 
tegenwoordig grondgebied te veroveren op het park van het paleis, op 
de kampong en op de rivier. 

• Zonder schroom, zonder aanzien des persoons deedt gij, wat gij in 
dat opzicht meendet uw plicht te zijn. 

• Zoo zult gij u wellicht met een glimlach nog wel herinneren, hoe 
eens een Gouverneur-Generaal, die, om te toeren, een weg gebruikte, 
die volgens u geen rijweg was, dien op zekeren dag door versperringen 
vond afgesloten. 

»Ook de tegenwoordige deugdelijke organisatie van den tuin is te 
danken aan uwen aanhoudenden en onverpoosden aandrang; wel heeft 
de hoogleeraar Miquel in die organisatie een groot deel gehad , maar de 
gegevens kwamen van u. 

»Doch niet de Tuin alleen was het onderwerp van uw streven en 
van uwen arbeid; de geheele Flora van den uitgestrekten Nederlandsch- 
indischen Archipel beschouwdet gij als het gebied, waarop uw werk- 
zaamheid zich moest bewegen. 

»Voor de kennis van die Flora heeft dan ook nagenoeg niemand meer 
gedaan dan gij. 

»Uw scherpe blik, uw opmerkingsgave, uw oplettendheid stelden u in 
staat , op uwe reizen elke nog onbekende plant onder de duizenden , die 
gij zaagt , te ontdekken. 

»Zoo hebt gij vermoedelijk meer nieuwe soorten aan het licht gebracht , 
dan iemand ter wereld. 

'» Zoo, om slechts een paar voorbeelden te noemen, ontdektet gij in 
1856 op Sumatra de reusachtige Aroidea (Conophallus gigas) , op welks 



169 

ontdekking onlangs do natuuronderzoeker Beccari aanspraak maakte , en gij 
vocrdet hem in den Tuin ; zoo verrijktet gij op uwe laatste reis naar 
Nieuw-Guinea , een achttal jaren geleden, de kennis der Flora van dat 
eiland met 133 nieuwe soorten: zoo is er geen enkel groot eiland en 
zijn er slechts een gering aantal kleine in Nederlandsch-Indié* , die gij niet 
hebt onderzocht. 

• Geen wonder dan ook dat menige soort naar u is genoemd; ja zelfs 
een geslacht draagt uwen naam, de Tcijsmannia, waarvan nog slechts 
eénc species bekend is, namelijk: de Tcijsmannia altifrons. 

»De Flora van Nederlandsch-Indië van professor Miquel , het eerste sup- 
plément daarop, de flora beval tende van Sumatra en Bangka, de vier 
statige deelen der door dien geleerde samengestelde Annales Academici 
Lugduno Batavi, en eindelijk de Illustrations de la Flore de 1'Archipei 
Indien van dienselfden zijn bijna geheel opgebouwd uit bouwstoffen, ver- 
zameld door u. 

»Wat uw geachte vriend Dr. Scheffer geschreven heeft behandelt mede 
door u bijeengebrachte bouwstoffen, en zeker zouden nog wel tien ijverige 
botanisten gedurende tien jaren genoeg arbeid hebben , alleen om wereld- 
kundig te maken wat gij in de vervlogen halve eeuw hebt verzameld. 

»En dat verzamelde hebt gij niet, gelijk velen doen, gehouden voor u 
zelven , buiten bereik der mannen van de wetenschap ; in de eerste plaats 
waren uwe reizen vruchtbaar voor den bij u zoo geliefden Hortus , maar 
verder gaaft gij met de meest mogelijke vrijgevigheid aan een ieder toe- 
gang tot hetgeen gij hadt bijeengebracht en uit eigen beweging zondt gij 
doubletten aan Miquel, Oüdemans, de Vriese , Blume en anderen. 

»0ok op het gebied der kuituur zijn uwe verdiensten groot. 

• Onder anderen zijn door u ingevoerd de oliepalm , de zoete cassave , 
thans een uitstekend volksvoedsel , goede koffiesoorten , de West-Indische 
(zoogenaamd Buitenzorgsche) ananas. 

» Veel hebt gij gedaan voor de teelt van katoen , van kaneel , van 
kamfer, van getah pertjah, van caoutchouc, van cacao, van zijde enz. 

»Gij zijt de eerste geweest, die in Ned.-Indië de vanille kunstmatig 
hebt bevrucht , en gij maaktet een einde aan het vooroordeel dat kruid- 
nagelen en muskaatnoten alleen goed konden groeien in de Mol ukken. 

»En niet minder verdienstelijk hebt gij u gemaakt met opzicht tot de 
kinakultuur. 

• Toen in 1852 de eerste kinaplant, door prof. de Vriese uit Parijs 
verkregen , op Java was overgekomen , waart gij de man, die het ver- 
pleegde. Het boompje had echter op de reis veel geleden en stierf; 
maar gelukkig hadt gij er nog tijdig een stek van genomen. Deze slaagde, 



170 

en heeft, door u overgebracht naar Tjibodas, nog vele jaren geleefd en 
duizende afstammelingen opgeleverd. 

»Zoo was door uw zorg de kinakultuur op Java gevestigd. 

»De Regeering wenschte echter spoedig in het bezit te zijn van aan- 
zienlijke aanplantingen van verschillende soorten. 

» Van daar de zending van Dr. Hasskarl in 1854, die in hare gevolgen 
ongetwijfeld zou zijn mislukt, zoo men uwe wijze van planten met hem 
en den geleerden Dr. . Junghuhn was blijven veroordeelen ; en dat dit niet 
is geschied is te danken aan uwe volharding, terwijl gij ook door middel 
van de drukpers uwe stem luide deed hooren en de met de leiding 
der kinakultuur belaste ambtenaar van Gorkom bij het doorzetten dier 
richting voortdurend steun vond bij U. 

• Terecht schonk dan ook de Regeering dezer Landen u in 1859 den 
titel, dien gij thans nog met zooveel eere voert, » Inspecteur honorair 
der kultures". 

»Maar niet alleen de Flora van Ned. Uidië heeft u voortdurend groot 
belang ingeboezemd, ook met vele soorten en variëteiten hebt gij de 
kennis der diersoorten van onzen Archipel verrijkt. 

Behoeft er nog meer te worden gezegd om het duidelijk te maken, 
waarom wij, waarom een groot getal van geleerden, verspreid over de 
geheele aarde, u, eenvoudige, nederige man, heden te gemoet komen mei 
blijken van hulde en hoogschatting? 

» Behoeft er na al het vermelde nog op te worden gewezen, dat 
onvermoeide, onverdeelde toewijding aan hetgeen waarvoor gij stondt. 
gedurende de verloopen halve eeuw de hoofdtrek is geweest van uw- 
streven? dat gij daaruit voortdurend geestkracht hebt geput en vol- 
harding? dat daaraan te wijten is, dat thans, terwijl gij reeds uw 
72e levensjaar zijt ingetreden, het heilig vuur u nog niet heeft verlaten 
en gij nog steeds met ijver en goed gevolg werkzaam zijt in den 
tempel der wetenschap ? 

• Behoeft er aan te worden herinnerd, dat, als gij, gelijk velen doen, 
door de wetenschap allereerst u zeken hadt gezocht en niet de kennis 
der natuur hadt liefgehad om haar zelve, het u weinig moeite zou 
hebben gekost, om naast het virtus nobilitat, waarmede onze Koning 
u ruim 15 jaren geleden een schitterend blijk zijner waardeering schonk 
de borst overdekt te krijgen met buitenlandsche eereteekenen ? 

Neen, dit alles is onnoodig. 

• Geen onzer, die op dit oogenhlik niet overtuigd is van uwe groo 
verdiensten, en niemand wien het verwondering baart, dat wij ons 
hebben vereenigd om u op dezen, voor u zoo gedenkwaardigen dag 
hulde te brengen en blijken te geven van onze vereering. 



. 



171 

»U die hulde brengende betuigen wij u tevens, met allen die in 
Ned. Indië de beoefening van wetenschap en de uitbreiding van kennis 
hoog stellen, onze erkentelijkheid voor het vele, dat gij in dat opzicht 
gedurende de vervlogen vijftig jaren hebt gedaan en gewrocht. 

»En als blijken onzer vereering en waardeering bieden wij u het 
Eerelidinaatschap aan van elk der Vereenigingen, die wij vertegenwoordigen 

»De Planten- en Dierentuin had reeds het geluk u te tellen onder 
zijne Eereleden, maar het bestuur dier Inrichting wenscht u van dal 
Eerelidmaatschap thans eeue fraai bewerkte oorkonde aan te bieden, 
gelijk u ook de sekrclarissen der overige Vercenig'ngcn schriftelijke be- 
wijsstukken van haar eereblijk zullen overhandigen. 

.Wil, hooggeschatte Jubilaris, deze blijken onzer vereering aanvaarden 
met . de u eigene welwillendhe.d, en mogen zij voor u nog lang de 
aangename zichtbare bewijzen opleveren, dat uwe tijdgenooten uwe ver- 
diensten op prijs weten te stellen, om daarna eeuwen lang het nage- 
slacht te kunnen verkondigen, dat in de XlXe eeuw in Ned. Indië een 

• indefessus" Teysmann heeft geleefd, die door eigen kracht groot is 
geworden, die onvermoeid heeft gearbeid in den tempel der wetenschap 
en die zich de goedkeuring en hoogschatting heeft welen te verwerven 
van al zijne tijdgenooten. 

»Dat zij zoo". 

Hierop boden de Sekretarissen den Jubilaris de verschillende 
diploma's aan. 

Dat van het Bataviaasch Genootschap is, niet Oost-Indischen 
inkt en violetkleurig getint, met de pen geteekend en geschreven 
op perkament ; het behelst de gewone bewoordingen der diploma's 
voor des Genootschaps lidmaatschap, omkroond door eene lijst, 
die een boog voorstelt, waarvan de pilasters worden gevormd 
door Geniussen, terwijl het bovenste gedeelte bestaat uil het 
wapen van het Genootschap, aan welks beide zijden zich hoorns 
van overvloed bevinden, die vruchten en bloemen uitstrooien. 

Dat van de Koninklijke Natuurkundige Vereeniging is in 
zuiver Gothischen stijl, met kleuren bewerkt, met keurig uit- 
gevoerde letters in zwart, rood en goud. Op twee breede 
zijstukken rust een bovenrand, die in gouden letters het woord 

• Eerediploma" inhoudt. De breede zijstukken bevatten zinne- 
beelden van de studie der natuur, in het bijzonder der plan- 
tenkunde. 



172 

Dat van de Maatschappij van Landbouw en Nijverheid heeft 
een gekleurden rand van Indische vruchten en bloemen ; aan 
het hoofd de initialen J. E. T. onder een kroon en aan den 
voet padischoven. 

Dat der Geneeskundige Vereeniging vertoont in het vierkant 
een gekleurden bloemenrand niet roode linten doorstrikt , waarop 
hel woord »Eerediploma" , terwijl het geheet wordt gekroond 
door het embleem der Geneeskunde en zich van onderen be- 
vindt een medaillon met de letters J. E. T. in het zwart en 
het getal 50 in goud. 

Dat van den Planten- en Dierentuin geeft in een zeer fraai 
bewerkten en gekleurden rand planten te aanschouwen , die 
door Teijsmann zijn ontdekt of gecultiveerd of zijn naam dragen, 
terwijl onderaan zijn geteekend een groep zoogdieren, vogels, 
vliegende bladen en takken , enz. Een monumentale fontein , 
waaronder het wapen van Batavia, kroont het geheel en in 
het midden ziel men onder de fraaie letters , waarin de opdracht 
van het Eerelidmaatschap is vervat, in lichte kleuren eene afbeel- 
ding van hel gebouw der Vereeniging met een reusachtiger! 
waringinboom. 

Diep getroffen aanvaardde de Jubilaris deze blijken van op- 
rechte en welverdiende waardeering en zei in korte woorden 
met eene van aandoening trillende stem de verschillende Ver- 
eenigingen dank voor de hem gebrachte hulde. 

Daarna trad Dr. R. H. C. C. Scheffer naar voren en hield 
de volgende toespraak. 

• Wat men zaait zal men ook oogsten. 

•Wij hebben daar zooeven uit welsprekender mond dan de mijne ge- 
hoord wat de heer Teijsmann heeft gezaaid. 

«Een deel van den oogst hebben wij te zien gekregen in den vorm van 
de algemeene hulde , door de Indische wetenschappelijke Vereenigingen aan 
den waardigen Jubilaris gebracht. 

• Het was natuurlijk, dat die hulde volgen moest. 

» Doch even natuurlijk is het dat , daar hel nut , door het zaaien van 
nuttige kiemen ter bevordering van wetenschap , landbouw en nijverheid, 
waaraan onze hooggeachte vriend al de gaven van zijn hart, zijn werklust 



175 

en zijne kennis besteedde, verspreid, ziel) niet heeft bepaald tot ons Indië, 
maar mede daar binten in ruime mate is gevoeld geworden . hel uitge- 
strooide zaad ook elders vruchl heeft gedragen. 

• Hel is mij eene hoogst aangename laak, het buiten Indië gerijpte deel 
te mogen aanbieden. 

• In de eerste plaats kon, noch mocht Nederland achterblijven en evenmin 
zijn eerste wetenschappelijke lichaam; de Koninklijke Akademie van We- 
tenschappen. 

• In eene opzettelijk daartoe door de afdeeling Natuurkunde gehouden 
buitengewone vergadering werd hel volgende schrijven bij acclamatie aan- 
genomen ', dat ik mij het genoegen zal gunnen hier voor te lezen: 

• «Amsterdam , Oclobcr. 1879. 

» » Toen de Natuurkundige Afdeeling der Koninklijke Akademie van We- 
tenschappen U in hel jaar 1865 tot haar correspondeerend lid benoemde, 
voldeed zij aan den in de eerste plaats door hare botanische leden 
uilgedrukten weusch, U een blijk te geven van waardeering, en te toonen, 
dat het vele, door U ter vermeerdering onzer kennis van de Flora onzer 
Oost-Indische bezittingen gedaan, ook bij haar niet onopgemerkt was 
gebleven. 

»» Sedert zijn 15 jaar verstreken, waarin Gij zijt voortgegaan met 
onver ftauwden ijuer en met opoffering der rust, welke U, bij het klimmen 
uwer jaren, door niemand zou zijn misgund, de wetenschap te dienen 
en de schatten der tropische plantenwereld, in de onherbergzaamste stre- 
ken op vermoeiende reizen en verre tochten, niet enkel op te sporen, 
maar met hel U eigen talent te ordenen en te beschrijven, en zoo doende 
het bewijs te leveren wat dorst naar kennis en nimmer rustende werk- 
zaamheid, ook in een afmattend klimaat tol stand kunnen brengen. 

» »Het verwondere U dan ook niet, dat de Afdeeling Natuurkunde der 
Koninklijke Akademie van Wetenschappen, kennis genomen hebbende van 
het feit, dat Gij in Januari 1880 Uw 50 jarig Jubilé als natuuron- 
derzoeker aan gene zijde van den oceann zult herdenken, U bij die 
gelegenheid haren hcilgroet overbrengt en daarbij den wensch uitspreekt, 
dal het U vergund moge zijn, nog eene reeks van jaren, in het genot 
van alle voorrechten, welke U aan het leven kunnen binden, werkzaam 
Ie blijven ten nutte der wetenschap die U zoo lief was, en U, zoo wij hopen, 
tot uw laatstcn ademtocht dierbaar blijven zal. 

» » Wat Gij gewrocht hebt zal ook door hel nageslacht dankbaar wor- 
den erkend, en de naam van Teysmann een eereplaats blijven beMeeden 



174 

in de rij van mannen, die zich de studie der tropische plantenvormen 
tot levenstaak hadden gesteld. 

^Namens de Af deeling Natuurkunde der 
Koninklijke Akademie van Wetenschappen, 

(w.g.) DONDERS, Voorzitter. 
(w.g.) G. A. J'. V. OUDEMANS. Secretaris. 
.'Den Heer J. E. TEYSMANN, 
".Inspecteur Honorair der Cultures op Java"". 

»Waar zoo werd voorgegaan moesten anderen volgen. 

• Van de Nederlandsche Maatschappij Ier bevordering van nijverheid te 
Haarlem, zoo vaak en zoo lang de getuige van Uwe verdienstelijke po- 
gingen, zult gij ontvangen een Eerediploma en een zilveren medaille, ter 
uwer eere voor deze gelegenheid geslagen (1). 

•En gaarne voegt het buitenland zijne hulde bij de onze. 

»In de eerste plaats getuigt daarvan het diploma dal ik u hierbij 
overhandig, en waarbij het Freie Deutsche ïlochstift te Frankfort am 
Main u benoemt tot zijn »Ehrenmitglied mul Meister" (2). 

• Tal van botanisten uit alle werelddeelen, mannen, ten deele. even 
als gij, grijs geworden als priesters in den tempel der wetenschap, 
hebben mij verzocht u uit hunnen naam dit album, gevuld met hunne 
portretten, als een blijk hunner hoogschatling te overhandigen (3). 

• Gij vindt daarin de beroemdste mannen, en onder hen de meest be- 
voegde beoordeelaars van uwe werken. 

» Waar geleerden als Dar win, de Candolle en zoovele anderen, voorgaan, 
bekomt onze hulde eene hoogere, eene grootere beteekenis. 

• Moge het opschrift, dat dit album draagt, u een bewijs zijn, dat 
aan den avond van uw leven algemeen erkend woidt wat door u in 
den morgen en in den middag is gedaan ; moogt gij daarin een blijk 
vinden van erkenning ven uwe onafgebroken en rustelooze toewijding 
aan wat schoon is en goed!" 

Behalve hel album reikte de Heer Scheffer den Jubilaris, 
uit naam van de geleerden, die aan de portretten verzameling 
hadden deel genomen , ook nog toe zeventien tblografien van 
verschillende gezichten en groepen uit den Buitenzorgschen 
Plantentuin, gedurende zoovele jaren het tooneel van zijne 
werkzaamheid. 

Nadat de heer Teusmann ook Dr. Scheffer met ontroering, 






175 

onder het hartelijk drukken der hand , had dank gezegd en 
hem had verzocht dien dank ook over te brengen aan allen , 
die aan het voor hem zoo onschatbaar geschenk hadden deel- 
genomen, nam de president van het Bataviaasch Genootschap 
nog eens het woord, om, daartoe uitgenoodigd door Zijne 
Excellentie den Gouverneur-Generaal, den Jubilaris nog aan te 
bieden een gelukwenschend schrijven van het Koninklijk 
Zoölogisch Genootschap : «Natura Artis Magistra" te Amsterdam , 
vergezeld van de hem door die vereeniging toegekende medaille 
van verdiensten in brons (4). 

Bij deze aanbieding zei de Heer der Kinderen, dat het den 
heer Teijsmann zeker genoegen zou doen dat het laatste hul- 
deblijk lot hem kwam uit Amsterdam, de hoofdplaats van het 
dierbaar vaderland. 

Ten slotte sprak nog de heer van der Wijck een allerhar- 
telijkst woord van gelukwensching, hoogschatling en vereering 
namens de ingezetenen van Buüenzorg , waar de Jubilaris nu 
gedurende een halve eeuw gevestigd was. 

Terwijl de heer Teijsmann zijnen innigen dank betuigde voor 
de talrijke blijken van belangstelling en vereering, waarmede 
hij, evenzeer als de echtgenoot, die nu reeds bijna een halve 
eeuw lief en leed met hem had gedeeld, zich als overstelpt 
gevoelde, sprongen de kurken van de champagneflesschen en 
stootte nog menig vriend en vereerder zijn met den schuimenden 
wijn gevuld glas tegen dat van den feestvierenden grijsaard. 

Des avonds werd het feest ten huize van den jubilaris voort- 
gezet op een luisterrijk diner, waartoe hij, behalve de leden 
der deputatien , Dr. Scheffer , kolonel Rijnen , den assistent- 
resident Jur. van der Wijck en verscheidene zijner oudste en 
beste vrienden had uitgenoodigd. 

De gulheid en dankbare tevredenheid van gastheer en gast- 
vrouw, de gelukkige gevoelens, die op hun gelaat te lezen 
waren . stemden alle gasten tol ongedwongen vrool ijkheid , nog 
verhoogd door de schoone melodiën en krachtige juichloonen 
der Buitenzorgsche bataillonsmuziek. 



17G 

De eerste toast werd in welsprekende bewoordingen op den 
held van den dag uitgebracht door den president der Konink- 
lijke Natuurkundige Vereeniging Dr. P. A. Bergsma; daarop 
gedacht Dr. Scheffer Mevrouw Teijsmann , reeds bijna acht- 
enveertig jaar de trouwe en wakkere levensgezellin van den 
jubilaris; dan volgden de voorzitters der wetenschappelijke 
Vereenigingen en de rij van dezen sloot de voorzitter van hel 
Bataviaasch Genootschap, die als vertegenwoordiger van hei 
oudste wetenschappelijke lichaam in Azië meende de tolk Ie 
mogen zijn van alle geleerden , die den jubilaris hunne hulde 
hadden gebracht; hij verzocht hem zich voor te stellen dat die 
allen , van alle oorden der wereld opgekomen , zich buigende 
om hem schaarden, met de schuimende bokaal in de hand en 
zich vereenigende lol een luiden kreet, die alom weerklank 
vindt : Leve Teijsmann , de onvermoeide ! 

Nadat nog menige toast door menigen goeden vriend aan 
den jubilaris was gewijd en ook de heer Scheffer, de eigen- 
lijke aanlegger der feestviering, dankbaar was herdacht, dankte 
de gastheer in korte, kernachtige, diep gevoelde woorden voor 
al het goede, hem en -zijne echtgenoot toegewenscht. 

Ten slotte noodigde hij allen uil, zich met hem naar het 
achtergedeelte zijner woning te begeven tot het aanschouwen 
van een prachtig vuurwerk , hem vereerd door een zijner oudste 
vrienden , den kapitein der Chinezen Tan Goan Piauw , dat 
werd afgestoken in den door een ander zijner oudste vrienden , 
den luitenant der Chinezen Tan Goan Pauw, a giorno met 
Chinesche lantarens fraai verlichten tuin. 



En hiermede eindigde een der schoonste feesten dat ooit te 
Builenzorg is gevierd geworden ; een feest vooral zoo schoon, 
omdat daaraan noch vleierij , noch plichtpleging len grondslag 
lagen en alleen oprechte vereering van waarachtige verdiensten 
de machtige drijfveer was geweest bij allen , die er aan hadden 
deelgenomen of er toe hadden bijgedragen. 



AANTEEKENINGEN. 



(1) De eene zijde der medaille bevat in hel midden van hel randschrift 
(een krans van eikenloof, waarin symbolen van scheepvaart, nijverheid en 
akkerbouw en aan den voel hel wapen van Haarlem, omringd door de 
woorden: «Vermeerdering van volkswelvaart het doel der Maatschappij") 
het opschrift: Hulde aan J. E. Teijsmann 1830—1880, terwijl zich op de 
keerzijde in het randschrift: «Nederlandsche Maatschappij ter bevordering 
van Nijverheid" een vrouwenbeeld bevindt, met de linkerhand lustende 
op een schild met het wapen van Nederland en met de rechterhand ren 
laurierkrans uitreikende. 

Het prachtig op perkament geschreven diploma, dat deze medaille ver- 
gezeld . is van den volgenden inhoud: 

1830—1880. 



De Nederlandsche Maatschappij ter bevordering van Nijverheid , 

BRENGT 

HULDE 

AAN 

HAAR OUDSTE EEREL1I) 

den onvermoeiden Natuur onder zoeker , 

den ijverigen voorstander van volkswelvaart 

die gedurende vijftig jaren liet tropisch klimaat trolseerende , heeft 

gearbeid voor de belangen van Neder landsch-Indië . 

en wiens krachtige hulp bij de vestiging van het Kolojiiaal 

Museum in 
Nederland door de Maatschappij dankba.ir wordt gewaardeerd. 
Haarlem , Januari 1880. 

Namens de Nederlandsche Maatschappy ter 
bevordering van Nijverheid , 
(w. g.) A. J. ENSCHEDÉ, President. 
(w. g.) F. W. van EEDEN , Alg. Secretaris. 
(2) Dit diploma, in de Duitsche rijkskleuren rood, goud en zwart, 
gedrukt, beval in een fraai gestyleerden rand het volgende. 
Bovenaan staat , omvat door twee gouden eikentakken : 
Wer soll Lehrling sein? 

Jedermann ! 
Wer soll Geselle sein? 

Wer was kann! 

Wer soll Meister sein? 

Wer was ersann! 

IGöthe). 

12 



178 

Verder is de inhoud als volgt: 

DAS FREIE DEUTSCHE HOCHSTIPT 

FÜR 

WISSENSCHAFTEN, KÜNSTE ÜND ALLGEMEINE BILÜUNG 

IN 

GOETHES VAÏERHAÜSE 

zu 

FRANKFURT AM MLAJLIV, 

GESTIFTET 

lm Namen der geistiger Einheit des Deulschen Volkes znr 

Jahrhundertfeier der Geburt 

SCHILLERS 

auf Grund seiner genehmigten SHzungen mit den Hechten einer Körperschafl 

hekleidet durch Beschluss holien Rallies der Preien Stadt Fiankfnrl voin 30 

des Weinmonates 1863, 

hat auf den Antrag seiner Ehrenmitgl teder und Meister in offener 
Sitzurig ernannt und erklart zu seinem 

Ehrenmitgliede und Meister 

DICH 

JOMAM KMA» rMJS^AH\, 

VON 

ARNHEIM. 

d. z. in Batavia (Java). 



Durch diese Krnennung haben wir Dein Wirken und alle Deine Verdienste 
eintragen wollen am geheiligter Statte in das 

Buch der Ehren unseres Volkes, 
dessen hóchster Stolz und Riihm hesteht in Thaten des Geisles, in der 
Veredlung der Menschheit durch Wissenschaften, durch Künste und durch 
algemeine Bildung. 

Namens der Venvaltung, 
(w. g.) Dr. G. H. OTTO VOLGER gen. SCHENKENBERG . 

Mr. F. D. H. d. z. Obmann, 
(w. g.) W. ADOLF PETERMANN Mr. F. I). H. 
d. z. Verwaltungsschreiber . 
(w. g.) ZERLE, Schriftführer. 
Gegeben im Goethehause zu Frankfurt a. M. den 20 Ostermonates 1879 
zum 2 Schneemonates 1880! 

Dit diploma was vergezeld van een hoogst verecrend schrijven van het 
Bestuur van het Hochstift, waarbij de voorzitter Dr. .1. M. Otto Volger 
gen. Schenkenberg nog een hijzonder harlel ijken partikulieren brief van 
gelukwensching had gevoegd. 



179 

(3) Het in Russisch leder gebonden album heeft op een gouden plaat de 
volgende inscriptie: Ccleberrimo indefessoque .1. E. Tei.ïsmann cum dimi 
dium per saeculum arcbipelagi indici thesaurum botanicum exploravii miranles 
collegae MDCCCLXXX. 

De geleerden, die hunne fotografische portret ten zonden, hadden nage- 
noeg allen aan de achterzijde hunne handleekening geplaatst, velen bovendien 
eeji woord van waardeering. 

Eene alphabetische lijst van de namen dier geleerden volgt hierachter. 



(4) Op deze medaille leest men aan de eene zijde «Koninklijk Zoölogisch 
Genootschap te Amsterdam aan J. E. Teijsmann", terwijl de keerzijde als 
symbool van zoölogie en botanie eene groep vertoont, met eene schoone, 
een arend dragende vrouwenfiguur in het midden , aan wier voet de wapens 
van Holland en Amsterdam zijn aangebracht boven een kronkelend lint, 
dat de woorden draagt «Natura Artis Magistra". 

De brief, waarbij, dit eereblijk met het daarbij behoorende diploma wordl 

aangeboden, is van den volgenden inhoud: 

Amsterdam, 17 October 1879. 
Hooggeachte Heer ! 

• Hestuurderen van het Genootschap hebben met belangste'ling vernomen, 
dat in Januari e. k. de dag zal worden herdacht, waarop voor vijftig jaren 
uw eervolle loopbaan als natuuronderzoeker aanving. Zij wenscht zich op 
bescheiden wijze te scharen in de breede rij uwer vereerders en tevens 
blijk te geven dat uwe welwillende medewerking tot tien bloei van hel 
Genootschap steeds met erkentelijkheid werd gewaardeerd. 

• Met geestdrift werd in bestuursvergadering het voorstel ontvangen en 
met algemeene stemmen aangenomen, om UwEdelGeslr. op den merk- 
waard igen gedenkdag de Medaille van Verdienste, door het genootschap 
aan weinigen uitgereikt te doen overhandigen. Moge dit bewijs van 
onderscheiding door UwEdelGestr. met welwillendheid worden aanvaard 
en het U gegeven worden nog gedurende eene reeks van jaren op uwe 
eervolle loopbaan terug te zien, in de overtuiging, dat de gewichtige 
diensten door U aan de wetenschap bewezen, door tijdgenoot en nakomeling 
naar waarde zullen worden geschat. 

'Besluurderen van het Genootschap voornoemd: 

(w.g.) E. W. CRAMERUS, President. 

J. G. MATTHES, Secretaris. 

G. F. WESTERMAN, Directeur. 
• Den WelEdelGestr. Heer 

J. E. TEIJSMAN, 

Inspecteur honorair der Cultures op .lava". 



180 



Alphabetische naamlijst der Hoeren inzenders 
van portretten en deelnemers aan het Album. 



Allen, Prof. Tim. J N,w-York. 

Baillon, Prof. H Parijs. 

Balfour, Prof. John Hutton— Dir. bot. 

tuin Edinburgh. 

Barij, Prof. A. de Straatsburg. 

Batalin, Dr. Alex. — Bot. tuin St. Petersburg. 

Beccari, Prof Dr. 0. — Dir. Bot. tuin. Florence. 

Bernaijs, Lewis A Bridmne, Queensland. 

Blasius, Prof. Dr. W. — Dir. Bot. tuin. Brunswijk. 

Boer, Prof. Dr. P. de Groningen. 

Brandis , Dr. — Chef bosch wezen Simla , Britsch-Indië. 

Brassat, Prof. Dr. Sam Klamenburg , Hongarije. 

Buchanan, Prof. Dr. Fr. — Pres. nnt. 

verein Bremen. 

Buchner , Franz — Handelsgartner München. 

Candolle, Prof. Alph. de Genève. 

Candolle, Prof. Bas. Pijr. de » 

Cesati, Dr. Vincent — Dir. bot. tuin... Napels. 

Clarke, Kew, Engeland. 

Glos, Prof. Dr. D. — Dir. bot. tuin... Toulouse. 
Colmeiro, Prof. Dr. M. — Dir. bot. tuin. Madrid. 

Gramer, Prof. Dr..... Zurich. 

Dar win, Charles Kent, Engeland. 

Decaisne, Prof. — J. Dir. bot. tuin Parijs. 

Doll, Prof. J Knrlsruhe, Baden. 

Drude, Prof. Dr. Leipzig. 

Duthie , J. F. — Dir. bot. tuin Saharumpore , Bengalen. 

Eeden, F. W. van — Dir. kol. museum. Haarlem. 
Espejo, Prof. Z. — Oud-dir. bot. tuin te 

Manila Madrid. 

Flückiger, Prof. F. A Straatsburg. 

Fries, Prof. Th. Ed.... üpsala. 



181 

Geijler, Dr. H. Th.— Dir. bot. tuin.... Frankfort a.jM. 

Glass , Dr. Garlos — Dir. bot. tuin Rio de Janciro. 

Gorkom, K. W. van — Oud-dir. kiria- 

kultuur Baarn. 

Gram , Prol'. Asa Cambridqe , N. Amerika. 

Groenewegejn , J. G. — Hort. bol. tuin... Amsterdam. 

Guilfoijle, W. R. — Dir. bot. tuin Melbourne. 

Guttenberg, Gust W heeling , W. Virginia. 

Hance, Dr. H.— H. B. M. Consul Canton. 

Hasskarl , Dr. J. K. — Oud-dir. kina- 
k uit uur Cleve. 

Heer, Prof. Dr. Oswald Zurich. 

Heldreich, Prof. Tb. von — Dit', bot. tuin. Athene. 

Henriques, Prof. Jul. A. — Dir. bot. tuin. Coimbra, Portugal. 

Herder , Dr. F. von — Bibhot. bot. tuin. St. Petersburg. 

Herrera, Alfonso — Dir. de la E. Nat. Universidad , Mexico. 

Hoffmann, Prof. Dr. H Giessen. 

Janka, Prof. Victor de — Bot. museum. Buda Pest. 

Jonkmans, Dr. H. F Utrecht. 

Kanitz , Prof. Dr. Aug. — Dir. bot. tuin. Klamenburg , Hongarije. 

Iveck, Dr. K Aistersheim, Oostenrijk. 

King, Dr. George — Dir. bot. tuin Calcutia. 

Knij, Prof. L Berlijn. 

Kuntze, Dr. Leipzig. 

Lange, Prof. Joh. — Dir. bot. tuin Kopenhagen. 

Magnus , Prof. Dr. P Berlijn. 

Maijer, Prof. C. — Dir. bot. tuin Karlsruhe. 

Maijer, Prof. Ad. — Dir. rijks land- 
bouwschool Wageningen. 

Martens, Prof. Dr. E. — Dir. bot. tuin. Leuven. 

Maximowicz , Prof. Dr. C. J. de — bot. 

tuin St. Petersburg. 

Moens, J. C. Bernelot — Dir. kina- 

kultuur Bandong , Java. 

Moore. Charles — Dir. bot. tuin Sydney. 



182 



Morren, Prof. Dr. Ed. — Dir. bot. tuin. Luik. 
Muller, Ferd. Baron von — Gouvs. 

botanicus Mèlbourne . 

Norstedï , Prof. C. F. Luhd , Zweden 

Ouuemans, Prof. Dr. C. A. J. A'. ........ Amsterdam 

Parrij , Dr. C Havenport, Y. Amerika. 

Pellicino, Dr. Prof. nat Rome. 

Pierre, A. — Dir. bol. luin Saigon. 

Planchon , Prof. J. E Montpeüier . 

Porter, Tlio'. C. — Prof. bot Pensylvania. 

Raauwenhoff , Dr. N. W. P. — Prof. bol. Utrecht . 

Reess, Prof. Dr. M. — Dir. bol. tuin... Erlangen. 

Kegel , Prof. Dr. E. von — Dir. bot. tuin. St . Petersburg . 

Reichenbach, fil. Prof. Dr. H. G Hamburg. 

Richter, Lajos Buda Pest. 

Sacks , Prof. Dr. J ulius von Wurzburg , Beieren 

Samo, Dr. C Lyck , Pruissen. 

Scheffer, Dr. R. H. C. C. — Dir. bot. 

tuin Buitenzorg . 

Schomburgh, Dr. R. von — Dir. bol. luin. Adelaide. 

Schubeler, Dr. F. C. — Dir. bol. luin. Christiania , Noorwegen. 

Slnger , Prof. Dr. J Regensburg . 

Solms Laubbach, Graaf Göitingen. 

Sïrassburger , Prof. Dr. E. — Dir. bol. 

tuin Jena . 

Suringar , W. F. R. — Prof. bol Leiden. 

Todaro, Prof. Aug. — Dir. bol. luin... Palermo. 

Trautvetter, Prof. E. von St. Petersburg. 

Vidal, Seb. — Dir. bot. tuin Manila. 

Wall, George Columbo , Ceylon. 

Wendland, Prof. H. — Dir. bot. tuin... Hanover 

Wittmack , Dr. L Berlijn . 

Wright, Prof. Dr. E. Percival Dublin. 

YoüiNg , Madame M. J. — Staatsbotaniste. Texas . 

Zeis, Prof. — Pres. bot. verein Landshut, Beieren. 



IKTS OVER PKNGARON- EN ASSAHANKOLEN 

EN DE BRUIKBVARIIEID VAN DE EERSTEN 

VOOR GASBEREIDING. 

DOOR 

Dr. H. CRETIER. 



De kolen uit de mijn Oranje-Nassau Ie Pengaron zijn vroe- 
ger door Dr. Vlaanderen aan een uitvoerig onderzoek onder- 
worpen. Later is dat onderzoek door mij herhaald ongeveer 
vijftien jaar na dat van genoemden scheikundige. Ziehier de 
uitkomsten; de drie eerste zijn van Dr. Vlaanderen, de drie 
overige werden door mij verkregen : 



Naam 


/o 


/o 


/o 


/o 


/o 


/o 


/o 


°/o 


der laag. 


Koolstof. 


Waterstof. 


Stikstof. 


Zuurstof. 


Asch . 


Water. 


Zwavel . 


Coaks. 


A... . 


71.7 


5.45 


1.5 


13. 


5.1 


4.9 


0.54 


59.9 


C... 


71.2 


5.6 


1.5 


14.45 


5.5 


5.65 


0.50 


60. 


D... 


71.0 
69.5 


5.0 

5.25 


1.5 


11.57 


4.7 

6.5 


6.17 
5.5 


0.26 
0.04 


60.7 


C ... 


13.45 


52.4 


D. 


67.6 


5.06 


16.74 


5.6 


5.25 


1.74 


51.4 


E.... 


67.7 


6.21 


16.64 


4.2 


5.82 


1.50 


52.4 



Ik mag niet verzuimen mede te deelen dat, toen die analysen 
door mij werden verricht, van elk monster slechts eene zwavel- 
bepaling plaats vond. Wat men toen verlangde te weten, be- 
trof allerminst de zwavel, en toen ik de zwavelbepalingen 
wilde herhalen, werd geoordeeld dat ik mijn beperkten tijd nut- 
tiger kon besteden, omdat het resultaat van analysen uit één 
enkel blok steenkool geheel zou afhangen van de hoeveelheid 
pyriet, in dat blok aanwezig, die toevallig ongewoon groot of 
klein zou kunnen zijn. 



184 

Nu onlangs evenwel kreeg de vraag naar de zwavel ook 
praktisch belang en was de hoeveelheid en de aard van het 
materiaal groot genoeg , om de kans op het verkrijgen van een 
middencijfer te waarborgen. 

Zoowel van Pengaron- als van Assahankool was een centenaar 
p. m. voorhanden, in kleinere stukken. Van elke soort werden 
fragmenten van verschillende stukken verzameld, deze tot poe- 
der gebracht en dit laatste tot het onderzoek aangewend. Het 
onderzoek geschiedde door één deel kool te verbranden met 
een mengsel , bestaande uit één deel soda , twee deelen salpeter 
en vier deelen zout, en waarvan het gewicht het acht en 
twintig-voud van dat der kool bedroeg. De na bekoeling in 
water opgeloste massa werd met zoutzuur behandeld, gefil- 
treerd en verdampt , ter afscheiding van kiezelzuur , weder opge- 
lost en gefiltreerd en uit het aangezuurde filtraat het zwavel- 
zuur door Chloorbaryum geprecipiteerd. Op die wijze werd in 
de Pengaronkool 0.6 °/ en in de Assahankool 0.5 °/ zwavel 
gevonden, bij herhaling respectivelijk 0.6 en 0.55 °/ . 

Bij de droge destillatie liet de Assahankool 50.6 °/ coaks 
over die weinig samenhang bezat. Anders was het met de 
Pengaronkool, die 51.8 °/ goede vaste coaks overliet. Het gas, 
bij de droge destillatie van Pengaronkool verkregen, brandde 
met eene vlam die niet merkbaar verschilde van die van het 
gas der Bataviasche gasfabriek. Zulk een proef om twee soor- 
ten gas bij dag uit twee naast elkander geplaatste Bunsensche 
branders te laten stroomen, de vlammen even groot te maken 
en dan op het gezicht af te oordeelen , verdient den naam van 
proef niet. Zij laat geene vergelijking toe dan alleen indien 
een der monsters zeer slecht is. 

Bij de beoordeeling van kolen van het standpunt van den 
gasfabriekant treden ten opzichte van het gas twee omstandig- 
heden op den voorgrond, namelijk: hoeveelheid en lichtsterkte . 
Binnen zekere grenzen kan men de hoeveelheid grooter maken 
maar ten koste van de lichtsterkte. De waarde (W) vaneen 
steenkool is dus: 



185 

W — f (KV) 
waarin V r het aantal volmneneenheden en K de hoeveelheid 
koolstof in de vol urnen eenheid voorstelt. Men mag loeh aanne- 
men dat, zoo de liehtkracht al niet rechtstreeks evenredig is 
met de hoeveelheid koolstof, zij niettemin eene wiskundige 
fuuctie daarvan is, indien men ten minste van de wijze van 
luchttoevoer, den vorm der branders en dergelijken abstraheert. 

Rechtstreeks evenredig met de hoeveelheid koolstof is de lieht- 
kracht evenmin, wijl moerasgas en kooloxyde, die beiden 
koolstof bevatten, zonder licht te geven branden. 

In elk geval is de verhouding waarin de koolstof staat tot de 
waterstof in zeker lichtgas een belangrijke factor bij de be- 
oordeeling, naardien alleen die koofstof als lichtgevend mate- 
riaal in aanmerking komt , welke in het gas voorhanden is 
boven de hoeveelheid, welke noodig is om met de voorhanden 
waterstof moerasgas te vormen. 

Het moet erkend worden dat er andere en meer gebruike- 
lijke methoden bestaan om de liehtkracht te bepalen. Vooreerst 
volgens het soortelijk gewicht. Deze manier is niets waard, 
dewijl er in het lichtgas lichtere en zwaardere bestanddeelen 
voorkomen. De lichtere verhoogen allen de verbrandingstem- 
peratuur en kunnen daardoor nuttig werken. Onder de zwaar- 
dere zijn stikstof, kooloxyde en oliemakend gas nagenoeg 
even zwaar, maar alleen het laatste heeft als verlichtingsmid- 
del waarde. 

Voorts komen in aanmerking de verschillende photometrische 
werktuigen. Wellicht verdient zulk eene proef met den hier 
te Batavia voorhanden Photometer van Kirk aanbeveling. Het is 
zeer zeker eene aanwijzing te meer. Intusschen, hoewel de 
chemicus den physicus in zeer vele opzichten mag benijden , 
wat nauwkeurigheid van uitkomsten en bepaling van fouten 
betreft — die ijverzucht zou zich ten onrechte uitstrekken tot 
hunne normaalkaars. 

De Physica bezit geen lichteenheid in den zin , dien zij zelve 
aan éénheid van maat, als onveranderlijke grootheid, hecht. 



186 

Op grond van een en ander heb ik aan eene elementair- 
analyse de voorkeur gegeven. Het zij mij vergund omtrent 
de v ij ze waarop ik mij gas verschafte en de elementairanalyse 
er van in eenige bizonderheden te treden. De Assahankool 
werd maar eenmaal, de Pengaronkool daarentegen viermaal 
droog gedestilleerd. De eerste maal werd een literkolf mei 
water gevuld en in een porceleinen schaal met nog 300 c. M 3 . 
water omgekeerd om als gashouder te dienen. De hoeveelheid 
kool in een glazen buis van 5 d. M. lengte bedroeg vijf gram 
en de buis werd , alvorens de kool te verhitten , over zijne ge- 
heele lengte door een Bunsenschen gasovcn roodgloeiend ge- 
maakt. 

De eenige proef met Assahankool werd op dezelfde wijze 
genomen. Volgens Bunsen is de absorbtiecoëfficient voor olie- 
makend gas = 0,25629 -- 0,00913631 / -f- 0,000188108 / 2 , 
en voor moerasgas = 0,05449 — 0,0011807 t -\- 0,000010278 l 2 . 

Dewijl geen luchtvrij water was aangewend en het water niet 
verzadigd werd kon deze coëfficiënt niet in aanmerking komen. 

In elk geval, er had gasverlies plaats en dewijl de hoeveel- 
heid gas belangrijk minder was dan goede kolen volgens 
d'Hurcourt's : «TEclairage au Gaz" moeten geven , moest de proef 
met vermijding dier fout worden herhaald. Bij de drie vol- 
gende proeven werd kwikzilver als afsluitingsmiddel aange- 
wend. Het gas werd nu op de volgende wijze opgevan- 
gen. Een peervormig vat werd boven en onder door 
uitgezochte kurken gesloten. In de bovenste kurk paste 
een rechthoekig gebogen buisje dat met de koolhouden- 
de buis door een caoutchoucslang kon worden verbon- 
den. In de onderste kurk paste een tweemaal recht- 
hoekig gebogen buisje dat door een caoutchoucslang met een 
trechtertje was verbonden , dat langs een standaard op en neer 
kon worden geschoven. Door den trechter werd nu het peer- 
vormige vat met kwik gevuld ; dit vat werd met de kool- 
houdende buis verbonden en nu de trechter zoover aangevuld 
of geledigd dat het kwik juist tot aan de keel des trechters 



187 



stond on de oppervlakte in hetzelfde horizontale vlak lag mei 
die in de peer. Na een val Ier opvanging van hel uitvloeiende 
kwik te hchhen aangebracht, werd de trechter naar beneden 
gelaten waardoor kwik uitvloeide. Het ophouden daarvan na 
eenige oogenblikken bewees de sluiting van den toestel. 

Toen nu de kool (1 gram) gegloeid werd, verzamelde zich 
het teer in het voorste kortere deel der buis , het gas daaren- 
tegen in de peer, het kwik voor zich uitdrijvende. 

Na afloop der bewerking en tijdens de bekoeling werd weder 
zooveel kwik toegevoegd, dat het niveau in de trechterkeel 
gelijk stond met dat in de peer. Na volkomen bekoeling werd 
het overblijvende kwik gemeten. De maat van het kwik is, 
met inachtneming der regels voor temperatuur en drukking, 
de maat van het gas. 

Het volumen bedroeg veel minder dan toen het gas boven 
water was opgevangen. 

Kennelijk droeg de 14 c. M. lange buis, waardoor het gas 
onmiddellijk aan de werking der warmte werd onttrokken, be- 
nevens de verhitting met een enkelen Bunsenschen brander de 
schuld. De proef werd nu ten derden en vierden male in 



een verbrandingsbuis herhaald 



die in een Bunsenschen gasoven 
nagemeten 



werd verhit. Ditmaal was de inhoud der buis 

voor het aanbrengen van correcties. Ziehier de uitkomsten van 

het vijftal genomen proeven : 



Vindplaats 

der 

Kolen. 



?3 «o' 

O fes 



S O) o 



1» 

o 
Z -3 



Al'sluilingsmiddel. 



Pengaron 
Assahan.. 
Pengaron 

id. 

id. 



185 


28T„ 


760 


— 


162 


149 


id. 


id. 


— 


— 


— 


id. 


id. 


— 


130 


225 


id. 


id. 


215 


204 


228 


id. 


id. 


217 


206 



Water. 

id. 
Kwikzilver. 

id. 

id. 



188 



Ik voeg hierbij eene tabel uil bovengenoemd werk van 
d'Hurcourt, die haar op zijne beurt beeft ontleend aan Thomp- 
son uit bel » numero du 15 Avril 1860 du Journal: Le Gaz" 
Thompson zal er wel eene temperatuur bij genoemd hebben 
waarbij het gas is gemeten maar d'Hurcourt noemt die niet. 
De eenige verandering die ik mij in die tabel heb veroorloofd 
is, dat ik voor het gemak van den lezer de productie per ton 
herleid heb lot die per gram. 



NAA M 

1> E II 

KOOL. 



7c 


/o 


7o 

Brandstol 


7o 


Gaspro- 
ductie 


Coaks. 


Asch. 


in de coak 
Mc kool = 

ïoo;. 


Zwavel. 


per gram 
in c. M3. 



Gaspro- 
ductie 

per cent 1 
in MS. 



Pengaron 

Boghead 

Kirkncss 

Capeldrae 

Lesmahago 

Knights wood 

Wigan 

Ramlay Newcastle. 
Lockgelly cannel... 
Newbrunswick cannci 

Pelton Mais 

Pelton Mais cannel... 

Leverson's Wall's End 

W. E. cannel. 

Washington 

Washington cannel. . 

Pelawmain 

New Pelton... 



52.4 


5.4 


47.0 


0.6 


216 


31.6 


22.8 


8.8 


0.53 


423 


40.0 


13.5 


26.5 


1.40 


361 


45.5 


10.5 


35 


0.65 


206 


50.4 


9.1 


41.3 


2.25 


380 


51.5 


2.4 


49.1 


1.10 


372 


63 


3.0 


60 


1.25 


321 


63.2 


6.6 


566 


1.75 


274 


66.5 


13.1 


53.4 


0.75 


257 


33.6 


0.06 


33.5 


007 


— 


71.6 


1.4 


70.2 


1.10 


310 


68.5 


9.4 


59.1 


0.95 


324 


65.1 


4.9 


60.2 


1.30 


— 


69.2 


935 


59.8 


1.00 


327 


68.7 


2.2 


66.5 


1.30 


282 


72.6 


9.4 


63.2 


1.10 


296 


69.7 


2.6 


67.1 


1.20 


322 


69.8 


1.75 


68 


1.10 


296 



10.8 

21.1 

18 

10.3 

19 

18.6 

16 

13.7 

12.8 

15.5 
16.2 

16.3 
14.1 
14.6 
16.1 
14.8 



Men zou bij oppervlakkige beschouwing geneigd zijn die ver- 
gelijking ongunstig te noemen voor de Pengaronkool. Bij na- 
dere beschouwing komt men tot een ander resultaat. 

Vooreerst wordt geen temperatuur genoemd waarbij de me- 
ting plaats had en men ziet uit mijne cijfers dadelijk dat die 
van grooten invloed is. 

Ten tweede zijn die cijfers ontleend aan de allerbeste kool- 
soorten ; de minder goede Europeesche koolsoorten worden stil- 
zwijgend voorbijgegaan. 



189 

Ten derde Thompson's werk is van 1860 en het is van alge- 
meene bekendheid dat van jaar tot jaar slechtere Europeesché 
kolen in ontginning en consumptie worden gebracht. 

Dat de cijfers van d'Hurc.ourt — Thompson ontleend zijn aan 
de allerbeste koolsoorten en het hoogste cijfer is genoemd, kan 
blijken uit hetgeen wij lezen in het Handboek der Fabriek- 
scbeikunde naar Dr. J. R. Wagner bewerkt door Dr. Teer- 
link in deel II § 692. «De voortreffelijkste gaskolen in Duitsch- 
»land leveren de mijnen van Westphalen: 280 c. M 3 . per gram. 
»0ok sommige kolen uit de Saarbassins gewen 260 c. M 3 . per 
«gram en 60 °/ coaks. De kolen daarentegen uit de bekkens 
»van den Plauenschen grond bij Dresden (Burg Zankerode) 
«geven slechts 182 c. M 3 . gas, daarentegen 64 a 70 °/ Q coaks. 
»In Beyeren geeft de Stockheimer-kool omtrent 224 c. M 3 . gas. 
>De kolen uit de bekkens in Opper-Silezië geven niet veel meer 
• dan 200 c. M 3 . gas." 

«De Engelscbe kolen, inzonderheid de bakkolen van hel bek- 
aken van Newcastle, worden in het Noorden van Duitschland 
«veelvuldig ter gasbereiding aangewend. Zij geven gemiddeld 
«280 c. M 3 . gas en meer dan 70 °/ coaks. 

«De Boghead-kool levert 364 a 414 c.M 3 . gas" ( x ). 
Uil het oogpunt van de hoeveelheid gas kunnen de Pengaronkolen 
de vergelijking wel doorstaan. Dat evenwel de hoeveelheid gas 
alleen geen maatstaf oplevert moge uit hel volgende blijken. Wan- 
neer Bulylen — een bestanddeel van lichtgas — door hitte wordt 
ontleed in lichtkoolwaterstofgas en kool volgens de vergelijking. 

C* H 8 = 2 C H* + 2 C 
dan verdubbelt het gasvolumen niettegenstaande de helft der 
kool zich afscheidt. Dit verklaart eensdeels de verschillende 
uitkomsten door mij verkregen, anderdeels kan men er uit 
zien dat eene opgave van het gasvolumen uit zekere kool ver- 
kregen slechts van betrekkelijke waarde is. Hel is maar één 
faktor van het product dat de waarde van kolengas voorstelt 

(1) Ook hier heb ik de opgegeven hoeveelheden herleid tot één gram, 
aannemende dat 500 Eng. kub. voet ps 14 M 3 is. 



190 

De elementairanalyse werd op de volgende wijze verricht. 
Eene aan het eene einde vernauwde, niet zeer lange en aan 
heide einden opene verbrandingsbuis werd met ashest en gekor- 
reld koperoxyde beschikt en door die verhitte huis een stroom 
droge stikstof gejaagd. Toen zich geen spoor van water meer 
vertoonde werd de chloorcalciumbuis, het zwavelzuur-apparaat 
en het viertal buizen met nafronkalk aangepast. Vervolgens 
werd de caoutchoucslang van het peervormig vat met de ver- 
brandingsbuis verbonden , de trechter hooger geplaatst , de 
kraan , die de caoutchoucbuis der peer sloot , geopend en 
door middel van een tweeden trechter langzaam kwik gefiltreerd 
in het pcervormige vat, waardoor het gas door de verbrandings- 
buis werd gedreven. Ten slotte werd het in de buis aanwezige 
gas weder door droge stikstof in de absorptiel nestellen ge- 
jaagd en werden deze na bekoeling gewogen. 

J)e uitkomst blijkt uit de volgende gegevens: 

Gewichtsvermeerdering der Chloorcalcium buis] 

0.140 H. = 0.0155 gr. 
id. Zwavelzuurapparaat ) 

id. Natronkalkbuis No. I 4- 0.155; 

id. id. No. II 4- 0.033) C. = 0.051 gr. 

id. Jd. No. III en IV — 0.002) 

Het niet gecorrigeerde gasvolnmen van 228 c. W 3 . is evenwel 
ie vermeerderen met 29 e. M 3 . dampkringslucht — de inhoud der 
buis waarin de droge destillatie geschiedde — en van dit 
mengsel van 257 c. M 3 . zijn er 228 verbrand. Hel totaal water- 
stof en koolslof wordt dus gevonden door de gevonden cijfers 
met 257 / 228 te vermenigvuldigen. Op die wijze vindt men : 
Waterstof 0.0174 gr. 
Koolstof 0.0575 gr. 

Nemen- wij nu de bovenstaande beschouwing — dat de 
waarde van een lichtgas evenredig is met hel exces van koolstof 
boven moerasgas — ten grondslag, dan kan het gas van 
Pengaronkool worden uitgedrukt door een der volgende 
formulen naar willekeur. 



191 



87 CH* -f9C. 
78 CH 4 4- 9 C2H 4 
of in volumenprocenlcn 89.6 °/ moerasgas en 10.4 % Olie- 
makend gas , waaruit een spec. gew. zou volgen van 0.598 bij 
0° C. en 760 m. M. luchtdruk. Dat die for muien niel 
juist zijn moet worden erkend : zelfs de waterstof in vrijen 
toestand zou geen grootere ruimte innemen dan van 194 c. M 3 . 

Intusscben zij laten vergelijking met cijfers van anderen toe 
en dat is voldoende. 

Wij vinden in Koppescliaar's Leerboek der Chemie, waarin 
deel I pag. 136 eene opgave van gas van Newcastle-kool voorkomt, 



en in meergenoemd werk van d'Hurcourt 



151 , eenige 



analysen van Payen , die vergelijking met de mijne toelaten : 
die van Payen rechtstreeks, die van Koppeschaar voorwaarde- 
lijk. Koppeschaar spreekt van zware koolwaterstoffen maar zegt 
niet welke hij bedoelt. Wij zullen éénmaal aannemen dat zware 
koolwaterstoffen = Oliemakend gas, en een ander maal dat 
zware koolwaterstoffen == Benzoldamp is. De laatste onderstel- 
ling is zeer ongunstig voor de Pengaron-kolen. 

De volgende tabel geeft de gewichtsverhouding aan waarin 
de koolstof tot de gewichtseenheid waterstof staat: 







Cijfer 


aanwijzende hoeveel 


Schrijvers of On- 
derzoekers. 


Naam der Kool. 


maal het gewicht der 
kool dat der water- 








stof overtreft. 




Pengaron. 




3.50 


Koppeschaar. 


Newcastle. 




2.43 


» 


» 




2.9 


Payen . 


? 




3.50 


» 


? 




5.52 


n 


? 




3.61 


» 


? 




3.5 


» 


? 




1.8 


Verois. 


? 




5.15 


d'Hurcourt. 


Canelcoal. 




5.5 



19 ü 2 

De cijfers van Payen hebben betrekking op gas uit één 
retort opgevangen na verschillende tijdruimte: die van Verois 
en d'Hurcourt zijn ontleend aan het werk van d'Hurcourl 
pag. 39 en 57. Men ziet dat de verhouding zeer gunstig is 
voor Pengaronkool. Hierbij doet zich evenwel het voordeel 
gevoelen der hooge gemiddelde temperatuur van Batavia , 
waarbij meer dampen in het gas blijven dan bij sterkere af- 
koeling het geval zou zijn. Daardoor zullen de resultaten voor 
elke koolsoort hier beter zijn dan in Europa. 

Neemt men in aanmerking dat de Pengaronkolen vermoede- 
lijk voor lageren prijs dan Europeesche kolen zijn te bekomen 
en dat de kosten van vervoer belangrijk minder zijn , dan ge- 
loof ik dat de keus niet twijfelachtig kan zijn. 

Batavia, 31 Dec. 1879. 



VERSLAG 

EENER REIS NAAR 

NIEUW GUINEA. 

DOOR 

J. E. TEIJSMANN. 

Bij Gouvernements besluit van 25 Mei 1871 N°. 35 werd 
mij vergund , om den hoofdambtenaar van der Crab op diens 
tocht naar Nieuw Guinea te mogen vergezellen, en daar alles 
voor die reis in gereedheid was gebracht , verliet ik den 7en Juli 
1871 Buitenzorg om den 9en daaropvolgende aan boord van de 
stoomboot Willem III, van de Nederlandsch-Indische Stoom- 
vaart-Maatschappij „ via de kustplaatsen naar Soerabaija te ver- 
trekken, waar wij den 13en aankwamen om den 18en dereis 
te vervolgen. 

Den 20 kwamen wij te Mahassar , den 25 te Gorontalo , den 
26 te Menado, den 28 te Ternale aan, na op 24, 25 en 26 
de niet aangename ervaring te hebben opgedaan , dat de anders 
fraaie en gemakkelijke Willem III, bij eene verbolgene zee, 
hevig slingeren kan. 

Van Ternate uit zou onze reis naar Nieuw Guinea eerst 
een aanvang nemen met de Gouvernements-stoomer Dassoon, 
gezagvoerder A. Smits , welke eenige dagen na onze aankomst 
ook van Ambon arriveerde ; zoodat wij , na proviandeering en 
het innemen van steenkolen, eerst den 18 Augustus konden 
vertrekken. 

13 



194 

Dien tusschentijd benuttigde ik, om op Ternate eenige uit- 
stapjes te doen ter opsporing van gewenschte planten , zaden 
en herbarium, waarin ik vrij gelukkig slaagde. 

De Resident F. Schenck , een oude kennis van de Westkust 
van Sumatra , had de goedheid mij logies ten zijnent aan te 
bieden. 

Den 30en Juli maakte ik eene wandeling door de koffij- en 
nootmuskaat-aanplantingen, boven de stad en aan den voet 
des bergs van Ternate gelegen. De nootmuskaatboomen 
groeiden er zeer weelderig en waren met vruchten overladen. 
Ik vond daaronder een paar vreemde soorten als Pala Mabo 
van het eiland Halmaheira en Pala Onem van Nieuw Guinea, 
die even aromatisch waren als de gewone soort, Mijristica 
fragrans , doch stellig tot andere species behoorden ; ook van de 
gewone soort zag ik eenige verscheidenheden , zooals die met 
dubbele peervormige, groote en kleine noten; van 5 soorten 
verkreeg ik rijpe vruchten, die. direct in bamboekokers ge- 
plant, alle zijn opgekomen en in 's lands Plantentuin alhier zijn 
overgebracht. 

De koffij stond op enkele plaatsen ook vrij goed, elders ecb- 
ter waren er reeds vele hoornen uitgestorven. Zoo men die 
kuituur wil uitbreiden, zal men wel doen, hoogere streken, 
die niet al te steil zijn, daarvoor uit te kiezen. 

Eene soort van suikerriet , bruin met geheele strepen , die 
ik nergens elders had aangetroffen en daar veel geplant werd 
bracht ik ook levend naar 's lands Plantentuin over. 

Er zijn op Ternate geene rivieren met levend water, doch 
wel rivierbeddingen , die , bij zware en aanhoudende regens 
bevige bergstroomen worden en alles, wat hun in den weg 
komt , boomen en rotsen , medesiepen , en soms zelfs de hoofd- 
plaats overstroomen. De sporen daarvan vond ik meermalen 
op mijne wandelingen. 

Den 51 Juli begaf ik mij over land, langs een, door bosch 
en alang-alang- velden loopend , bijna onbegaanbaar pad . naar 



den zoogenaamden verbranden hoek of Batoe-Angoes , 5 of 6 
palen van de hoofdplaats. 

Het strand was overal bedekt met rotsklompen en rotssteenen 
van verschillende kleuren en samenstelling. De eigenlijke ver- 
brande hoek, die hel voorkomen van steenkolen heeft, en uit 
eene uit den krater gevloeiden lavastroom bestaat, loopt tot 
aan zee en is daar, ter hoogte van 20 a 30 voet, loodrecht af- 
gebroken. De hoogte beklommen hebbende, bemerkte ik spoe- 
dig dat er aan geen verder doordringen op dat terrein te 
denken viel, want de zwarte pyramide-vormige rotsklompen, 
die door gedeeltelijke verweering zoo ruw en scherp geworden 
zijn, dat men er zich niet aan vasthouden kan, zonder de han- 
den te kwetsen , waren zoo zeer met spitse puntfen gewapend en 
door diepe kuilen en spleten gescheiden, en zoo onregelmatig 
daarheen geslingerd, dat het met levensgevaar vergezeld 
zou gaan indien men zich daarop wilde voort bewegen. 
Slechts hier en daar heeft zich eene enkele Ficus of andere 
klimplant aan die lavablokken vastgehecht. De vegetatie krijgt 
echter langzaam, door verweering der massa, de overhand, 
want in 1860 toen ik deze plaats ook gezien heb, was er nog 
geen spoor van planten, te zien , en geleek alles nog een zwarte, 
pas uitgeworpen lavastroom. 

De onderste rotslagen hebben het aanzien alsof zij in vloei- 
baren staat aldaar, en ook elders langs de kust, waren afge- 
zet, terwijl de bovenste pyramiden meer aan daarheen gedre- 
ven rotsklompen doen denken. Het kan echter ook zijn dat 
die spitsen en spleten eerst later door inzakking en verweering 
ontstaan zijn. 

Verder zuidwaarts staan onmiddellijk aan het strand vele lang- 
werpige zandhopen naast elkaar , die den vorm van doodkisten 
hebben en aan de zeezijde loodrecht afgevallen zijn. Doorliet 
van de landzijde uitstroomende water zijn zij regelmatig van 
elkaar gescheiden. Daaronder is geen rots meer zichtbaar, 
doch het strand is nog overal met eene dikke laag rotssteenen 
bedekt. Tegen den middag keerde ik in eene sloep huiswaarts. 



Den 6 Augustus voer ik met een prauw bankoe van den 
Sultan van Ternate, "met 20 roeiers en 3 stuurlieden nog 
eens dien koers uit , doch nu een goed eind verder , om het 
meer of Telaga Soela Takami te bezoeken. De hooge zee 
maakte dit evenwel zeer moeielijk. Ik leerde daarbij echter 
de deugdzaamheid van zulk een prauw kennen, die ofschoon 
soms zwaar geteisterd, tegen de hevigheid der golven volko- 
men bestand was. 

Na een half uur gewandeld Ie hebben over een zachthel- 
lend terrein , dat met enkele boompjes , voornamelijk van een 
paar soorten Polyphragmon en Alang-Alang bezet was , bereikte 
ik het meer, dat in de diepte tusschen hel geboomte, waar- 
mede de steile «wanden bezet waren , verscholen lag. Een weg 
om naar beneden af te dalen bestond er niet, zoodat ik mij 
met het gezicht in de diepte en op het water moest vergenoe- 
gen. Gelukkig vond ik, even als den voorgaanden dag nog 
eenige gewenschte plantensoorten , zoodat mijne reisjes niel 
onbeloond bleven. 

Toen echter des anderen daags de krater van de piek van 
Ternate hevig begon te werken en dit verschijnsel vergezeld 
ging van aardbevingen, werd mijn bezoek, aan het meer ge- 
bracht, als de aanleidende oorzaak daarvan beschouwd. De- 
zelfde schuld kreeg een officier op zijne rekening, die, nadat 
de uitbarstingen hadden opgehouden , den berg beklom , waarop 
weder eene uitbarsting volgde. Deze toevalligheden versterkten 
de inlanders nog te meer in hun bijgeloof. 

Den 7 Augustus des nachts tusschen 2 en 4 uur werden twee 
goed voelbare schokken van aardbeving waargenomen, die ons 
allen uit den slaap wekten. Des morgens omstreeks 9 uur 
volgden nog een paar lkhtere schokken. 

Even over half tien uur begon de berg te rommelen ; dit 
geluid had veel overeenkomst met het uitwerpen van zware 
steenblokken , hetgeen echter geen plaats had ; daarna volgde 
onafgebroken gerommel, gelijk aan dal van eene zware bran- 
ding der zee op de rotsachtige kust. 



197 

Dit hield tot bijna half elf uur aan en de prachtigste rook 
en aschkolommen stegen daarbij hemelhoog uit den krater <>p. 
Deze kolommen verwijderden zich, met hun toppunt Noord-oosl- 
waarts gekeerd. Kwart voor 1 1 uur hoorde men nogmaals 
een gerommel dat aan een rollenden donder deed denken; 10 
minuten voor li uur volgde weer eene vrij sterke schudding 
van den bodem, die ook langer aanhield dan de vorige. 

Het was jammer dat de kruin des bergs steeds door voorbij- 
drijvende wolken bedekt werd, waardoor de rookwolken uit 
den krater eerst op aanzienlijke hoogte als rollende kolommen 
zichtbaar werden en den hemel boven en in het Noorden ge- 
heel bedekten; verder ten Noord-oosten boven de zee streken 
die wolken meer verdeeld naar beneden , zoodat zij daar den 
horizont en een gedeelte van Halmaheira onzichtbaar maakten. 

Sedert den vorigen dag was het op de hoofdplaats wel wat 
winderig, doch bleef het overigens fraai weer, met zonneschijn. 

Bij tusschenpoozen werden weder rookkolommen uitgestoo- 
len vergezeld van rollenden donder. Deze kolommen bereikten 
om 2 uur hun hoogste toppunt en verhieven zich toen majes- 
tueus wellicht tien duizend voeten hoog en het donderend ge- 
luid nam in hevigheid toe. Het gerommel en het opstijgen 
dezer rookwolken hield des namiddags bij tusschenpoozen ge- 
durig aan. 

Tegen half 6 uur des avonds begaven wij ons over zee naar 
het fortje ïerlokko, van waar eindelijk de bergtoppen bij tus- 
schenpoozen zichtbaar werden. 

Wij ontwaarden toen dat de berg nog geheel ongeschonden 
was en dat de rookkolom nog steeds uitstroomde, maar nu. 
hoewel nog steeds van een donderend geluid vergezeld, slechts 
over den noordelijken wand des kraters heen streek en zich in 
eene bocht neerboog om verder weder opwaarts te stijgen. 
Ook dit gezicht was zeer indrukwekkend. 

Op het fortje en op den weg, dien wij overland huiswaarts 
aflegden , vonden wij eene soort van puimsteen , die veel naar 
versch gebakken klei geleek, in onregelmatige stukjes van 



198 

± V2 duim rijnlandsch en die, bij het gaan, onder den voet 
zich krakend lieten vermorselen. 

Hier en daar werden stukken schuim van grooten omvang, 
zelfs tot 3 voeten , gevonden , die door hunne lichtheid al zwevende 
waren neergezakt, zonder hunnen vorm Ie verliezen doch die 
bij de minste aanraking ingedrukt werden. De Resident schonk 
mij een zoodanig stuk hetwelk ik gaarne aan deskundigen 
tot onderzoek zal afstaan. 

De wolken bleven verder steeds den kruin des bergs om- 
hullen en voorbijzweven. 

Om 9 uur 10 minuten des avonds volgde weder eene 
aardbeving, die om 9 uur 15 minuten door een nog heviger 
schok gevolgd werd. 

Des nachts volgden gedurige trillingen van den bodem 
elkander op. 

De krater was sedert vele jaren in werking en ontlastte steeds 
rook en waterdamp. Hieraan was men reeds gewoon ge- 
worden en men schonk er weinig aandacht aan. Deze zware 
uitbarstingen verwekten dus algemeen schrik onder de bevol- 
king en toen zelfs eenige Europeanen het eiland verlieten om 
naar Halmaheira te vluchten, werd de vrees nog meer aan- 
gewakkerd. Het goede voorbeeld dat de Resident en familie 
en de overige Ambtenaren gaven , door geen vrees aan den 
dag te leggen, bracht echter de meesten weder wat tot bedaren. 
Het gevaar was dan ook, behalve door de zich herhalende aardbe- 
vingen, zoo groot niet, daar de top, waarop de krater gelegen 
is, aan de tegenovergestelde zijde van de hoofdplaats het 
laagste is en de uitstroomingen daar een uitweg vinden. 

Gelukkig was de wind in ons voordeel zoodat wij ook van 
de uit de rookwolken vallende asch en sleenen niets te lijden 
hadden, daar die meestal in zee moeten gevallen zijn en het 
lichtere gedeelte daarvan naar Halmaheira is overgewaaid. 

Den 8 Augustus om 2, 4 en 6 uur des morgens werden 
uitbarstingen, vergezeld van een donderend gemid, waarge- 
nomen. De rookwolken rolden bijna onafgebroken over den 



199 

noordelijken rand des kraters, ook toen wij om half 10 uur, 
niet den Gouvernemenls-stoomer Dassoon de reede van Terriatê 
verlieten en het eiland om de Noord rond Stoomden en 
des middags om een uur op de reede terugkwamen. 

Bij die vaart , waarbij wij om de West eene zeer onstuimige 
zee hadden te weerstaan , zagen wij den kralerlop van de 
Noord-, Noordwest- en Westzijde geheel ongeschonden. Aan 
de bovenste hellingen des tops scheen de jonge vegetatie ver- 
zengd, doch niet verbrand te zijn; op verschillende plaatsen 
hadden 7 uitstortingen over den kraterrand plaats gehad , die 
hun weg afteekeuden door versche, soms wit glanzende 
geulen en verkleuring of verwelking der vegetatie , waardoor 
zij zich een weg gebaand hadden. 

Geen enkele dier stroomen bad evenwel de kust bereikt, 
maar zij waren allen, waarschijnlijk door ongenoegzamen aan- 
voer van -lava, in hun loop gestuit. Langs de kust en het 
meer vlakke gedeelte en den voet des bergs , was alles onge- 
schonden gebleven. 

De» namiddags voor en na o uur braken weder uitbarstingen, 
vergezeld van donderend geluid, los, die de rookwolken weder 
hoog in de lucht opvoerden. 

Om kwart over 7 uur viel er eene zware ratelende donder, 
vergezeld van het uitstooten van zich hoog verheffende wolken , 
terwijl een vuurstraal, waarschijnlijk van gloeiende steenen . 
bergafwaarts zichtbaar werd. 

Om 11 uur weder eene uitbarsting met een geluid als van 
een kokende massa ; door de voor den top liggende wolken 
nam men een doorschijnenden vuurgloed van de opstijgende 
massa waar. 

9 Augustus; de krater heeft den geheelen nacht zwaar ge- 
werkt, waarbij dikwijls de vuurgloed over den rand heen zicht- 
baar werd, voor zoover de voorbij drijvende wolken zulks 
lieten doorschemeren; omstreeks 12 uur des nachts had 
weder eene lichte aardbeving plaats. 

De wind was des morgens gaan liggen en de top des bergs 



200 

geheel van wolken ontbloot, zoodat de alsnog uit den krater 
opstijgende rookwolken geheel zichtbaar waren en het bleek 
dat de kraterrand , voor zooverre zichtbaar , ongeschonden was 
gebleven. 

Volgens ingewonnen berichten zou aan de Noordwestkust 
eene vrouw door de uitwerpselen van den krater omgekomen 
en eene andere verwond zijn, terwijl nog een man vermist 
werd. De bewoners van die zijde der kust zijn allen gevlucht 
naar den Kraton van den Sultan van Ternate, waartoe zij 
dan ook wel redenen hadden. 

Om half 5 uur des avonds werd weder een lichte schok van 
aardbeving waargenomen en om half 8 en half 10 uur ont- 
ploffingen als van kanongebulder. De krater was met eene 
uitstralenden vuurgloed omringd. 

10 Augustus des morgens 6 uur was de krater versierd 
met eene verticale hooge rookpluim, doch van minderen om- 
vang dan de vorige dagen , die spoedig geheel verdween , 
hoewel bij tusschenpoozen nog rookwolken uitgestooten werden 
die van een rommelend geluid vergezeld gingen. 

11 Augustus des morgens 6 uur was de top des bergs 
helder, doch spoedig volgden weder ontlastingen van zware 
rookwolken, vergezeld van een donderend geluid. Nog enkele 
zachte aardschuddingen werden gevoeld. 

12 Augustus aan den vorigen dag gelijk. 

Des namiddags 4 uur verlieten wij met den Gou vernemen Is- 
stoomer Dassoon, gezagvoerder A. Smits, de reede van Ternate 
met de bark Wilhelmina Frederica, gezagvoerder de Wit, op 
sleeptouw. Behalve de bemanning der Dassoon: gezaghebber, 
5 stuurlieden, 3 machinisten en 34 matrozen, bevonden zich 
aan boord de Kommissaris van der Crab , 2 Prinsen van Tidore , 
mijn persoon, 5 bedienden en ± 15 zoogenaamde Tidoresche 
oppassers of volgelingen der Prinsen. Hiermede namen wij 
koers naar straat Patientie , bij goed weer en stille zee. Op de 
hoogte van Tidore hoorden wij des avonds om 6 uur nog 
het donderend geluid van den krater van Ternate en zagen 



201 

wij daarbij ook nog zware rookwolken uit dien krater op- 
stijgen. 

Den 13 Augustus des morgens bevonden wij ons reeds tus- 
schen de eilanden Batjan en de kust van Halmaheira; wij 
hadden goed weer doch den stroom tegen. Later werd de zee 
meer onstuimig, zoodat de schepen meer beweging maakten. 

14 Augustus; de wind in ons voordeel, zoodat ook de bark 
zeilen kon bijzetten en de sleeptrossen slap hingen. Goed weer, 
maar nogal deining der zee. Des avonds waren wij tot voor 
het eiland Gebeh genaderd, doch konden wegens de duisternis 
niet ankeren, zoodat wij des nachts ronddwaalden. 

Den 15 Augustus des morgens waren wij zoo ver afgedwaald , 
dat wij niet voor half één uur, des namiddags, op de reede 
van Gebeh aankwamen. 

Bij het opstoomen naar de reede heeft dit eiland geen zeer 
gunstig aanzien ; de rotsen komen hier en daar aan den dag 
en de meeste hellingen zijn met eene schrale vegetatie spaar- 
zaam bedekt, waaronder vooral vele Casnarinen gevonden 
worden. De bodem, die meestal uit koraalkalk schijnt te 
' bestaan , brengt nog geene Alang- Alang voort , maar is onregel- 
matig met eene soort polgras bezet, waar tusschen de naakte 
bodem te voorschijn komt en enkele schrale boomen en 
heesters opschieten. Op andere plaatsen, in de ravijnen, 
aan het strand en op sommige bergruggen is de vegetatie 
veel weelderiger en men treft er zelfs dichte bosschen met 
hoog opgaand geboomte aan. 

Deze bergruggen zullen hoogstens een paar honderd voeten 
hoog zijn en de afscheiding tusschen de schrale hellingen en die , 
welke met eene weelderige vegetatie bedekt zijn , is plotseling en 
scherp afgebakend ; dit moet geheel aan verschil in den meer of 
min verweerden en vruchtbaren toestand van den bodem worden 
toegeschreven ; op sommige dier schrale plaatsen , zelfs op de 
hoogste punten des eilands, welke wellicht 500 voeten hoogte 
zullen hebben, ziet men nog kolossale half verweerde koraal- 
blokken onregelmatig opgestapeld. 



202 

Den 16 Augustus des morgens vertrokken wij , in gezel- 
schap van de volgende heeren: Prins majoor Anas van 
Tidore, den gezaghebber van de bark de Wit , en de drie zende- 
lingen Nix, Bink en Meeuwig, bestemd voor Nieuw Guinea. 
Wij voeren met eene sloep naar den wal . ter plaatse waar zich 
een riviertje in zee ontlast, waaruit het drinkwater verkregen 
wórdt, en waarin men ook een heerlijk bad nemen kan. Er 
ligt echter een koraalrif voor, hetgeen belet om anders dan 
bij hoogwater , met eene sloep binnen te komen , hoewel men 
toch met gemak op bet zandige strand landen kan wanneer 
men zich uit de sloep aan wal laat dragen. 

Deze plaats (op de oostkust tegenover het kleine eiland Tau) 
waar wij landden, was onbewoond en daar wij plan hadden 
dwars over het eiland naar de andere zijde, waar eenige kam- 
pongs gelegen zijn , te wandelen en geen gids bij ons hadden , 
kostte het moeite een der dwarspaden te vinden , waarin wij 
eindelijk toch slaagden. 

Vroeger woonde de bevolking op de Oostkust, doch werd 
daar door de zeeroovers gedurig uitgeplunderd , waarom zij 
besloten zich op de westkust te vestigen , waar zij door in zee 
opgeheven koraalbanken gedekt, moeielijk met prauwen te 
genaken zijn. 

Ons voetpad leidde ons al spoedig, meestal klimmende, door 
een hoog bosch, waarin de weelderigste plantengroei heerschte. 
Na het hoogste punt bereikt te hebben, en weder een eind- 
weegs te zijn afgedaald , veranderde het terrein plotseling ineen 
open, heuvelachtige, met half verweerde koraalblokken bedekte 
plaats, waar de schrale vegetatie een geheel ander aanzien 
bad en slechts uit weinige soorten van boomen , heesters en 
eenige kolossale Gramineën , Cyperaceën en Filices bestond. De 
voornaamste waren eene boomachlige Ploiarium , waarschijnlijk 
eene nieuwe soort, die er prachtig groeide en van bloemen en 
vruchten voorzien was; voorts Phrale Casnarinas, Ficus, 2' 
soorten Bobeo, Leucopogon, eene Myrtacea met zeer fijne smalle 
bladeren, bloempjes en vruchtjes, Melastoma Santalea, Celas- 



203 

trinea, Embelin , Arundina, Dendrobium , Myrmecodia's , die 
in menigte aan het schrale geboomte in de barre zon hingen. 
Behalve eenige soorten Orchideén , kwamen slechts weinige 
epiphytische soorten dezer familie voor. 

Spoedig geraakten wij weder in een zwaar belommerd bosch, 
waarin een klein riviertje stroomde, waarbij wij wat uitrust- 
ten en ons met het heldere water laafden. 

Wij waren allen, behalve de prins en eenig gevolg, 
vooruit gesneld ; wij vervolgden dus langzaam onzen weg , tot 
wij eindelijk eenige verspreide hutten, waarbij aanplantingen 
van Suikerriet en andere kultuurplanten gevonden werden, 
aantroffen. Dit alles was stevig ompaggerd, om de wilde var- 
kens, die hier in menigte voorkomen, het binnendringen Ie be- 
letten. Een dier planters geleidde ons nu verder langs ver- 
latene tuinen en door hoog bosch, welks kolossale boomstam- 
men, tol onze verwondering, op den naakten en nog slechts 
weinig verweerden koraalbodem, weelderig tierden, tot aan het 
strand. Dit pad was zeer moeielijk te begaan, daar de pun- 
tige koraalblokken hier en daar uitstaken en de wortels der 
hoornen zich als een netwerk daarover heen kruisten. 

Zeer vermoeid bereikten wij eindelijk het strand , waar wij 
slechts eene ellendige woning vonden, maar waarin eenige 
glazen goed drinkwater ons toch zeer verfrischlen en het op 
de wandeling verdampte weder aanvulden. Wij dachten nu ons 
doel bereikt te hebben , doch bemerkten spoedig dat wij nog 
een paar palen langs het strand door het mulle zand of over 
scherpe koraalbanken of rotssteenen, door de brandende zon 
hadden af te leggen alvorens de eerste kampong Senofie, die 
uit 5 of 6 huizen bestond , te bereiken. Onze reisgenoolen 
waren aldaar reeds eenigen tijd geleden , ook zeer vermoeid , 
aangekomen. Deze wandeling bad ook onzen eetlust opgewekt, 
maar de heeren hadden niets meegebracht en in de kampong 
was niet veel te vinden ; eindelijk echter voorzag men ons 
toch van rijst en de heeren waren zoo vrij geweest om maar 
vast een paar kippen te schieten , waarbij ik gelukkig nog 



204 

een paar blikjes vleesch kon voegen, zoodat wij alle, goed 
verzadigd, des middags 3 uur de terugreis weder konden aan- 
nemen . 

Wij bezochten evenwel de hoofdkampong Ketjepie, die nog 
verder ook aan het strand lag, niet, maar sloegen direct van 
de kampong Senafie uit een voetpad in. 

Dit pad voerde ons, vrij steil klimmende, op het laag ge- 
bergte langs eenen grooten rotsklomp, die in de verte veel 
naar eene versterking geleek, daarna door bosch en ver- 
volgens bij afwisseling over dorre met graspollen , struikgewas 
en klein geboomte bezette vlakten en hellingen, die meesta^ 
met koraalblokken bezaaid waren , tot dat wij , ten laatste het 
punt van uitgang genaderd, nog van een bijna loodrechten 
bergwand moesten afdalen. Wij kwamen toen aan de andere 
zijde van het riviertje, waarvan wij uitgegaan waren, terecht 
en, na het nemen van een verfrisschend bad, keerden wij des 
avonds 6 uur naar boord terug. 

Deze laatste weg zal ± 5 palen en de eerste wellicht 7 palen 
lang geweest zijn. Op de terugreis vonden wij niet die fraaie 
bosschen die wij des morgens gezien hadden. 

De heeren hadden eenige vogels geschoten en ik had een 
rijken buit aan planten en zaden verzameld. Wel had ik 
gaarne ook eenige levende planten willen medenemen , doch 
in een dag van 12 uren, waarin men ±12 palen te voet 
moet afleggen, kan men niet alles doen wat men wel zou 
verlangen. Daarbij was de ruimte aan boord te beperkt om 
vele kisten met planten te plaatsen. 

17 Augustus; dezen dag besteedde ik met het inleggen van 
herbarium en het verzorgen van zaden. 

Den 18 Augustus bezochten wij met de Whaleboot van de 
bark, het kleine eiland Tau, doch ongelukkig hadden wij 
passagiers aanboord die mij noodzaakten terug te keeren, 
alvorens ik mijne onderzoekingen geëindigd had. Toch vond 
ik in der haast op dit schrale rotsachtige heuvelland nog ver- 
scheidene zeer interessante planten. 



205 

Wij waren eene ruime prachtige baai van dat eiland inge- 
varen, die rondom gesloten en met Rhizophoren bezet was ', 
doch die dicht aan den wal overal met levende koraalslokken 
prijkte, zoodat het landen , ter plaatse waar wij het hoogste dorre 
punt des eilands dachten Ie bezoeken , zeer moeielijk was. 
Wij brachten hel tusschen de koraal echter zoover, dat 
wij de Rhizophoren naderden , maar nu moesten wij nog 
een goed eind over een moeras, met Rhizophoren begroeid; 
over de luchtwortels heen klauterend, bereikten wij eindelijk 
na veel moeite en inspanning den vasten wal. Na verloop van 
een half uur vertrokken wij weder, doch ik had in dien korten 
tijd toch reeds verscheidene merkwaardige planten verzameld; 
om half twaalf waren wij weer aan boord terug. 

Den 19 Augustus begaf ik mij weder naar de Waterplaats 
op Gebeh om in den omtrek en langs het strand nog vele 
planten te verzamelen; van palmen vond ik slechts spaarzaam 
de Arenga Saccharifera en Sagus Rumphii, Cocos nucifera, 
Kalapa en Areca Catechu, Pinang; van dezen laatste worden 
er ook veel aangeplant en de vruchten uitgevoerd. 

In de bosschen vond ik slechts eene dunne slanke, doch 
wel 25 voet hooge Pinanga (sp.) Chavica Retle wordt niet 
aangeplant, maar wel Chavica Siriboa, waarvan de vruchten 
met kalk en pinang gekauwd worden , men zegt dan ook niet 
[makan Sirih" maar «makan Pinang". Gambir schijnen zij 
niet te kennen. 

Het eiland Gebeh is weinig bevolkt; kultuur vindt men 
enkel in de nabijheid der weinige Kampongs op de Westkust*. 
Wij zagen de volgende gewassen, die bij de bewoners in 
kultuur of in gebruik zijn: Musa of Pisang; Cocos nucifera of 
Kalapa; Areca Catechu, Pinang; Saccharum officinarum of Teboe ; 
Chavica Siriboa of Siriboea; Sagus Rumphii of Sagoe ; Bambusa 
of Bamboe Colocasia antiquarum of Tallus en Kladi, Macasia 
metallica of Bira; waarvan de bovenaardsche steng gegeten 
wordt ; Lagen aria hispida of Laboe ; matten en doozen worden 
van Pandanus bladeren, op de manier der inboorlingen fraai 



206 



beschilderd, vervaardigd; kippen en eieren waren ook te 
bekomen. 

De taal der inlanders was voor ons onverstaanbaar. 

De bevolking kan noch op schoonheid noch op zuiverheid 
aanspraak maken. 

De flora van dit eiland is niet onbelangrijk en het deed mij 
leed dat ik er niet meer partij van trekken kon. 

Langs het strand wandelende noteerde ik de volgende ge- 
wassen. 

Rhizophora div. sp. 

Aegiceras nigricans. 

Gnettarda speciosa. 

Excaecaria Agallocha. 

Barringtonia speciosa. 

Heritiera littoralis. 

Scyphiphora (sp.) 

Sanlamea (sp.) 

Terminalia Catapa. 

Iritsia Amboinensis. 

Sonneratia albo. 

Cordia subcordata. 

Hernandia sonora. 

Cerbera lactaria. 

Thespesia macrophylla. 

Calophyllum Inophyllum. 

Paritium simile. 

Pangamia grandifolia. 

Morinda citrifolia. 

Scaevola koenigia. 

Premna foetida. 

Cycas Rumphii. 

Gynometra ramiflora. 

Pandanus spurius. 

Dendrolobium umbellatum. 

Guilandina Bonduc. 



207 

I^omoea pes Gaprae. 

Graminatophyllum scriptum. 

Ploiarium (sp.) 

Aroliacea div. sp. 

Samadera (sp.) 

Wen dl an dia (sp.) 

Myrsine (sp.) 

Mecsia (sp.) 

Pandanus (sp.) 

Meloleuca (sp.) 

Loranthacea. 

Jambosa (sp.) 

Ardisia (sp.) 

Graminea div. sp. 

Cyperacea » » 

Filices » » 

Orcbidea » » 

Cassyta filiformis. 

Inocarpus edulis. 

Garcinia (sp.) 

Ficus div. sp. 

Eupborbiacea div. sp. 

Cinnaraomum 2 sp. 

Anacardiacea. 

Sapotacea. 

Moba (sp.) 

Des avonds vijf uur vertrokken wij van de Reede van Gebeh 
om de reis naar Salawati voort te zetten. 

Den 20 Augustus des avonds 6 uur waren wij voor de 
straat Darapier, docb durfden die des nachts niet te passeeren 
zoodal afgehouden en (eruggestoomd werd. 

Den 21 Augustus, des morgens, bevonden wij ons weder 
voor die straat en stoomden die nu binnen, kregen spoedig 
het eiland Balanta aan stuurboord en de groep lage eilanden 



Faam enz. aan bakboord, in hel gezicht, terwijl Waigioe 
slechts in de verte zichtbaar was. 

Al die kleine eilanden, die met eene weelderige vegetatie 
bedekt en min of meer bergachtig boven den waterspiegel 
uitkomen, schijnen onbewoond; zelfs het veel grootere Batanta 
heeft slechts weinige tijdelijke bewoners, die van Waigioe 
overkomen om ladangs aan te leggen en boschproducten te 
verzamelen. 

Welk een schat van natuurproducten zouden hier te ver- 
zamelen zijn, indien het iemand gegewen ware die streken op 
zijn gemak te exploiteeren. — Hiervan kon op deze reis, die 
een geheel ander doel had . natuurlijk niet gedacht worden ; 
voor particulieren zou zulk eene reis te kostbaar worden, 
vooral wanneer men daartoe een stoomschip wilde bezigen en 
zonder dit is het reizen hier hoogst onaangenaam en tijd- 
roovend. De reis evenwel met eene stoombarkas of iels der- 
gelijks, welke met hout kan gevoed worden en daarbij tegen 
hooge zeeën bestand is, die eenige prauwen op sleeptouw 
kan nemen, waarop men zich goed kan inrichten, zou waar- 
schijnlijk niet zoo kostbaar zijn. — Daarop zouden een paar 
deskundigen voor Botanie, Mineralogie, Geographie enz. plaats 
kunnen nemen, om van het eene eiland naar het andere te 
varen. Dit zou niet alleen geschikt zijn voor deze eilanden maar 
voor den geheelen Molukschen archipel, Nieuw Guinea, enz. 

Het mocht ons niet gelukken heden Salawati Ie bereiken. 

Den 22 Augustus waren wij des morgens de Dampierstraal 
gepasseerd en in het gezicht van Nieuw Guinea en Salawali, 
bij welk laatste eiland wij op een aanmerkelijken afstand van 
de kampong Samte — Semeter op de kaarten — het verblijf van 
den Badja aan de Noordkust, om half elf uur ten anker kwa- 
men ; echter wel een paar uur roeiens van de kampong. Kort 
te voren was echter de bark met steenkolen door de »Dassoon" 
op eene koraalbank gesleept . waardoor beide sleeptrossen spron- 
gen , hetgeen zich , na het weder aanknoopen der trossen , nog 
tweemaal herhaalde. 






209 

Ten derdemale echter gelukte liet na verloop van een uur 
de hark weder vlot te krijgen, die dan ook niet <>p de koraal 
vastgeklemd zat, maar er door de beweging der zee op stond 
ie dansen , waardeor eenige Maden koper losraakten en de kiel 
beschadigd werd; het schip bleef evenwel waterdicht en kwam 
niet verre van de plaats des onheus, in 23 vadem water ten 
anker, in welks nabijheid ook de «Dassoon" bet anker vallen liel. 

De Radja van Salawatie kwam al spoedig aan boord om 
zijn hulde te brengen aan de Tidoresche prinsen en den Com- 
missaris va> t der (]rar. Hij liet door zijne korra-korra's drink- 
water aan boord brengen en was overigens zeer beleefd en 
behulpzaam . 

Den 25en Augustus werden kolen uit de hark op de «Dassoon" 
overgeladen en het drinkwater verder aangevuld. 

Met den Heer va> der Crar voer ik in eene sloep naar den 
wal, waartoe wij 2 volle uren noodig hadden, terwijl de te- 
rugtocht in eene korra-korra met 10 scheppers in een uur 
werd volbracht. De Heer van der Crah hield zich, na eene 
conferentie met den Radja en andere hoofden, met phologra- 
feeren bezig en ik bewandelde, voor zooveel mogelijk, het. 
zandige strand om planten te verzamelen. De oogst was ech- 
ter niet groot, daar ik wegens het lage en moerassige terrein 
en gemis aan voetpaden niet binnenwaarls vermocht in te drin- 
gen . De modderige Sagoebosschen , die daar binnen gelegen 
waren, zouden trouwens ook niets opgeleverd hebben. Aan 
het strand vond ik, behalve eenige vreemde planten, complete 
rijpe vruchten met stengel en gekiemde zaden van Enhalns 
koenigie die in deze baai menigvuldig op den bodem der zee 
gevonden wordt en wiens lisachtige bladeren, steeds door de 
zee bewogen, geheele velden beslaan. De vegetatie scheen 
hier veel overeenkomst Ie hebben met die van Gebeh. Tegen 
den middag keerden wij naar boord van de «Dassoon" terug. 

De huizen staan hier aan bet strand op den vasten wal , op 
palen van 5 a 4 voet boog, hetgeen echter de zindelijkheid 
niet bevordert. De op hel water slaande huizen verdienen 

14 



210 

voor deze lieden de voorkeur wijl daaruit alle onreinheid «looi- 
de zee wordt weggeruimd. 

Men vindt hier een mengelmoes van Tidorezen , bekeerde en 
onhekeerde Papoea's, welke laatste de eigenlijke bewoners van 
hel land zijn . 

Den 24en Augustus, des morgens, werd de bark weder op 
sleeptouw genomen en meer in de nabijheid der kampong ge- 
bracht, om de noodige reparatiën aan het koper te ondergaan . 
hetgeen men wegens de menigte haaien op de vorige ligplaats 
niet durfde te ondernemen. De Radja was onze loods en bracht 
ons ook weder buiten de riffen , waarna wij door de Pittstraai de 
reis naar de Maccluerbaai (Telok Berouw) voortzetten : de bark 
werd f e Salawatie achtergelaten. 

25 Augustus; des nachts onder regenbuien^ en koele zee 
goed doorgestoomd zijnde, ankerden wij des middags 5 uur 
aan stuurboordzijde in een inham van de Maccluerbaai voor 
de kampong Patipie, waar eenige Gerammezen onder de Pa- 
poea's gevestigd zijn : de Gerammezen , die hier ten handel ko- 
men, brachten, met de inlandsche hoofden, aan boord een be- 
zoek , doch boden ons niets te koop aan. Aan het strand was 
eene kleine kampong dezer lieden zichtbaar: maar overigens 
was er §een spoor van kuituur, daar alles nog in een natuur- 
staat verkeerde en tot in zee met geboomte bezet was: wij 
vonden ook geene gelegenheid om aan den wal te gaan . Dé 
baai is hier zoo breed , dat van de overzijde ten noorden niets 
te zien was. 

Den 26en Augustus stoomden wij verder naar een anderen 
inham, waarin de kampongs Kapitoeha en Siesier, die te zamen 
in oorlog waren , gelegen zijn. De lusschenkomst van de 
Prinsen van Tidore en den Commissaris om die lieden mei 
elkaar te verzoenen bleef vruchteloos. 

Den 27en Augustus staken wij de baai dwars over naar 
Tambanie, de plaats waar een geschil was ontstaan tusschen 
de inwoners en de Italiaansche bemanning van een schip 
onder Engelsche vlag. Die zaak had zich aldus toegedragen 



211 

De Italianen zonden twee sloepen naar den wal, doch hadden 
niemand bij zich die melde inlanders spreken kon ; waarschijn- 
lijk hebben de Italianen varkens willen koopen en , toen dil 
dit niet gelukte, een varken van bet hoofd der kampong 
doodgeschoten en eene prauw met Sagoe gerooid en vernield. 
Hierop hebben de Papoeas de sloepen aangevallen, eene vlag 
en een achlerlaadgeweer gerooid en een man met eene speer 
verwond, waarna de Italianen hel. hoofd der kampong met 
een revolver doodschoten, twee andere verwondden en toen 
ouder allerlei bedreigingen het hazenpad kozen. Het geweer en 
de vlag zijn aan de Cerammers verkocht, doch, zoo ik meen , 
later aan de bevoegde autoriteit uitgeleverd. 

De prinsen zonden eene inlandsche prauw met 5 man naar 
de kampong Tambanie, die den zoon van hel doodgeschoten 
Hoofd vrijwillig aan boord der Dassoon brjaehten ; met behulp van 
lolken bracht hij de zaak tot klaarheid. 

Hij noodigde ons uit om aan den wal te komen, belovende 
ons vogels, enz. te zullen verschaffen. — Wij waren echter, 
als gewoonlijk, te ver van den wal geankerd, om van dit 
vriendelijk aanbod te kunnen profiteeren. De man werd naar 
Kapitoeha medegenomen om van daar weder huiswaarts te 
keeren. 

Den 28en Augustus slaken wij weder naar Kapitoeha over. 
om de geschillen aldaar, zoo mogelijk, te beslechten, hetgeen, 
zooals bereids gezegd is, niet gelukte. De kwestie was deze: 
Hel volk van Siesier had een man van Kapitoeha omgebracht, 
waarop de bewoners van deze laatste kampong wraak namen 
en twee man van Siesier doodden ; zoolang nu nog niet één 
man van Kapitoeha gesneuveld was, kon de strijd niet op- 
gegeven worden , en dat het ernstig gemeend was bleek ten 
duidelijkste, door dat de prauwen van weerszijden met schiet- 
geweer en boog on pijlen goed gewapend waren en elkander 
trachtten Ie belagen, 

Aan een openlijken aanval scheen geen van beiden zich Ie 
durven wagen. Die van Siesier kwamen niet weder aan boord t 



*)$ 



doch «lie van Kapitoeha deden ons, des namiddags 4 uuf, 
met een 12 lal prauwen uitgeleide, toen wij langs de zuid- 
kust de haai verder invoeren. De kust is hier overal steil en 
hergachtig en is geheel met eene rijke vegetatie hedekt, zoo- 
dat zelfs de rotsen zelden zichtbaar worden; de overzijde 
scheen uit laag land te bestaan, dat tot in zee afdaalt. De 
vele eilandjes echter, die voor de inhammen in menigte voor- 
komen en tussehen welke en den vasten wal men teil anker 
komt, beslaan geheel uit rotsmassa's ; die ook geheel begroeid 
zijn, doch wier naakte loodrechte fondamenten, waarlusschen 
in de spleten ook al eenige heesiers voorkomen, en die soms 
25 voeten en meer hoog zijn, alle door de zee ondermijnd 
zijn en evenals een schip met voor en achtersteven, of wel 
scholelvormig, boven water slaan. 

Met den avond ankerden wij in de Argoenibaai tusschen de 
daarvoor liggende eilanden en den vasten wal: spoedig kwam 
er eene prauw aanboord met den Iman, daar de Radja op 
reis was. 

In deze streken moeten veel vogels en andere dieren voorko- 
men , die levend of als huiden in den handel komen ; maar deze 
worden niet gevangen, dan wanneer de Ceramsche handelaren 
voorschotten daarop geven en een geruimen tijd daar vei 
toeven: dan eerst gaat men op de vangst uit, om alles dade- 
lijk te kunnen afleveren, daar de inboorlingen er geene me- 
nageriën op na houden. Wij kregen dan ook weinig van al 
dat fraais te zien. Het zijn voornamelijk kraanvogels , paradijs- 
vogels en loeries, die hier te verkrijgen zijn. 

Den 29en Augustus, om 9 uur des morgens, verlieten wij 
Argoenie en stevenden verder langs de kust lol Dorimha . 
alwaar wij kwart over 10 uur reeds aankwamen en ankerden. 
Wij lagen steeds te ver van den wal om de vegetatie te kunnen 
onderkennen en hoe interessant die mij ook toescheen , was het 
mij toch niet vergund, die van nabij te mogen bezichtigen. 

Des middags één uur verlieten wij deze plaats weder en 
voeren steeds oostwaarts langs de zuidkust der baai, die tot 



215 

dusverre overal steil en bergachtig was, doch, mei ver van 
Dorimba, in eens in laag land overging; zoo zelfs dat er geen 
enkele heuvel ot* verhevenheid meer te zien was. Alleen 

de kust was met groen bedekt. - Tegen den avond ankerden 
wij voor Bintoeni, waar hel land nog allijd laag, doch meer 
mei bosch bezet was. — Aldaar zagen wij aan het strand, 
vóór de bosch vegetatie en geheel op zich zeil' slaande, 
geene andere rotsen waren zichtbaar een als door inenschen- 
handen vervaardigden gladden loodrechten muur, van 10 a 50 
voet hoogte en eenige honderden voelen lengte, en volgens onzen 
loods, van eene roode krijtachlige zelfstandigheid. 

Geene kampong was hier zichtbaar, maar wel bevonden er 
zich volgens zeggen der aan boord zich bevindende inlanders 
een paar op een half uur afslands landwaarls in , en , wanneer 
men aan hel si rand een geweerschot loste, zouden de bewo- 
ners zich wel komen verloonen : hieraan werd echter geen 
uil voering gegeven. 

Van hier uit was nu ook door versmalling der baai het lage 
land aan de noordzijde der baai weder zichtbaar; op den 
achtergrond vertoonde zich daar nu ook gebergte, hetgeen van 
die zijde nog niet gezien was. 

Den 5()en Augustus, 's morgens om 7 uur, vervolgden wij 
den koers oostelijk zonder iets van de bevolking bemerkt te 
hebben 'och wij keerden na een paar uur stóomens langs 
den zelfden weg terng. 

Tegen den avond ankerden wij weer voor l*alipie, om den 
liadjaloods van Ceram dien wij hier handeldrijvend gevonden 
hadden en die de reis in de baai verder mede gemaakt had, 
weder aan land te zetten. 

De handel der Cerammers bestaat hier hoofdzakelijk uit 
Sagoe, waarvan uitgestrekte bosschen moeten aanwezig zijn. 
die geene eigenaren hebhen . maar waarin een ieder naar wel- 
gevallen oogsten kan, mits hij tot dezelfde streek behoort: 
menseben uit andere streken worden zonder verlof 3 zelfs in 
de kampongs. niet toegelaten, Dit is echter hoofdzakelijk van 



214 

toepassing op de streel? aan de lage noordzijde der baai bij 
Tamboni, waar vele Sagoebosschén gevonden worden. 

Verder bestaan de bandelsvoorwerpen uit Tripang, vogel- 
neslen , parelen, wilde noolmuscaat , mossooibast , Poelasari, 
Hossamala en de hiervoren reeds genoemde vogelsoorten. Tol 
ruiling voert men aan: kain itam, kain poeüb , kain bladjoe 
ol' ongebleekt katoen, bonte doeken, koperdraad voor armrin- 
gen, boscblemmermessen , parang's of pedo's (een soort van 
kapmessen , die te Ternate vervaardigd worden) , bijlen , 
koralen, kogels, bagel, buskruid en zelfs geweren, welke 
laatste op boogen prijs gesteld worden, al ware bet slecbls om 
elkaar dood te schieten; ecbler worden ze ook voor de jachl 
gebezigd. 

Om bier handel te drijven , zou men van gidsen , die de 
versebillende talen machtig zijn en welke hier nog wel gevon- 
den worden , moeten vergezeld worden , want iedere streek heeft 
weder eene andere laai, die soms door de buren niet dan bij 
uilzondering verstaan wordt. De inlanders zijn wel niet veel 
Ie vertrouwen, doch zij erkennen hier nog de oppermacht van 
den sultan van Tidore, zoodat men onder diens bescherming', 
vrij veilig kan zijn . 

Üe kampongs bestaan hier meestal uit hoogstens 10 a 12 
huizen, die veelal aan bet strand op palen in zee gebouwd 
zijn en met eene brug van boomstammen aan den vasten wal 
zijn verbonden. Hel zijn ellendige hutten, doch de inlanders 
gevoelen geene behoeften om in paleizen te wonen. 

De lage landen schijnen moerassig doch voor den Sagoebooin 
zeer geschikt te zijn. Het gaal hier van het eene uiterste in 
het andere ; de bodem is of te hoog en Ie steil of te laag en 
te moerassig om voor geregelde kuituur geschikt te zijn. 

Zonderling genoeg vindt men weder het hooge land aan de 
zeekust en het lage meer binnenwaarts, wat wel eënigszius 
aan Nieuw Holland doel denken. 

Van dieren kregen wij slechts aan boord te zien : eene boom- 
kangoeroe (Macropus ursinus f) en een paar soorten van Loerie's , 



215 

die als geschenken voor de Prinsen van Tidore werden aan* 
gebracht . 

Den 51 Augustus, des morgens half aclil uur, vertrokken 
wij van Palipie om door de Piltslraal naar Salawalie lerug Ie 
keeren en het kolenschip af te halen. Hier overleed de eerste 
mal roos van de bemanning der »Dassoon" aan de beri-beri. 
Hij werd, met krijgsmanseer, aan de golven ten prooi gegeven. 

Den len September bevonden wij ons des morgens voor de 
Pil Is l raat, en voeren die in, om nog dien dag op de reede 
van Salawalie aan te komen. 

Hel land van Batanta en Salawalie is hier, even als dat in 
de Maccluerbaai , geheel niet geboomte bedek l , doch zoo steil 
dat het weinig voor kuituur geschikt is. Men ziet daarvan 
ook geene sporen ; evenwel ziet men aan den voet van liet 
eiland Salawalie hier en daar enkele kampougs en enkele hul- 
len lot lijdelijk verblijf, doch weinig vaste verblijfplaatsen , met 
uitzondering van een paar woningen aan de zijde van Batanta. 

Den 2en September had ik het geluk eene korra-korra van 
de inlanders te kunnen huren, om de eilandjes in de nabijheid 
der reede van Salawalie te bezoeken ; wij roeiden het eerst 
naar Poeloe Bain , waar het op de omliggende kale rotsen we- 
melde van verschillende soorten van snippen ; wij kregen eenige 
hiervan onder schot en mochten een tiental machtig worden. 
Het rotsige eiland leverde nog al verscheidendheid aanplanten- 
soorten op , zoo hooge hoornen als heesters en vaste planten 
doch ik vond daaronder weinig andere dan mij reeds bekende 
planten; slechts eenige Filices waren van mijne gading. 

Van daar slaken wij over naar het eilandje Roemkobo en 
drie anderen, in eene lijn met het voorgaande gelegen, doch 
daarvan door smalle straten gescheiden, die bij eb bijna droog 
vielen. Wij scholen hier ook eenige vogels, waaronder een 
groot soort snippen , die beerlijk smaakten. In het geheel 
verkreeg ik 25 vogels en een ei van den zonderlingen nialeo 
(megapodius) , die hare nesten van wel eene roede in diameter 
en eenige voelen hoog, uit aarde en ruigte samengesteld, met 



216 

hare sterke poolen en geheel daartoe ingerichte nagels, weet 
op te werpen , orii daarin hare eieren te hegraven , die dan 
zonder verdere zorg der moeder, maar door eene lichte 
hroeiing van hel nest, zich ontwikkelen, lot dat de kuikens 
eindelijk voor den dag komen en, geene moeder kennende, 
zichzelve het noodige voedsel weten Ie verschaffen, 

Jn deze streken worden ook veel paradijs-vogels gevonden , 
evenals zwarte kakatoea's , en wilte met gele kuiven, de 
Loerie-Kadja en andere soorten dezer familie, doch ik had hel 
geluk niet, iets daarvan te hekomen, 

Het wel een paar palen lange, doch zeer smalle eiland lloem- 
hoho, dat ik in de brandende zon geheel rondwandelde en dal 
mij menigen zweeldroppel kostte, leverde echter verscheidene 
gewenschte planten op, waaronder eene bijzonder fraaie Den- 
drobium waarvan ik ook levende planten medebracht. Tegen 
5 uur des namiddags begon de lucht aan den vasten wal van 
Nieuw Guinea een dreigend aanzien te krijgen. Om deze reden 
en omdat ik niets nieuws meer wist te vinden, haastten wij 
ons naar boord terug Ie keeren. Daar het nog laag water 
was, moesten wij een goed eind weegs over een koraalrif lot 
aan de knieën in hel water wandelen om bij de prauw te 
komen. Dit rif van koraal en zand strekt zich over de geheele 
lengte van het eiland uil, doch bij hoog water kan men er, op 
sommige plaatsen , lot aan het zaudige strand met prauwen 
over heen varen. 

Aan boord gekomen , moest ik mijne planten nog verzorgen 
en inleggen waarmede ik , bij regen en dekwasschen , nog 
voor het donker werd, gereed kwam. 

Den 3üen Septemher maakten wij , de Heeren van der Crar , 
de Wit en de Prinsen van Tidore, met de »Whaleboot ,, van 
de Wit, een reisje naar Poeloe Sarrong , dat vlak onder den 
vasten wal van Nieuw Guinea gelegen is en waar eene vrij 
grqote kampong op den vasten wal voorkomt. Wij maakten 
eene wandeling langs het strand, doch ik vond hier niet veel 
anders dan hetgeen ik reeds oj> Koembobo gezien had; ook 



217 

de fraaie Dendrobium van dat eiland kwam bier menigvuldig 
in bloei voor. Uene bijzonderheid dezer plan! is, dat zij, in 
tegenstelling niet velen harer geslachlgenooten , die soms maar 
een enkelen dag bloeien, bare bloemen zeer lang conserveert; 
aan boord bad ik daarvan nog wel eene maand genot. 

Aan bel strand zagen wij zeer oude en zware boomen van 
Colophyllium Jnophyllium , Njamploeng , Terminalia Ga la pa 
Katapang en Jambosa (sp.) De vruchten dezer laatste waren 
geheel mei pillen, zonder vleeseb , gevuld. Al deze boomen 
waren bedekt met woeker en slingerplanten, waaronder ver- 
scheidene soorten orehideén , varens, Myrineeordia , Hydrophy- 
li.um , enz. 

Omstreeks 3 uur des namiddags namen wij de terugreis aan. 
maar nu in eene overdekte korra-korra met 22 roeiers en te 
zamen 40 man aan boord van den Radja van Salawatie. De 
korra-korra was wel ruim genoeg, doch wij konden er wel 
inliggen , maar niet zitten, zoodal onze beenen ons niet wei- 
nig tot last verstrekten. De terugreis duurde 3 uur en daar- 
bij overviel ons, voor wij aan boord kwamen, nog eene win- 
derige regenbui. 

Na de wandeling op l'oeloe-Roembobo, bemerkte ik aan mijne 
beenen, boven de enkels, honderden roode blaasjes, die eene 
sterke jeukte veroorzaakten; ook andere heeren , die daar ter 
jacht geweest waren, ondervonden hetzelfde. Men schreef dit. 
toe aan iiet zeewater,, waarin wij geloopen hadden, doch ik 
geloof dat bet door eene soort van vlooien , die zich overal 
op de maleonesten , waai" wij op geloopen hadden , ophouden , 
ontstaan was. Het wasschen met spiritus gaf veel baal en 
na verloop van 5 dagen begon de jeukte te verminderen en 
verdwenen de blaasjes ook langzamerhand. 

Hel weer was sedert ons verblijf te Salawati, nog al buiig . 
voor;»! des avonds en des nachts, doch 's morgens belder. 

Den oen September verlieten wij, des namiddags 5 uur , mei 
Ie bark op sleeptouw, de reede van Salawali. De bark was 



218 

hier op de beschadigde deelen der kiel door het volk van 
Tidore, dat aan boord van de »I)assoon" was, weder van koper 
voorzien; onder deze lieden bevonden zich goede duikers. 

6 September. De koers was naar de Geelvinkbaai; V mor- 
gens buiig weer, geen zon te zien, maar wel eeue school 
van 5 a 4 walvisschen (Physeler macrocephalus ? Cachelot en 
spermacelivisch) , die tot 6 voel lang wordt. Ook vertoonden 
zich veel Dolfijnen of bruinvisschen, Delphinus Orca ? bijge- 
naamd de boer met zijn varkens. 

Na den middag klaarde de lucht wat op en wij kregen (oen 
de kaap de Goede Hoop van Nieuw-G uinea in 't gezicht. 

7 September. Des morgens fraai weer. Wij waren nog 
altijd varende langs de kaap de Goede Hoop. Het land is 
bergachtig en steil uit zee oprijzende; behalve de kust, was 
hel land meestal bewolkt. 

S September. Daar wij den vorigeu dag de Geelvinkbaai niet 
konden bereiken, werd des nachts langzaam aanges toomden wij 
bevonden ons des morgens op de hoogte van hel Arlak-gc- 
bergle, waarvan de hoogte als 9400 voet wordt opgegeven; 
hierop zal echter, naar onze meening wel wal af te dingen 
zijn. Het voorliggende, aan zee grenzende gebergte is (aag 
en hel hoogere Arfak-gebergle vertoont zicb geheel op den 
achtergrond: 

Tegen den middag kwamen wij in de Geelvinkbaai op de 
reede van Doreh ten anker, in de nabijheid van een zendc- 
lingsposl; zulk een is ook op het tegenoverliggende eilandje 
Mansinama gevestigd. De twee hier wonende zendelingen van 
Hassell en Beijer kwamen een bezoek aan boord afleggen. Deze 
arme lieden zijn recht gelukkig als er eens een schip binnen- 
komt, daar dit zeer zelden gebeurt. 

De reede is bijna geheel door de eilandjes Mansinama eu 
Meosmapie ingesloten , zoodat men van daar geen verder ge- 
zicht in deze groole baai heeft. 

De huizen, als men die zoo noemen mag, der hier wonende 
Papoeas, zien er ellendig uil en staan allen op het water, dichl 



219 

hij 'l strand, waaraan zij mei ellendige bruggen, enkel be- 
gaanbaarvoor een Papoea, verbonden zijn. Die huizen , eigenlijk 
slechts afdaken . zijn zeer laag op paaltjes gebouwd en voor- 
zien van een dak dat veel gelijkenis beeft met een omgekeerde 
platboomde prauw ; zij beslaan uil de bladeren van den Sagoe 
of den Nipapalm, al nadat deze bet gemakkelijkste te verkrij- 
gen zijn; de zijwanden zijn ± 5 voet boog, zoodal men er 
niet rechtop in gaan kan. 

Tal van vleugelprauwtjes kwamen langs boord om Ie han- 
delen, hoewel zij weinig te verhandelen hadden en dan nog 
liefst rijksdaalders ontvingen, welke zij lot armbanden weten 
Ie verwerken. Zij waren echter, voor zaken van weinig 
waarde, ook met ledige flesseben levredcn, maar liever badden 
zij volle, wijl zij groote liefhebbers van sterke dranken zijn; 
peda's of kapmessen, boschlemmermessen , bijlen enz., zijn de 
gewone betaalmiddelen. Zij brachten Ier ruiling aan tabak 
van het Arfak-gebergle, citroenen, kladi, bira , wille kakaloea's 
met gele kuiven, groene en roode Loeries, de 3 laatstge- 
noemde a ƒ 2.— hel stuk, versehe visch , mismaakte ge- 
droogde parad ijs vogels, kangoeroe's, koesoe's enz. 

Den 9en September voer ik mei een prauwtje naar het eiland 
Mansinama, in de wandeling Mansinam genoemd, om Ie, 
botaniseeren. 

Ik mocht hier verseheideue gewenschte planten verzamelen, 
doch vond er ook vele oude bekenden van Java en elders 
lenig. Ook woont hier de zendeling van Hasselt niet zijne 
vrouw en de weduwe van den overleden zendeling Geissler. 

Hel eiland Mansinama ligt hoogslens een half uur roeiens 
van Doreb en is wellicht niet hooger dan 50 voeten boven de 
zee verheven. Hel bestaat geheel uit koraalkalk , die, op hét 
hoogste gedeelte nog niet genoegzaam verweerd, slechts eene 
schrale vegetalie van hoornen, heesters en schraal gras voor 
Ifen troep koeien van de Wed. Geissleh , draagt; ook koml 
d<- koraal nog hier en daar aan den dag. Op sommige 
plaalsen, aan do hellingen, is de vegetatie veel rijker en 



220 

vindt men zelfs hoog en zwaar geboomte evenals langs 
He kust; hoewel aldaar alles nog mei koraalblokken 
bezaaid is en de banken daarvan zich lol in zee uitstrekken 
De kalapaboomen groeien er vrij goed. De zuurzak Anona 
muricata is er ook reeds ingevoerd en verspreid, evenals eene 
goede soorl oranje-appelen; deze vindt men echler enkel nog 
maar bij de zendelingen. 

Des middags keerde ik mei een rijken buit naar boord 
terug en vond nog lijd genoeg om het verzamelde Ie verzorgen. 

Den 10 en 11 Seplember bezocht ik de omsl reken van 
Doreh , dal aan den vasten wal van Nieuw Guinea gelegen is. 
en waar de zendeling Beijer zijn verblijf houdt. 

Zoowel langs het strand als langs een binnenpad verzamelde 
ik weder vele planten en zaden, waarbij eenige Papoeasche 
knapen, «I ie een weinig ma leis eb verslonden en die mij door 
den lieer Beijer waren medegegeven , mij vergezelden. Hel 
waren aardige jongens, die mij zeer bescheiden op bloemen en 
vruchten opmerkzaam maakten, maai' toen ik naai' bun zin Ie 
ver ging en ik naar hunne verloogen om terug Ie keeren niet 
luisterde, maaklen zij rechtsomkeert en verdwenen. Op deze 
wandeling zag ik ook een binnenlandseh buis, zooals de berg- 
bewoners gewoon zijn Ie bouwen en dal. geheel overeen- 
kwam met de beschrijving, door de kommissie in 1858, mei 
de »Etna", daarvan gegeven, bij hel verbaal van een bezoek Ie 
Ajamboerie boven Doreh. De bewoners der huizen houden zieii 
geheel met den landbouw bezig en ruilen hunne produelen 
met de slrandbewoners legen visch en hel geen zij meer kun- 
nen aanbieden. 

Doreh en Mansinama waren in oorlog mei hel eiland Bun 
of Boen, waardoor de vaart in die streken gestremd was, de 
laalslen hadden menschen van de eersten geroofd en een paar 
gedood. De geroofden waren door tusschenkomsl van een ban- 
delaar teruggekocht, doch nu rustte op de beleedigde parlij 
de verplichting om wraak te nemen, want, indien zij dit niet 
deden, zouden zij allen ongelukkig worden, dikke buiken krij- 



Vl\ 



gen, enz. Van dien oorlog was hij onze terugkomst uit de 
Hum bol ds baai nog niets gekomen, doch d<' zaken waren ook 
niet vereffend , ofschoon de Commissaris met de Runners reeds 
èene overeenkomst had gesloten, die echter door de Dorehers 
en Mansinammers niet werd aangenomen. 

Den 12en September, des avonds 6 uur, verlieten wij de 
Reede van Doreh om bezoeken in de Geelvinkbaai Ie gaan af- 
leggen. De zee werd spoedig wat ongemakkelijk en des nachts 
kregen wij regenbuien waarbij de boot geducht begon te slin- 
geren , hetgeen den volgenden morgen nog voortduurde. 

13 September. Hel. Arfakgebergte badden wij des mor- 
gens reeds uit bet gezicht verloren en , boewei wij de baai 
invoeren, was toch nergens land te zien, totdat wij Massore 
en eindelijk Japin of Jobie in bet gezicht kregen en om 2 uur 
des middags voor Ansoes hel anker lieten vallen. Alhier kwam 
een 10-tal prauwen langs boord, die echter niets dan versche 
en gerookte visch te koop badden. Daar men de bevolking 
niet meende te kunnen vertrouwen, werd er een gewapende 
sloep naar den wal gezonden. Die lieden schenen echter zoo 
kwaad niet te zijn; wij zagen evenwel een man met een ka- 
katoeaveer op zijn baarkam, belgeen beduiden zou dat hij reeds 
een menscb gedood had. Het was bijna 6 uur des avonds, 
toen wij met eene sloep naar de kampong roeiden, die uit 59 
buizen bestond. Het was echter reeds donker en te laat om 
nog aan wal te gaan, zoodat wij onverrichter zake weder aan 
boord terugkeerden, na alvorens met de hoofden gesproken te 
hebben. Het eigenlijke hoofd (de korano) was smoord ronken, 
doch den volgenden dag kwam hij zijne excuses maken. 

De bewoners van een en dezelfde kampong hebben ook soms 
oorlog onder elkander, hetgeen ook hier bet geval was. 

Den 14en September werd een, den vorigen dag overleden, 
matroos aan den wal begraven. Hij was de tweede die op onze 
reis stierf. 

Bamboe voor sassak's om het herbarium te droogen was 
hier nergens te verkrijgen. Te Doreh moest men de bamboe 



222 

voor watervaten enz. van Amberbakin, aan hel Arfakgebergte , 
ontbieden; wel komt overal bamboe voor, doch die is te dun 
en Ie zwak van hout. Gelukkig bad ik eene goede hoeveelheid 
dier sassak's van Ternate medegenomen, maar moest mij ove- 
rigens met de dunne en zwakke soort behelpen. 

Des avonds 5 uur roeiden wij met de sloep van de Dassoon 
naar de waterplaats, waar een straal van een paar duim 
rijnl. diameter van het zuiverste water, van eene steile rots, 
die echter met eenige inspanning te beklimmen is, door een 
slansf in de watervaten kan geleid worden, zonder dal die 
val en uit de sloep behoeven genomen Ie worden. Na de rots 
beklommen te hebben, vond ik daarboven een beekje, dat bel 
water aanvoerde, doch het was mij, zonder uitkapping van 
het struikgewas, waartoe de lijd ontbrak, niet mogelijk om 
verder door te dringen ; ik moest mij dus vergenoegen mei 
een paar plantensoorten, die onder mijn bereik vielen. 

Eene menigte prauwen kwamen langs boord, waaronder 
ook eene met 5 vrouwen, die op geene schoonheid aanspraak 
konden maken. In alles gelijken zij uitwendig op de mannen, 
behalve het korle baar, en groote hangende borsten. Allen, 
zoo mannen als vrouwen, zijn bier gekleed met een Ijidoko, 
dat is een lapje boombast juist groot genoeg om de schaam- 
deelen te bedekken. Tegen de gewone ruilartikelen (ook van 
zilvergeld waren zij, even als leDoreh, niet afkeerig) brachten 
zij te koop: Pisang, Ananas, Laboe, Lansep, Baun , de vrucht 
van eene in hel wild groeiende Sapolacea en diverse soorten 
visch, die nog al smakelijk, doch vol graten was. Van para- 
dijsvogels zag ik er slechts één, die daarbij slecht geconsei 
veerd was. Touwwerk, waarschijnlijk van Ganemo, Gnetui 
Gnemon, hielden zij op prijs en iedere prauw was voorzit 
van vischnetlen, waaruil ik besluit dal het hier zeer vischiïjk 
is. Van boog en pijlen waren zij ruim voorzien. Kroondui- 
ven komen er ook voor, doch om die te gaan vangen badden 
zij eenige dagen noodig; roode Loeries waren bier minder dan 
te Doreb ; witte kakatoea's zag ik er niet, hoewel zij in de 



223 

bosschen gehoord werden. Pisang tongkat langit, zooals U 
Arabon, sagoe, Iripang, karel suikerriet, Nipahlad voor sigaren 

(roko) waren ook voorhanden 

Van hunne kuituur ziel men weinig daar de tuinen meestal 
in de bosschen verscholen liggen . 

Hij gebrek aan goeden palm wijn vergenoegen zij zich met 
dien van den Ni napalm, die van veel mindere kwaliteit moei 
zijn en welken ik nergens anders zag gebruiken. Daaraan be- 
drinken zij zich nog al eens, zij maken dan een vreesl ijk leven 
en zijn zeer gevaarlijk . wijl zij er niets in zien den een 
of ander, ook zonder reden, overhoop te sleken. 

15 September. Des morgens 8 uur waren wij gereed om 
Ie vertrekken, doch, wegens eene opkomende regenbui, die 
wij eerst voorbij lieten trekken, werd het 10 uur eer wij 
onder sloom gingen. Bij dit vertrek waren een lo-lal prau- 
wen, die slechts aan eene zijde van een vleugel voorzien wa- 
ren, rondom het schip verzameld en de opvarenden stonden 
wonderlijk Ie kijken, toen zij ons vaartuig, zonder wind of 
riemen, zagen vertrekken; zij badden te voren nog geen stoom- 
schip gezien. 

Een groot lang eiland kregen wij in 't gezichl , doch wij 
konden dit voor den nacht niet bereiken, zoodal er om 5 uur 
's avonds gestopt werd en wij, wijl bier geen ankergrond te 
vinden is, moeslen blijven drijven. 

16 September. Des nachts gingen wij weder onder stoom 
en ankerden des avonds in een inham van Na pan , waar slechts 
3 door de eigenaren verlaten huizen aan hel si rand Ie zien 
waren. Hier was vroeger de zendeling fl. Beuer , sedert naar 
Europa teruggekeerd, broeder van den nog te Doreb aanwe- 
zigen C. G. Beuer, gevestigd geweest, doch niet langer dan 14 
dagen . omdat bet daar voor hem niet uit te houden was. 

Wij lagen bier in eene stille en veilige haven, geheel door 
gebergte ingesloten. De steile, uil zee oprijzende, bergrug- 
gen van 100 tot wel 2000 voet hoogte, zijn allen mei eene 
prachtige vegetatie bedekt, doch wegens de steilte voor kult uur 



224 

minder geschikt: evenwel ziet men hier en daar plaatsen die 
voor kuituur gediend hebben en waarop zich nu reeds weder 
eene jongere vegetatie gevestigd heeft. Het was hier zeer koel 
en des avonds om 5 uur werd de strandvegetatie reeds met 
eene witte streep wolken bedekt. Deze dampen zag men overal 
uit de lagere bosschen Ie voorschijn komen, des morgens hin- 
gen dergelijke wolken nog altijd langs den voet van het gebergle. 

17 September. Heeds met het aanbreken van den dag 
waren wij weder onder stoom en om één uur des namiddags 
ankerden wij in de bocht van het eiland Roen of Run, waar- 
op 5 kampongs van o en 7 huizen, benevens een paar dui- 
ventillen, tol logies van ongehuwde jongelingen, aanwezig wa- 
ren. De derde kampong kregen wij echter niet te zien. 

De inwoners die geen zuiver geweten hadden , waren in den 
beginne te vreesachtig om aan boord te komen, doch, toen zij 
door tusschenkomst van Orang Pefain, lieden van de Oostkust 
van Halmaheira, die hier namens den Sultan van Tidore, handel 
komen drijven en die met een paar korra-korra's aanwezig 
waren, gerust gesteld waren en toen zij zagen, dat wij geene 
vijandelijke bedoelingen hadden, kwamen zij wat meer op 
bun gemak. 

Des namiddags half vijf uur, gingen wij aan wal en besteeg 
ik het lage gebergle, dat, niet ver van het strand , al dadelijk 
zeer steil is. Een met half verweerde rotsen bedekt voetpad 
leidde naar boven, waarschijnlijk naar tuinen verder in het 
gebergte. 

Ik vond weinig van mijne gading maar toch zag ik liiei 
niet ver van liet strand een prachtige boom varen van + 1 
voet hoog en ook eene Angiopteris. Eene Metroxylon kwan 
hier ook veelvuldig voor en stak met zijne hooge kruin boven 
al het overige geboomte uit. 

De overige vegetatie leverde niets bijzonders op. 

De eilanden en eilandjes in de Geelvinkbaai en elders ofi 
onze reis, waren ouielbaar en de vaste wal daarvan soms 
moeielijk te onderscheiden, te meer daar deze zoo ongelijk- 



: 



vorinig van voorkomen is, door hooger en lager in elkander 
geschoven gebergte, vooruitspringende kapen en ver terug 
gedrongen land, met ravijnen en inhammen. 

Drinkwater, waaraan op de meeste plaatsen gebrek is , door- 
dien hel gebergte steil in zee afdaalt, was hier overvloedig, 
zoowel uit verschillende spruitjes als van een fraaien waterval, 
die met eenige étages van de rotsen neerstortte. 

Het was heden fraai weer, doch des avonds kwam er eene 
regenbui , van wind vergezeld , opzetten ; den ganschen nacht 
hield deze bui aan. De gezaghebber was hierdoor niet op 
zijn gemak, wijl wij dicht onder den wal, op 35 vademen 
diepte, met 60 vadem ketting geankerd waren. Dreef de wind 
ons nu naar buiten, dan kon het anker losslippen en wij met 
een hangend anker op de banken of klippen geraken. Geluk- 
kig bleven wij rustig liggen , hoewel de donkere zware lucht 
den volgenden morgen nog niet opgetrokken was. 

18 September. In den loop van den voormiddag klaarde 
de lucht op en wij kregen daarna zelfs nog zonneschijn; ons 
vertrek werd echter vertraagd door het wachten op een der 
ingezetenen, die van misdaad beschuldigd was. 

Heden bracht men mij bloemtrossen en jonge vruchten , later 
ook plantjes, van de slanke Metroxylon elalum, Wajowan. 
Tot mijn leedwezen zijn die plantjes aan boord allen gestorven. 

Den 19en September, des morgens 8 uur, verlieten wij het 
eiland Roon, medenemende een verdacht persoon, genaamd 
Mangarani, korano moeda van dat eiland. Het bleek later 
evenwel, dat hij niet schuldiger was dan de meeste zijner 
landgenooten. Deze Papoea sprak vrij goed maleisen en had 
meermalen op handelsschepen en prauwen als loods gefungeerd 
en was daarbij een geslepen rot. Wij hebben ons dikwijls 
over zijne snedige antwoorden en gezond verstand verwonderd , 
en daar hij wel niet de eenigsle Papoea zijn zal, die een 
gezond menschenversland bezit, zoo kan ik met anderen niet 
instemmen dat deze Papoea's geen menschen , maar apen zijn; 
en ik geloof dat zij, nieltegenslaande hunne naaktheid en 

15 



pruikachtig haar, onder hunne omstandigheden even vernuftig 
zijn als de Javanen en zoovele andere natiën. 

Aari landbouw op groole schaal viel in deze streken niet te 
denken, daar de berghellingen te steil zijn. Men ziet hier en 
daar slechts kleine uitkappingen tegen de hellingen van het ge- 
bergte, waar hunne gewone kultuurplanten gekweekt worden ; 
men bood ons hiervan niet eens iets te koop aan , maar 
wel bogen en pijlen , versche viscli , kalapa , roode loeries , en 
ook een weinig schidpad en tripang. Sagoe is overal hel 
hoofdvoedsel der bevolking even als in de Molukken, en waar 
die niet voorkomt, wordt ze van elders ingeruild. Er moet 
zelfs een handelsweg bestaan tusschen de Geelvinkbaai en de 
Maccluerbaai , die over niet zeer hoog gebergte in 24 uren 
kan afgelegd worden en waarbij de laatste wel eens in de 
behoefte aan Sagoe van de eerste voorziet. 

Om één uur des namiddags ankerden wij voor de kampong 
Merapien (?) aan den vasten wal in het gebied der Wandammers. 

Wij zagen slechts een 5-tal huizen, terwijl de overigen 
elders verscholen lagen. 

Een tal van prauwen kwam op zijde, waarop zich ook een 
paar hoofden of korano's bevonden. Zij hadden, behalve hogen 
en pijlen, karet, tripang, haaien vel en een paar loeries, niets 
verder te koop. 

De vorm en de prachtige vegetatie van bet gebergte blijven 
steeds dezelfde, zooals wij die hier nu ook weer in eene 
diepe insnijding of baai mochten aanschouwen. 

Des avonds regen, welke met min of meer hevigheid tot 
den volgenden morgen aanhield. 

Den 20en September, des morgens half negen, gingen wij 
weder onder stoom naar het eiland Meosnoem, waar wij des 
middags 2 uur aankwamen. Met den Heer van der Crab en 
de Prinsen ging ik aan wal, terwijl de Dassoon drijvende bleef, 
omdat men meende dat hier geen ankergrond te vinden was, 
die er evenwei toch wel zijn zal, wijl hier vroeger eene brik 
moet ten anker geweest zijn. Wij wandelden over een gelijk 






227 

en zacht hellend terrein, over een goed aangelegd en hegrint 
pad, omgeven met alang-alang, en met enkele daarin voor- 
komende hoornen van Tjangkoedoe (Marinda citrifolia) , die daar 
wild voorkwam en niet in gebruik was, (de naakte Papoea's 
hebben trouwens niet veel te verwen.) Op omstreeks een 
paal afstand van de kust bereikten wij de woning van den 
zendeling Rinnooij , op welke wandeling , hoe schraal de streek 
er ook uitzag, ik toch nog eenige planten mocht inoogsten. 
Midden door die schrale rotsachtige vlakte stroomt eene kleine 
rivier, welker niet zeer uitgebreide oevers met eene meer 
weelderige vegetatie bedeeld zijn , en waar zelfs pisang zeer 
goed voorkomt, die op het vlakke steenachtige terrein niet 
meer groeien wil. De vruchten moeten echter reeds vroegtijdig 
omwonden worden, dewijl de daar veel voorkomende dief- 
achtige roode en groene kakatoea's er anders het eerste van 
profiteeren ; zij azen ook veel op de zaden van de hier overal 
groeiende Cassia alala. Alleen Ananas en katoenheesters zag 
ik in den tuin van den Heer Rinnooij weelderig tieren. Het 
terrein schijnt slecht gekozen en de bevolking bewoont slechts 
één huis, dat, zonderling genoeg, met het eene uiteinde op 
de aarde rust, terwijl het andere einde, wegens de helling 
van het terrein, op hooge palen in de lucht zweeft, üeze wijze 
schijnt niet uit noodzakelijkheid, maar uit gewoonte, gevolgd 
te worden, daar do kommissie van 1858, daarvan ook reeds 
gewag maakt. 

De Heer van der Crab nam bier eenige pholografiën, terwijl 
ik planten verzamelde en tegen den avond roeiden wij door 
eene holle zee, per prauw, weder naar boord. 

De Heer Rinnooij vergezelde ons, om van deze gunstige 
gelegenheid te profiteeren , en naar Doreh te reizen. Zoodra 
wij aan boord waren, werd de reis naar Wandessi vervolgd, 
doch wijl wij daar des nachts niet konden ankeren , werd er 
langzaam gestoomd om den anderen morgen daar aan te komen. 

21 September. Des morgens 8 uur bevonden wij ons, 
waarschijnlijk nabij Amberpoea, voor eene kampong der 



228 

Wan dessiers , die in drie afdeelingen uit noodhutten aan het 
.strand bestond. Hunne eigenlijke kampong, die aan de andere 
zijde van het eiland moet gelegen zijn, hadden zij uit vrees 
van daar aangevallen te zullen worden , verlaten ; ofschoon wij 
hen met een kanonschot uilnoodigden, om aan boord te komen , 
kwam er toch niet een enkele opdagen. De reden biervan 
was, dat zij bang voor straf waren voor gepleegde moorden 
en rooverijen. De Wandessiers en Wandammers worden dan 
ook voor bet slechtste volk uit de geheele baai gehouden, en 
zijn de schrik voor de overige bewoners: zij zouden dus wel 
eens eene goede tuchtiging behoeven . die aan den Sultan van 
Tidore kon opgedragen worden. 

Wij gingen dus, zonder geankerd te hebben, onverrichter 
zake verder , passeerden Wariap aan den vasten wal en kwamen 
omstreeks 3 uur namiddags weder voor Doreh ten anker. 
De vaart in de Geelvinkbaai had dus 9 dagen geduurd en toch 
hadden wij er betrekkelijk weinig van gezien. Hei is dan ook 
meer eene opene zee met eilanden, zoo groote als kleine, be- 
zaaid , dan eene baai. Het aanzien is overal hetzelfde , zoowel 
van de eilanden , als van den vasten wal ; steil uit zee oprij- 
zende, met prachtige vegetatie bezette, bergruggen ziet men 
allerwegen, doch voor kuituur schijnen die weinig geschikt. Het 
kolossale en zich ver uitstrekkende Arfakgebergte bestaat uit 
verschillende in elkaar geschoven bergruggen, wier hoogste 
punten scherp, zonder plateau's, aan weerszijden steil afdalen. 

Wariap ligt aan den voet van het Arfakgebergte, dat bij 
Tandjoeng Orang-Sebar in zee valt. Bij uitzondering ziet men 
hier enkele lagere berghellingen met gras of Alang-Alang be- 
groeid. Waarschijnlijk is de onderliggende rots nog niet ge- 
noegzaam verweerd , om geboomte te kunnen voeden : dit zoude 
kunnen getuigen van een gesteente, verschillend met dat van 
de omgevende, sterk begroeide streek. 

Zonderling vertoonen zich langs de kusten , zoo te Wariap 
als te Anday en op vele plaatsen langs de Noordkust, soms 
palen lang en eenige roeden breed , geheele reeksen van afge- 



229 

storven boomen, die verdord , van bladeren en takken ontdaan , 
en door de zon gebleekt, een wi tachtig aanzien verkregen bob- 
ben. Het afsterven dezer boomen is een gevolg van de aard- 
beving van 22 Mei 1854 ; welke oorzaken hier eehler in het 
spel waren wist men ons niet te verklaren. Bij onderzoek ter 
plaatse kwam het mij voor dat die oorzaak nergens anders 
dan in verzakking van den hodem moest gezocht worden. De 
geheele lijn van uitgestorven boomen bestond wel uit strand- 
vegetatie, maar niet uit die soorten , welke ook in het zeewater 
groeien, zoodat zij door de verzakking, met hare wortels 
daarin gerakende, alle tegelijk uitstierven. Thans heeft zich 
reeds weder eene nieuwe generatie tusschen de afgestorvene ge- 
vestigd, doch niet van dezelfde soorten, maar van die welke 
tegen zeewater bestand zijn. 

22 September. Gisteren avond begon het zwaar te regenen , 
hetgeen den gansenen nacht bijna onafgebroken voortduurde 
en heden morgen nog niet geëindigd was. Tegen den middag 
werd het echter nog mooi weer, zoodat ik nog gelegenheid 
vond om mijn herbarium na te zien en te verzorgen. 

25 September. Heden goed weer, waarvan ik profiteerde 
om een uitstapje te maken naar Ajamboeri, waarvan de kom- 
missie naar Nieuw Guinea van 1858 eene fraaie beschrijving 
geleverd heeft. (Zie bijdragen van het koninklijk Instituut, 
5 e dl. 1862). Van Doreh loopt een voetpad langzaam opwaarts 
en leidt verder onder hoog geboomte en struiken over een smal 
pad, dat van weerszijden door diepe ravijnen begrensd is. Al 
verder rotsen en steilten beklimmende , komt men , op een paar 
paal afstand van Doreh, op een meer vlak of weinig hellend ter- 
rein , het vermelde Ajamboeri , waar , ter hoogte van een paar 
honderd voeten , de tuinen en woningen der bergbewoners gevon- 
den worden. Ik bezocht slechts een paar dier inrichtingen en 
daalde toen langs een auder, nog ongebaand voetpad weder 
strandwaarts , in de hoop daar andere planten dan de reeds 
gevondene te zullen aan treilen , wat dan ook met gunstigen 
uitslag bekroond werd. 



230 

In de tuinen vond ik de volgende kultuurplanlen : 

Colocasia antiquorium 01'en. Alf. 

Alocasia metallica Abier. » 

Batatas edulis obie djawa-jae. 

üioscorea aculeata obie kamajong-jae. 

Musa paradisiaca Biuf. Alf. 

Carica papaja papaja-jae. 

Abelinaschus manchat Degi. Ternate. 

Saccharum officinarum Maop. Alf. 

Niettegenstaande er tot op het hoogste punt, dat ik beklom, 
hier en daar nog enkele spitsen van koraalblokken aan den 
dag kwamen , die van vaster constructie schenen , dan de reeds 
ontbondene, was de bodem toch overal zeer vruchtbaar, zoo- 
dat er zelfs boomen van de grootste soort op voorkwamen en 
de kulluurplanten er, onder weinig zorg, weelderig lierden; 
daar bovendien dit terrein over eene groote oppervlakte, van het 
strand tot en met Ajamboeri, zachtglooiend afloopt, zou die 
geheele streek in kuituur kunnen gebracht worden, indien de 
bevolking, instede van te gaan oorlogen of niets te doen, daar- 
toe genegen was; uit eigen beweging zal zij daartoe wel nooit 
overgaan. 

De katoenheester Gossypium nilifolium of Ternamboekatoen , 
welken ik hier en elders in de tuinen der zendelingen aan- 
trof, stond overal zoo prachtig en was zoodanig met vruch- 
ten beladen, als ik ze nog nergens gezien had; en zoo hier 
geen gebrek aan handenarbeid bestond, zou ik de kultuur 
daarvan in het groot gerust durven aanbevelen. 

De Heer van der Goes zegt in zijn rapport, dat er geen weg 
overland van hier naar Amberbakin bestond. Thans moet 
die, minstens een voetpad, wel bestaan, — en gaarne had 
ik die streek bezocht. Dit lag ook in het plan van den Com- 
missaris, doch daarvan is — om welke reden is mij niet 
bekend — niets gekomen. Die weg moet eenige dagreizen lang 
zijn, maar toch gebruiken de inlanders dien tot ruiling van 
koopwaren. Het moet eene vruchtbare streek zijn. Behalve 



251 

tabak, die er veel geteeld wordt, levert zij ook rijst: de 
bamboe voor watervaten , die uien Ie Doreh gebruikt, komt 
daar nie! voor, maar wordt enkel van Amberbakin verkregen. 

De aanmerking verder dat de Papoea's van lellen geen be 
grip hebben is niet juist, daar zij wel degelijk voor de getallen . 
tot zelfs voor hooge cijfers, namen bezitten. 

De Roemsram te Maiisinama is niet weder opgebouwd en 
die te Doreh is nu ook spoorloos verdwenen; waarschijnlijk 
hebben de zendelingen den wederopbouw van beiden tegen- 
gewerkt. 

24 September. Weder een fraaie dag. Des morgens woonden 
wij de godsdienstoefening bij op Mansinama , onder het gehoor 
van den zendeling van Hasselt, die wel voor zijne taak 
scheen berekend te zijn. De kerk, een aardig gebouwtje, 
was wel niet propvol, maar toch waren er wel een tiental 
Europeanen verzameld ; achter ons bevonden zich lage ledige 
banken, die, bij het preeken in de Alfoersche taal nog al 
door de Papoea's bezet worden, zonder dat zij echter neiging 
gevoelen om tot bel Christendom over te gaan. De Heeren 
zendelingen hebben ook scholen geopend voor het aankomend 
geslacht, doch zij hebben nog al moeite om de jeugd daar 
bijeen te brengen. De zondag valt het meest in den smaak 
der inlanders, omdat het werken dan verboden is. 

Des namiddags half vijf vertrokken wij — de Heeren van üeu 
Crab, van Hasselt, Beijer, de Prinsen van Tidore en schrijver 
dezes — met eene sloep naar Anday, waar wij om 7 uur, 
na met veel moeite de rivier van dien naam te zijn opgevaren , 
wijl de eb reeds begon door te komen, aankwamen en bij 
den daar gevestigden zendeling Woelders onder dak geraakten. 

Anday is eene nieuwe vestiging der zendelingen , en de daar 
wonende Heer Woelders heeft een lief huis , dat te Ternate 
gemaakt was, opgericht. 

Dat de arme zendelingen het vette der aarde hier niet ge- 
nieten , is licht te beseffen ; maar toch werden wij allen broe- 
derlijk gespijsd en gedrenkt. Dit was echter niet geheel in den 



232 

haak, daar de Heer van de» Crab op zich genomen had voor 
alles te zorgen. 

25 September. Weder fraai weer. De omgeving van het 
zendelinghuis is zeer lief aangelegd, met bloemen en vrucht- 
boomen beplant en zeer net onderhouden. Van daar is ook 
een goed eind weegs een goede breede weg , langs de rivier 
afwaarts, aangelegd, zoodat men bij laag water ook landen 
kan, wanneer het niet mogelijk is, de rivier tot de zendeling- 
post op te varen. 

Dien weg volgde ik en , na een paar inlandsche huizen ge- 
passeerd te zijn, kwam ik spoedig op een terrein waaraan 
des menschen hand, behalve het pad, nog niets vernietigd had » 
zoodat ik mijne oogst van planten weder verrijken kon. 

Het duurde echter niet lang of het pad eindigde, en ik 
kwam in een moeras, dat pas door den vloed verlaten 
was. Na ook dit doorwaad te hebben kwam ik eindelijk op 
een zandig strand, aan de monding der rivier terecht. Dit 
strand bewandelde ik een eind weegs en vond er ook, even 
als in het moeras en langs het droge pad, verscheidene ge- 
wenschte planten, waarmede ik huiswaarts keerde. Des na- 
middags dacht ik het zware bosch, achter ons verblijf, te gaan 
bezoeken, doch werd hierin door den regen verhinderd. 

Deze streek is vrij effen en ook bijzonder voor kuituur 
geschikt. Men vindt er de kolossaalste woudboomen en 
daaronder menigvuldig zware , hooge stammen , van wel 3 
voet diameter van de Intsia amboinensis, hier ten onrechte 
ijzerhout genoemd ; op Java en elders noemt men het Marabouw 
en te Doreh is Kaboe de Papoeasche naam. Deze boomsoort 
komt zoowel in de Molukken als op Nieuw Guinea, in Straat 
Soenda en elders, menigvuldig voor en is eene der beste zoo- 
genaamde wildhoutsoorten. 

De Heeren zendelingen Kamps — sedert overleden — en Woelders 
hadden hier ook een begin gemaakt met de kul tuur van padie op 
droge gronden, die vrij goed stond, even als mais en Sorghum ; 
ook had men het voornemen koffijtuinen aan te leggen, die 



255 

er in den vetten bodem wel slagen zullen ; maar ik vrees dat 
hun een en ander meer aan arbeidsloon kosten zal, dan het 
zal opbrengen , daar de handenarbeid , die nog met moeite 
wordt verkregen , veel te duur is. Men betaalt voor een dag 
arbeid een kapmes of peda a 50 cents en 2 a 5 boschlemmcr- 
messen a 10 cents of te zamen eene werkelijke waarde 
in den groothandel van ± 60 cents. Dit is veel Ie hoog 
voor den weinigen arbeid die er voor verricht wordt. 

Van de drie zendelingen, die met de kolenbark naar Doreh 
waren overgevoerd , waren er hier twee , voorloopig in dezelfde 
schuur, waar wij onzen intrek genomen hadden, woonachtig. 

26 September. In gezelschap van de Heeren van der Crab, 
van Hasselt, Woelders, Beijer, Meeuwes — een pas aange- 
komen zendeling — en de twee Prinsen van Tidore met gevolg, 
begaven wij ons op reis om de rivier van Anday, niet op te 
varen , maar op te wandelen. 

De aftocht ging echter zoo gemakkelijk niet daar wij geene 
dragers voor onze geringe bagage konden vinden ; wel deed 
het hoofd van de nabij liggende kampong zijn best om de ge- 
meente aan te sporen , maar men luisterde niet veel naar hem. 
Na verloop van een paar uren gelukte het evenwel om het 
benoodigd getal dragers waaronder 3 vrouwen, even naakt als 
de mannen — slechts de schaamdeelen waren bedekt — bij elkaar 
te krijgen en nu ging het voorwaarts. Aanvankelijk konden 
wij , bij gedurig oversteken der rivier , nog langs deze voort- 
wandelen, doch later voerde onze weg meestal door de rivier 
zelve, die gelukkig niet diep was, niet dieper dan hoogstens 
tot de knieën, zoodat wij er konden doorwaden. Zoodra wij 
weder op het droge kwamen, hadden wij te kampen niet 
scherpe rolsteenen. Eenigen tijd liepen wij blootvoets, doch 
de scherpe steenen in het water en daarenboven nog de 
door de zon verhitte grond op het land, maakten dit weldra 
ondoenlijk, zoodat wij toen onze schoenen maar weder aan- 
trokken. Daar het drijfzand in de rivier echter bij iedere 
schrede opborrelde en in de schoenen terecht kwam , en wij dan 



1U 

niet op rozen wandelden, moesten wij ieder oogenblik ons 
schoeisel uilwasschen. Schoenen van zeildoek hebben bij der- 
gelijk wandelingen veel voor, wijl het water er niet in staan 
blijft. De meesten onzer hadden de broekspijpen opgestroopt, 
om die niet nat Ie maken en te gemakkelijker door het water 
te kunnen loopen, doch dit kwam hun duur te staan, daar 
de beenen en voeten zoodanig door de zon verzengd werden, 
dat het vel t "geheel rood werd en begon te schrijnen en later 
de beenen geheel vervelden. 

Ten half negen uur hadden wij de reis aanvaard en om 
half twaalf hielden wij halt om rijst te koken en ons middag- 
maal te nuttigen. Na een uur hiertoe besteed te hebben , trok- 
ken wij verder, tot 3 uur des namiddags, toen wij begrepen 
voor een nachl leger te moeten zorgen. Sedert 12 uur hadden 
wij bijna onophoudelijk zware regenbuien moeten doorstaan 
en ook nu bleven die, hoewel in minderen graad, aanhouden 
tot den volgenden morgen. 

Aan den rivierkan t werden paaltjes in den grond geslagen 
en daarop een soort van afdak van palm- of varenbladeren 
gelegd, waaronder wij ons legerden en tegen den regen be- 
schut werden; het dak was echter niet dicht genoeg om ons 
tegen den drup te beveiligen. 

Het souper was niet bijzonder smakelijk, maar toch voldoen- 
de om ons tegen geeuwhonger te beveiligen. 

De nacht werd alzoo onder niet zeer gunstige omstandighe- 
den doorgebracht, daar wij zeer nauw gelogeerd waren en op 
eene vloer van gespleten bamboe uitgestrekt lagen als haringen 
in een vaatje. Gelukkig had ik een hoofdkussen en wollen- 
deken medegebracht, welke laatste mij tot onderlaag diende 
terwijl een regenjas bestemd was om den drup op te vangen. 
Toch ontwaakten wij des morgens half doorweekt. 

27 September. Gelukkig was het weer des morgens opge- 
klaard en daar er toch geen einde aan de rivier scheen te 
zullen komen — wij hadden gedacht den oorsprong er van te 



25S 

zullen bereiken — besloten wij terug te keeren , daar ons toch 
de eer toekwam het eerst zoover de rivier gevolgd te zijn. 

Op de uitreis had ik vele planten gezien , die ik mij voornam om 
op de terugreis te verzamelen; ik maakte daarmede dan ook 
uu al direct een begin , zoodat ik eerst tegen den avond , zwaar 
beladen, te Anday terugkwam, waar alle reisgenoolen reeds 
waren aangekomen. De buit, dien ik gemaakt had, was zeer 
interessant en eene van de rijkste der geheele reis. Veel had 
ik daarbij te danken aan de Casuarissen , wier uitwerpselen 
wij dikwijls aan den rivierkant vonden en waaruit ik vele 
onverteerde zaden en vruchten mocht oogsten, die voor uil- 
planting zeer geschikt waren. Had ik langer kunnen vertoeven , 
dan zoude die buit nog belangrijker geweest zijn. 

De Heer van der Crab had plan om nog eene anderestreek, 
langs een zijweg gelegen, te bezoeken, en was dien weg ook 
reeds een eind gevolgd; doch toen men bevond dat de weg 
nog eerst uitgekapt moest worden , bedankten de Papoea's om 
verder te gaan en legden zij hunne vracht eenvoudig neder, 
zoodat het gezelschap verplicht was naar de zendelingspost 
terug te keeren, waar wij omstreeks 4 uur des namiddags 
aankwamen. 

Het geheele traject , dat wij heen en terug afgelegd hebben , 
zal waarschijnlijk niet meer dan 16 palen bedragen hebben, 
doch de slingerende loop der rivier, het gedurig doorwaden 
van deze en de sterke afwisseling van zwaren regen en feilen 
zonneschijn, maakten de reis minder aangenaam. 

Deze streek scheen ook voor meer uitgebreide kuituur in 
aanmerking te kunnen komen. Aan beide zijden der rivier 
was hel land vlak, slechts met uitzondering van enkele plaat- 
sen , waar aan deze of gene zijde soms steilten oprezen , die 
echter geen hoog gebergte vormden. Geheele streken schenen 
in kuituur te zijn geweest wijl daar het hoog geboomte . dal 
elders nog in zijnen natuurstaal werd aangetroffen , verdwenen 
was. De bodem was rijk aan teelaarde — humus en klei — 
van moerassen was er geen spoor. 



256 

Hoewel de rivier langzaam rijzende is, zullen wij toch, tot 
het hoogste punt, wel een paar honderd voeten geklommen 
zijn. 

Bij aanhoudende en zware regens zwelt deze rivier soms 
wel een voet of 6 hoven haar gewoon peil. De diepte is ech- 
ter niet overal gelijk, daar zij soms in een eng bed terug ge- 
drongen wordt en soms weer over eene breede oppervlakte 
verdeeld is. De zware stroom heeft, bij de vele kronkelingen , 
de bedding nu eens aan deze en dan weder aan gene zijde 
verlegd. De uitstekende punten , waar vroeger de rivier meer 
rechtlijnig liep, zijn met zand en steenen bedekt, waarop meestal 
een soort van hoog riet gevonden wordt, dat den doortocht 
daar ter plaatse geheel belet. Van daar dat men die bedding 
zoo dikwijls doorwaden moet. 

Wij brachten den nacht nog onder het gastvrije dak van 
den Heer Woelders op Andaij door en gebruikten daar voor 
't laatst het avondmaal als naar gewoonte onder gebeden, 
dankzeggingen en stichtelijke voorlezingen uit den bijbel. 

Den 28en September des morgens half zeven uur voeren wij 
onder begunstiging van fraai weer met eene korra-korra naar 
boord van de «Dassoon", welke wij na twee uur roeiens reeds 
bereikten. Het gelukte mij nog heden mijne verzameling van 
planten en zaden te verzorgen , waarmede de dag ten einde liep. 

29 September was het regenachtig. Ik vond echter bezig- 
heid genoeg om mijne verzamelingen na te zien, te drogen 
en verder te verzorgen. 

30 September; fraai weer; een groot pak herbarium gereed 
gemaakt en op de bark gedeponeerd. 

1 Oktober , des morgens 8 uur , verlieten wij weder de reede 
van Doreh, met de bark op sleeptouw. Aanvankelijk was het 
regenachtig, doch de lucht klaarde later op, maar de zee 
stond vrij .hol; wind en stroom waren tegen , zoodat wij slechts 
langzaam avanceerden. Tegen den avond kregen wij het lage 
eiland Mifore (Mafor of Myfore) aan bakboord te zien. De zee 
was toen bedaard en ook de wind gaan liggen, zoodat he* 



237 

aan boord drukkend warm werd ; ook des nachts koelde liet 
niet at'. 

2 Oktober; het weer was gunstig. Mifore was nog te zien ; 
aan bakboord kregen wij de Willem-Schoulens-eilanden Soak 
en Biak, en aan stuurboord de eilanden Meosnoem en Japien 
of Jobie in 't gezicht; Mifore en Riak schijnen laag, doch de 
overigen bergachtig te zijn. De bergen zijn overal uit berg- 
ruggen te zamen gesteld; van kegelbergen is geene kwestie. 
Het weer bleef gunstig en de zee bedaard ; de warmte was , 
ook des nachts, drukkend. 

Mijn herbarium voer hier wel bij, daar spoedig een gcdeelle 
droog werd en het overige tegen bederf beveiligd was. 

Den 3en Oktober , des morgens 8 uur , kregen wij een zware 
regenbui, die ook de zee onstuimig maakte, doch gelukkig 
hadden wij den wind van achter, zoodat beide schepen zeil 
konden bijzetten. Tegen den middag klaarde de lucht op en 
kwam ook de zee tot bedaren, nadat wij geducht geslingerd 
hadden. Tegen den avond waren wij Japien gepasseerd en nu 
kregen wij Poeloe Groedo Koeroedoe, benevens den daarachter 
liggende vasten wal, te zien. Ook aan bakboord zagen wij in 
de verte nog een paar lage eilandjes. 

4 Oktober. De oostewind had reeds gisteren weer de over- 
hand gekregen , de zee tot bedaren gebracht en ons weder fraai 
weer bezorgd. Het lage land van den vasten wal voorbij va- 
rende kwamen wij in het troebele water van de uitstrooming 
der groote Rochussen-rivier of de Amberno. Tegen den avond 
kregen wij de eilanden Arimoa te zien en wij ankerden des 
nachts 12 uur, niet ver van den vasten v/al. 

5 Oktober. Aan den vasten wal konden wij wel een zan- 
dig strand en kalapaboomen , doch geene woningen onder- 
scheiden en de eilanden lagen te ver om daarvan iels bepaald 
te kunnen zien. Er vertoonden zich menschen noch prauwen. 
De .Dassoon" nam hier kolen van de bark over. 

Des avonds zes uur vervolgden wij de reis en zagen toen op 
de eilanden Arimoa vuren aan het strand ontstoken. 



258 

Den 6en Oktober, des morgens negen uur, waren wij 
onder langzaam stoomen genaderd tot het eiland Tabie. De 
Arimoa-eilanden waren nog even te zien en aan den vasten 
wal vertoonden zicli min of meer hooge bergruggen. Zoodra 
de bewoners van Tabie ons in het gezicht kregen staken 8 
prauwen van land. Zij werden door meerdere gevolgd en 
hadden spoedig de »Dassoon" bereikt om handel te drijven. 
Wij dachten nu, door tusschenkomst van den Papoea uit 
de Geelvinkbaai, met die menschen te kunnen spreken doch 
zij verstonden zoo min elkaar als ons. Deze lieden hadden 
een geheel ander voorkomen, doordien hun haar niet als elders 
in groote ragebollen was uitgekamd ; zij hadden zelfs geene 
kammen, welke de anderen altijd, door het haar gesloken, 
mede omdragen, maar of kort afgesneden haar of lange han- 
gende fijne krullen. Menige europesche dame zoude hierop 
j;iloersch geweest zijn, als ze niet zoo vol vet en smeer 
gezeten hadden , zoodat zij bij sommigen wel iets op talie 
iendjoek of gomoctoe geleken; van dergelijke krullen, die wel 
een voet en meer lang waren en meestal over het achterhoofd 
afhingen, hadden sommigen eene soort pyramiden opgebouwd, 
die in de verte wel wat op hooge mutsen geleken. 

Er waren ook een paar vrouwen onder hen die vooral niet 
op schoonheid konden bogen en niet van de mannen waren te 
onderscheiden dan door de slappe, hangende doch niet zeer 
groote borsten ; zij boden ons aan : kalapanoten , bogen en pijlen , 
eên weinig schildpad en de versieringen die zij zelven droegen 
en die er nog al netjes uitzagen ; daarvoor betaalden wij hun 
koralen, tabak, boschlemmermessen , kapmessen en bijlen. Die 
handel geschiedde dus door aanbieding van wederzijdsche koop- 
waren. Zij beduidden ons, dat zij in hunne kampongs nog 
vogels en andere goederen, die wij hun toonden, te koop 
hadden en noodigden ons door gebaren uit , derwaarts te gaan. 
Waarom dit niet geschiedde is mij onbekend en daar wij steeds 
drijvende waren gebleven en de reis direct voortzetten , werd 
hun ook de gelegenheid benomen , om nog andere zaken uit 



359 

hunne kampongs te gaan halen. Hunne kampongs kregen wij 
dus niet te zien , daar zij van de tegenovergestelde zijde te 
voorschijn kwamen. Hel getal prauwen was ten leste tot een 
20tal aangegroeid: zij deden geene pogingen om aan boord (<• 
komen, 

Tot dusverre hadden wij de inboorlingen wel naakt gezien , 
doch zij hadden steeds een lapje boombast om hunne schaam- 
deelen te bedekken ; zooveel moeite gaf men zich hier niet en 
men gebruikte daartoe slechts een voorhangsel (je van franjes 
van gevlochten touwtjes. Op den keper beschouwd, is dit 
laatste ook veel gemakkelijker en losser dan het knellende bij 
de eersten. 

Tolken zijn hier van de eene plaats naar de andere niet te 
verkrijgen, zoodat men eenigen lijd onder hen zou moeten 
verkeeren om hunne taal machtig te worden. Maar ook dit 
gaat zoo gemakkelijk niet, wijl men niet altijd veilig onder 
hen is, wanneer men geen overwicht op hen kan uitoefenen. 

7 Oktober. De weersgesteldheid bleef gunstig doch de wind 
was meestal oostelijk. Wij naderden nu langzamerhand het 
Cycloop-gebergte, dat als 7000 voet hoog slaat aangeteekend, 
doch ook hierop zal, even als op de hoogte van het Arfak- 
gebergte, wel wat af te dingen zijn: het kwam ons ten minste 
veel lager voor. De westelijke voet van bet Cycloop-gebergte 
staat bekend als Tanah-Mera en dit met reden daar ook wij 
door afbrokkeling der kust die roode aarde, die wij elders nog 
niet gezien hadden , duidelijk konden onderscheiden. 

Door het langzaam stoomen van den voiïgen dag kwamen 
wij niet dan met het invallen van den donker voor de Hum- 
boldsbaai, Telok Lentjoe, aan en waagden het niet om des 
nachts met een schip op sleeptouw die baai binnen te varen 
zoodat wij des nachts daarvoor bleven kruisen. 

8 Oktober. Des morgens vroeg stoomden wij de baai binnen ; 
nadat wij ten anker gekomen waren , kwamen al dadelijk een 
40tal prauwen van den vasten wal op zij der beide schepen, 
meer uit nieuwsgierigheid dan wel omdat zij ons veel ter 



ruiling konden aanbieden. Het voornaamste én overvloedigsle 
dat zij bezaten waren kalapanooten en bogen en pijlen; voorts 
versche en gerookte viscb , pisang , suikerriet , kladie , batatas , 
kokko, eene groene soort sapotille in verschillende vormen docb 
het meest naar een groote appel gelijkende; zij bevatten allen 
slechts eene betrekkelijk kleine pit; het vleesch was zoetachtig 
en aangenaam van smaak ; voorts vruchten en strengen lange witte 
vezelslof, die zij door kloppen en uitwasschen verkrijgen van 
de wel 20 voet lange en eenige duimen dikke luchtworlels 
eener Pandanussoort, waarvan zij hunne zeilen schijnen te ver- 
vaardigen; de pitten der vruchten zijn voor een klein gedeelte 
met een welsmakend , eetbaar , doch draderig vleesch voorzien . 
de vruchten van Pandanus ceramicus waren 22 rijnl. duimen 
lang en I6V2 duim in omtrek; haar vorm is driehoekig; einde- 
lijk reiszakken die zeer kunstig geknoopt en uil eene andere 
fijnere vezelstof vervaardigd waren ; en ten slotte eenige snuis- 
terijen die zij tot eigen opschik bezigen. Een en ander ver- 
ruilden zij gaarne legen ledige fïesschen , boschlemmermessen , 
koralen , enz. 

Niettegenstaande zij hier allen moedernaakt loopen, houden 
zij toch van opschik en zij versieren zelfs hun mannelijk lid 
met een klein langwerpig kalebasje, waarin zij in het midden 
der lengte een rond gat gesneden hebben ; dat zij bui Ie nge woon 
groot geschapen zouden zijn vonden wij niet bevestigd. Hun 
hoofdhaar is hier meer gelijk aan dat van de overige Papoea's, 
behalve aan dat van de inwoners van Tabu, hoedanige wij 
hier geen enkele zagen; vrouwen kregen wij niet Ie zien. Zij 
trachtten wel aanboord te komen, doch werden daarvan ge- 
makkelijk terug gehouden. Wel jammer dat wij niet met hen 
spreken konden. Behalve de namen der ruilmiddelen verston- 
den wij geen enkel woord hunner taal. 

De westzijde der baai is bedekt met een onafgebroken bosch 
van kalapaboomen , die bij hen weinig waarde schijnen te 
hebhen. Wij zagen de vruchlen niet anders aanwenden, dan 
om hel water er uil te drinken en nergens zagen wij er olie 



van te koop. Deze olie kennen zij wellicht niet eens en zij heb- 
ben die ook niet noodig, noch voor verlichting noch voor het braden 
van visch of vleesch , daar zij des nachts er geene verlichting op 
nahouden en visch of vleesch slechts in den rook drogen of op 
een open vuur roosten, misschien ook wel rauw nuttigen. 

Het was er op het midden van den dag zeer warm , bene- 
den in de hutten 88°, vooruit 92°, en onder de zonnetent 
100° Fahrenheit. Na den middag viel er eene fikscbe regenbui 
die het weer wat opfrischte. De Papoea's lieten zicli door 
den regen weinig afschrikken; wel roeiden eenigen huiswaarts 
doch anderen bleven stilletjes liggen ofschoon zij niets meer 
te verhandelen hadden. Toen echter tegen den avond eenige 
geweerschoten gelost werden , verwijderden zij zich allen. 

Toen het donker werd, zagen wij aan het strand vele flam- 
bouwen branden, die waarschijnlijk voor de vischvangst dienden. 
Des nachts werd hel zeer koel. 

Den 9en Oktober des morgens waren reeds weder vroegtijdig 
eene menigte prauwen rondom de schepen drijvende ; vele Pa- 
poea's hadden takjes met bladeren om den bovenarm gebonden 
hetgeen door den Heer van der Goes, chef van de commissie 
in 1858 voor riekend gras is aangezien; ook nu waren zij 
daarmede en met nog andere, niet riekende , bladeren voorzien. 
De geur bleek echter niet van gras, maar van takjes afkomstig 
te zijn van eene Clausena , die dezelfde Anijsgeur had als 
Clausena anista. In het haar dragen zij gaarne de roode schit- 
terende bloemen van Hibiscus Rosa sinensis of de zoogenaamde 
kembang spatoe die hier en elders algemeen verspreid is. 

Heden kwamen eenige prauwen op zij , waarvan het perso- 
neel geheel met het hiervoren vermelde kalebasje gewapend 
was. Zij kwamen waarschijnlijk uit eene andere kampong. 
Huizen zagen wij nergens. Allen schijnen in de binnenbaai 
te wonen ; van dieverij zijn zij niet vrij Ie pleiten , want ook 
van onze schepen ontvreemdden zij, even als van de »Etna" in 
1858 kleinigheden builen boord, die wij met goede instrumen- 
ten, moeite zouden gehad hebben los te maken. 

*6 



ut 

Twee stuurlieden van de «Dassoon" gingen met gewapende 
sloepen naar wal om drinkwater te halen; zij werden daar 
door eene menigte met hoog en pijlen gewapende inlanders 
ontvangen, die hun echter geen leed deden; toch verzochten 
zij om een hlanke eens in natura te mogen zien , waaraan 
voldaan werd. Zij hadden toen geene hedenkingen tegen het 
vullen van de watervaten en waren zelfs behulpzaam om dje 
in de sloepen te dragen, doch verzetten zich tegen het land- 
waarts indringen. Een der stuurlieden drong evenwel een 
klein eind weegs het bosch binnen en vond daar menschen- 
beenderen , waarbij een paar nog gave doodshoofden , welke 
hij medenam, ofschoon men dit niet gaarne toestond. Hij 
bracht ze aan boord, en schonk ze aan den Heer vam der Crab. 

Het was heden weder zeer warm doch nu en dan werd de 
warmte door een wolkje getemperd. Tegen den avond kwam 
eene regenbui vergezeld van wind, weerlicht en zware don- 
derslagen van het Cycloop- en Bougainville-gebergte opzetten ; 
wij bleven echter gelukkig van regen verschoond. 

10 Oktober. Des morgens fraai weer, tegen 11 uur eene fiksche 
regenbui, ook des avonds en des nachts was het buiig. 

Mijne bedienden gingen met de watersloepen naar wal om 
te wasschen en eene kist met aarde te halen, waarin de 
zaden die niet voor droging vatbaar waren, geplant werden. 
Reeds te Gebeh was ik daarmede begonnen en de meeste 
zaden kwamen reeds op de reis goed op, terwijl andere pas 
gekiemd waren. 

11 Oktober. Des morgens gingen wij naar den wal met 
3 gewapende sloepen , om aan de noordoost-punt bij kaap 
Bonpland of Sapropmani en een inham der baai op een zandig 
strand, op hetwelk ook eenige kalapaboomen stonden, doch 
dat onbewoond was, een paal te planten waarop eene ijzeren 
plaat bevestigd was , voorstellende een gekroonden leeuw en 
daaronder: Nederlandsch Indië. Soortgelijke palen zijn ook 
elders geplaatst; vier inlandscbe prauwen volgden ons om 
eens te zien wat wij daar uitvoerden. Aan hen werd 



243 

beduid dat zij goede zorg voor die paal moesten dragen ; zij 
schenen echter bevreesd , die te naderen , daar zij het óp 
dien leeuw volstrekt niet begrepen hadden en zij keerden niet 
ons naar boord terug. 

De inlanders schenen ons het verzoek Ie doen om terug te 
komen. Een hunner had een touwtje met een tiental knoopen 
vervaardigd en telde daarbij op zijn vingers, waaruil wij op- 
maakten dal hij daarmede de maanden bedoelde tot onze te- 
rugkomst. 

Omstreeks 9 uur verlieten wij de baai, om verder oostwaarts 
de reis Ie vervolgen. Het weer was gunstig; 33 prauwen 
waren in onze nabijheid, Zij bleven ons nastaren. Zeker 
hadden zij ons nog langer wenschen Ie behouden , dewijl zij 
toch altijd iels aan den man te brengen hadden en wij nog 
zooveel bezaten, hetgeen zij wel zouden gewenscht hebben hun 
eigendom te kunnen noemen. Hoe armoedig die menschen ook 
leven, schijnen zij in hun doen toch gelukkig en tevreden te 
zijn, voor zoover een mensch dien gelukstaat bereiken kan , en 
het blijft nog altijd de vraag of zij bij meer beschaving ook 
gelukkiger zouden zijn. Van meerderen of hoofden was bij 
hen geen zweem te bespeuren en toch schijnen zij goed recht 
uit te oefenen en overigens vreedzaam onder elkaar te leven. 
Ik betwijfel of Europeanen op die wijze den vrede wel lang 
zouden handhaven; zij oorlogen gaarne, wanneer daartoe volgens 
hun gevoelen redenen bestaan, maar oorlogen de beschaafde 
Europeanen dan niet? Zij moorden en stelen somtijds, maar 
is dit een en ander in Europa zoo zeldzaam ? Zij straffen 
zelfs , even als wij , hunne stamgenooten met den dood , wanneer 
hunne niet geschrevene wetten zulks voorschrijven. Daarvan 
meenden wij het bewijs te vinden in de gevonden beenderen 
en doodshoofden, wier voormalige eigenaren zeker door hen 
waren ter dood gebracht, blijkens de pijlwonden nog aan het 
gebeente zichtbaar en de pijlen welke met afgebroken punten" 
gevonden werden. Zoo wij het wel begrepen hebben , dan was 
dit tot straf, voor gepleegd overspel geschied.: 



244 

Het rapport der commissie in 18&8 met de »Etna" bevat vele 
belangrijke en juiste opmerkingen ten blijke dat de stellers 
zich wel beijverd hebben om de zaken van nabij te bezien , 
zoodat ik om niet in herhalingen te treden , waarin ik wellichl 
reeds te veel vervallen ben , vele van mijne opmerkingen moei 
achterwege laten. 

Buiten de baai gekomen , om verder oostwaarts te stevenen . 
ziet men langs de kust weer niets dan de bergruggen van het 
Bougainville-gebergte , die zich soms meer en meer naar hel 
binnenland terugtrekken , terwijl het daarvoor gelegene land 
lager wordt. De afstortingen en verschuivingen langs de kust 
vertoonden nu geene roode aarde meer, maar wel geelachtige 
witte klei of gesteenten. 

Wij passeerden mi ook het hoogste gedeelte van het Bou- 
gainville-gebergte dat lager is dan dat van den Cycloop en 
wellicht niet meer dan 3000 voet hoog zal zijn. Bergruggen 
naderen hier meer het strand tot in zee , elders liggen zij meer 
binnenslands en dan is het voorland weinig verheven. 

12 Oktober; des nachts doorgestoomd. Het weer is gunstig, 
geen hooge zee maar wel lange deiningen. Wij zijn zoo ver 
van den wal verwijderd, dal er van het land weinig te zien 
is; des namiddags kregen wij een regenbui. 

13 Oktober; nog steeds ver uit den wal doorstoomende , zon- 
der iets te kunnen waarnemen , dan hier en daar opgaande 
rookkolommen ten teeken dat er menschen woonden. Het weer 
blijft gunstig, wind Oost, soms Zuid- of Noordoost, zoodat wij, 
daar ook de stroom tegen was, niet hard vooruit kwamen. 
Het was daarbij drukkend warm. 

De zee begon , opgejaagd door een regenbui uit het Noord- 
oosten, vrij hol te worden, zoodat wij weinig of niets avan- 
ceerden. 

Even over den middag werd tot de lerugreis besloten en 
wij keerden naar de Humboldsbaai terug , even wijs als wrj 
van daar vertrokken waren. 

Den 14en Oktober waren wij des morgens het Bougainville- 



24* 

gebergte weder genaderd en nu kort onder den wal. Des 
middags kwamen wij, na een vruchteloos uitstapje, weder lei 
reede in de Humboldsbaai; spoedig kwamen er eenigc prauwen 
langs zij, die ons van versehen visch voorzagen. 

Den 15en Oktober had ik het geluk met den gezaghebber van 
de kolenbark , de Wit , te mogen mede varen om de eilandjes 
in de baai te bezoeken, waar hij witte duiven dacht te schieten 
en ik planten wilde verzamelen. Wij werden echter beide 
teleurgesteld , daar wij , wegens de hevige branding tegen de 
steile en scherpe rotsen , niet vermochten deze te beklimmen. 
Dit deed mij zeer leed, daar ik op die rotsen direct aan zee, 
onder andere gewenschte planten, eene schuone en mild bloeien- 
de Dendrobium ontdekte, die ik echter niet in mijne macht 
kon krijgen. Bij eene kalme zee zou dit nog wel hebbeu 
kunnen gelukken. Wij roeiden nu naar den vasten wal , ter 
plaatse waar 4 dagen te voren de paal met het N. I. wapen 
geplant was, welken wij ongeschonden terugvonden. Wij 
drongen verder het boscb in , hetgeen niemand ons belette , daar 
er geene Papoeas ter plaatse waren. Het paadje , dat wij volg- 
den en waarlangs nog hier en daar enkele kalapaboomen 
stonden, liep spoedig ten einde en wij bevonden ons toen in 
een oerbosch , waar . behalve hooge en zware woudboomen 
en struiken , eene massa Palmen van verschillende soorten in 
menigte gevonden werden als: Areca calaparia, Areca (sp.), 
die veel op de gewone Pinang of Areca calechu geleek, doch 
minder kolossaal was. De vruchten waren uiterlijk van aanzien 
als de gewone Pinang, doch de schil was saprijk en de steen- 
harde zwarte binnenschaal had stekelige in de lengte-as lig- 
gende punten en verdiepingen , terwijl de kern hard en ivoor- 
achtig was; eene Pinanga van ±15 voel lang, welke almede 
zonderling gevoorde vrucht jes had; eene Licuala, mede ± li> 
voet hoog; en verder verscheidene Rotansoorlen. Ook vond ik 
nog verschillende vruchten op den bodem wier afkomst door 
het dichte boscb niet te bepalen was, maar die toch meestal 
tot bekende geslachten behoorden. De Pandanus, waarvan men 



246 

ons de vruchten en de vezelstof der luchtwortels verkocht had , 
groeide hier ook overvloedig ; de slanke stam , die door de lucht- 
wortels en het omringende geboomte opgehouden wordt , is 
wel 25 en meer voeten hoog en zendt tot hijna aan zijnen 
top lange dikke luchtwortels naar beneden. De bodem was 
hier vlak en alluviaal en scheen bijzonder voor kultunr ge- 
schikt ; het is echter mogelijk dat hij bij zware regens onder 
water loopt en daarom door de voormalige strandbewoners ver- 
laten is. Aan de zuidzijde stuitten wij tegen een steil rots- 
achtig gebergte, dat het aanzien had van vroeger door de 
golven der zee te zijn uitgespoeld. Wij keerden met een 
rijken buit naar boord terug. 

16 Oktober; tegen den avond verlieten wij de Humboldsbaai 
weder en zetten nu koers om de west. 

De nieuwsgierigheid der Papoea's scheen bevredigd en zij 
waren waarschijnlijk ook uitverkocht daar er slechts weinig 
prauwen meer langs boord kwamen. 

Bij ons vertrek was er geen enkele om ons uitgeleide te doen. 
Jonge kalapanoten, die zij overvloedig bezitten, en die bijna 
geen waarde hebben , bleven zij nog steeds aanvoeren ; ijzer staat 
bij hen in hooge achting; zelfs verroeste stukjes bandijzer ruilden 
zij gaarne in; doch voor een sleenen bijl eischten zij een 
vadem bandijzer. Het bleek ons niet hoe zij dit bewerken, 
wellicht hebben zij , even als de Dorehers , ook hunne een- 
voudige smidsen. 

17 Oktober; des morgens waren wij geheel uit den koers 
om de Volkenaarsbaai op te zoeken , die wij dan ook langs een 
grooten omweg bereikten, hoewel er van eene baai weinig 
sprake was. Het land was slechts iets halvemaanvormig 
terug gedrongen en was hier langs de kust laag doch met 
hoog geboomte, waarschijnlijk Casuarinaceën , bezet. Aanvanke- 
lijk zagen wij geen sporen van bewoners , doch eindelijk deden 
zich hier en daar hooge kalapaboomen achter de strand- 
vegetatie voor. Aan het strand zagen wij talrijke rechtstam- 



547 

mige boompjes, slechts weinig vertakt, welke het aanzien eener 
plantage hadden, waarschijnlijk waren hel Pandanus. Elders 
werden ook Nipa-boschjes gezien , hetgeen het bewijs leverde dat 
daar riviertjes uitwaterden, die echter, wijl alles dicht begroeid 
was, niet te onderkennen waren. Eindelijk zagen wij rook opgaan 
en ter zelfder plaatse eenige menschen aan het strand, waar- 
van een 4-tal de gezwinde pas aannam om ons langs het 
zandige strand te volgen. Hun getal groeide gaande weg tot 
een 20-tal aan ; allen zetten zij koers naar de groole aan hel 
strand op den vasten wal gebouwde kampong Mawes, die ook 
van uitgestrekte kalapa-bosschen voorzien was. 

Een 12-tal prauwen waagden het ter nauwernood langs 
boord te komen om ruilhandel te drijven : zij hadden ook niet 
veel aan te bieden , maar ontdeden zich gaarne van hunne 
sieraden ter ruiling tegen boschlemmermessen , enz. Zij waren 
evenwel zeer wantrouwend, waarvoor zij zeker wel hunne 
redenen bij vroegeren handel opgedaan zullen hebben ; zelfs 
bij ons aan boord had er te Doreh zulk een geval plaats met 
een Europeaan, die een vogel van een inlander genomen had 
en dreigde met klappen te betalen , zoodat de gezaghebber 
tusschen beiden moest komen. Zij gaven dan ook hunne waar 
niet gaarne over alvorens betaling genoten te hebben. 

De Papoea's hadden alle overeenkomst met die van het aan- 
grenzende Tabie en droegen het hoofdhaar mede in lange 
hangende krullen; zij zullen dus wel tot denzelfden stam be- 
hooren. 

Wij waren langzaam stoomende gebleven, doch zetten na 
verloop van V2 uur de reis weder voort. Verder op, na een 
paar uur stoomens, zagen wij weder een 5-tal prauwen naar 
ons toe roeien , doch wij waren alweder zon ver van den wal 
verwijderd , dat zij ons niet inhalen konden. Het strand was 
hier weder met kalapa-boomen als bezaaid; terwijl, op enkele 
plaatsen verder op , zich hetzelfde verschijnsel der verzakking 
van den bodem , waardoor geheele streken langs de kust met 
afgestorven booraen bezet waren, voordeed. Het land is hier , 



248 

ook ver landwaarts in, over groote uitgestrektheid vlak en 
eerst in de verte ziet rnen in het hinnenland min of meer 
lage bergruggen. 

Tegen het vallen van den avond kwamen ons op nieuw 14 
prauwen op zij , die eenig schildpad en andere snuisterijen te 
verhandelen hadden. Zij kwamen van het voor den vasten 
wal liggende eiland Aroe en verlieten ons niet voor dat het 
donker werd en de «Dassoon" zich met volle kracht verwijderde. 
Een man klemde zich nog lang aan den sleeptros vast, met 
gevaar van te zinken , enkel om nog een stuk karet tegen een 
boschlemmermes te verruilen. In die prauw zaten twee mannen 
en eene oude vrouw, die er niets behaaglijk uitzag; gelukkig 
kwamen zij zonder ongeluk toch vrij van de boot. 

Den 18en Oktober, des ochtends, ankerden wij weder in het 
gezicht der Arimoa-eilanden , ter plaatse waar dit op de uitreis 
ook had plaats gehad, om steenkolen uit de bark over te 
nemen. 

Tegen den middag zetten wij de reis voort en om 3 uur 
waren 'wij kort onder den wal van het eiland Koemanbo , een 
der drie Arimoa-eilanden. Wij si oomden dit eiland langs en 
zagen daar een zandig strand, waarachter kala paboomen en 
huizen zichtbaar waren , ook zagen wij inlanders van hel 
strand , die ons wenkten en toeriepen om te landen ; zelven 
schenen zi] echter geene geneigdheid te hebben om naar 
boord te komen en zij brachten ook geene enkele prauw 
te water. Zij schenen daartoe reden te hebben en ons uiet 
te vertrouwen , wijl niet zeer lang geleden een Europeesch 
gezaghebber van een handelsvaartuig een man in eene prauw 
had dood geschoten. 

Door het draaien, bij het heen en weer varen langs deze 
kust , braken de beide sleeptrossen in eens ai' en daar de wind 
gunstig was , ging de bark onder zeil en moesten wij de anker- 
plaats van heden morgen weer opzoeken om de schade te her- 
stellen. Tegen den avond kwamen wij daar aan en de sleep- 
trossen werden onmiddellijk gerepareerd , zoodat wij om 8 uur 



249 

weder onder stoom waren om de bark aan te hechten , wat 
evenwel niet gelukte. Wij kwamen toen weder ten anker tot 
den volgenden morgen. 

Aan de westpunten der eilanden Koemanbo en het andere 
daaromtrent gelegene eiland zijn de benedenste gedeelten van 
alle vegetatie ontbloot en vertoont zich, evenals bij de in de 
nabijheid in zee staande zuilen, eene sneeuwwitte massa, 
waarschijnlijk kalk of krijt. Overigens zijn ook deze eilanden 
met boomvegetatie bedekt. 

19 Oktober; des nachts en ook in den voormiddag regen- 
buien. De zon was den ganschen dag niet te zien. De zee 
nog al beweeglijk, zoodat wij niet vrij van slingeren waren. 

Om 6 uur des morgens werd de reis voortgezet langs den 
vasten wal van Tabie, — onder Tabie schijnt, behalve de ei- 
landen , ook eene groote uitgestrektheid lands langs de kust 
verstaan te moeten worden ; — gebergte is slechts ver in het 
binnenland te zien. Tegen den avond kwamen wij ten anker 
voor de lage landen van de groote rivier Ambermo. De stran- 
den zijn met een gordel van hooge Casuarinen regelmatig bezet, 
wat daarachter ligt is onzichtbaar. Het blijkt niet hoe de 
Commissie van 1858 tot de wetenschap kwam dat hetgeïnun- 
deerde land met Rhizophoren-bosschen bezet is. 

20 Oktober; des morgens 6 uur weder onder stoom met 
achterlating van de bark, om de Ambermo rivier op te zoeken 
en die, zoo mogelijk, op te varen; om 7 uur waren wij voor 
de prachtige uitmonding dier rivier in zee , 5 a 6 vadem diepte. 
Het water was geheel zuiver en zelfs des noods drinkbaar. 
Aan den oostelijken uithoek waren eene menigte boomstammen 
op eene zandbank in zee gedeponeerd. Langs dit strand ver- 
toonde zich Nipa en op het droge gedeelte Casuarinen ; ook 
zagen wij, evenals elders, gezonken land met doode boomen. 
De Casuarinen-vegetatie had zich hier en daar reeds weder 
ontwikkeld, zooals een jonger geslacht aantoonde. De monding 
der rivier had aan weerszijden meer verhevene oevers en was 
sterk begroeid met hoog geboomte, hetgeen ook verder bin- 



1W 

nenwaarts werd waargenomen. Het zeestrand was zandig en 
van Rhizophoren was geene sprake. 

Te vergeefs werd beproefd de rivier in Ie varen ; daar er ten 
laatste slechts 1 1 voet water was gelood , werd teruggestoomd , 
zonder dat de geheele breedte voor de monding der rivier on- 
derzocht was. Met moeite geraakten wij weder in diep water 
door achteruit te stoomen en de sterke stroom uit de rivier 
was daarbij ook behulpzaam. De kans op eene schoone ont- 
dekkingsreis op deze zoo interessante rivier ging dus ook hier 
weder verloren. 

Opmerkelijk was het dat er langs de kust, maar vooral 
toen wij de riviermonding naderden eene verpestende lucht 
werd waargenomen, zonder dat wij konden observeeren , waar- 
aan die was toe te schrijven. 

Wij keerden toen terug om de bark weder aan te klampen, 
vervolgden de reis langs de kust en kregen, nu meer daarvan 
verwijderd, ook een ruimer inzicht in de baai, dan toen wij 
er voor lagen, en de opening door de oostpunt meer gedekt 
was. De westelijke oever was nu ook beter te overzien en 
geheel met hoog geboomte dicht bezet. 

Den gansenen dag voeren wij langs dit lage land, waarvan 
de kust hijna uitsluitend met Casuarinen bezet was en waar 
zich ook weder geheele streken met doode en verdorde hoornen 
vertoonden; van het binnenland en gebergte was niets te on- 
derkennen. Het weer was gunstig, weinig zon en daardoor 
ook geene overmatige hitte. 

21 Oktober; des morgens goed weer met bewolkte lucht ei 
sterke deining in zee. Tegen den middag werd het buiig en 
de zee holler, heldeen ook des nachts voortduurde. Het la{ 
land is nog zichtbaar en wij zijn genaderd tot de eilandei 
Groedo en Japien. 

22 Oktober. De zee was schijnbaar effen doch de hevige 
deining deed ons geducht slingeren ; zware regenbuien wissel 
den elkaar bij korte tusschenpoozen af. De vaart ging lan$ 
zaam, waartoe ook de nog steeds op sleeptouw varende bark hel 



2öl 

hare bijbracht. Toen wij Japien bijna achter den rug hadden 
kregen wij de 5 Gezusters en Meosuoein in 't gezicht , zoo 
ook de Willeiii-Sehoutens-eilanden aan stuurboord. Des namid- 
dags klaarde de lucht wat op en kwam de zee wat tol bedaren. 
Tegen den avond waren wij niet ver van den wal van Mifore 
aan stuurboord en Meosnncm in de verte aan bakboord. De 
Arfak werd ook zichtbaar. 

23 Oktober. Des morgens hall' 8 uur ankerden wij weder 
voor Doreh met fraai weer, doch tegen den avond met af- 
wisselende buien. 

24 Oktober. Door de vriendelijke hulp van den Heer Nemer 
verkreeg ik een prauwtje met een paar Papoea's, die mij naar 
het eilandje Meosmapie roeiden , dat ik geheel rondwandelde 
en waarvan ik ook het inwendige doorkruiste. Hel eiland 
is vlak en slechts weinige voelen boven de zee verheven , naar 
binnen cenigszins oploopende en hoewel het langs het strand 
geheel met koraal bezet is, vond ik daar binnen toch een 
vetten humusrijken bodem mei eene weelderige vegetatie bezet, 
waaronder hoornen van de grootste soort, zoodat het bijzonder 
voor kuituur geschikt zou zijn. Deze wordt er echter niet 
op gevonden, waarschijnlijk wegens bijgeloof, daar men hier 
wel eens lijken begraaft. 

Aan het strand heerschten voornamelijk Calophyllum Inophyl- 
lura, Barringtonia speciosa, Pangamia grandifolia, Hernandia 
(sp.) Lactaria (sp.) Caesalpina (scandens) en tot in zee Aegiceras 
en Sonneratia. Buitendien verzamelde ik nog verscheidene 
planten voor herbarium en zaden ter voortplanting. 

25 Oktober. Te vergeefs wachtte ik weder eene prauw, 
die mij beloofd was, om verder in de baai aan wal te gaan, 
waar volgens zeggen der Papoea's vele Paradijsvogels voor- 
kwamen. Ik had echter den vorigen dag aan deze lieden een 
flesch arak gegeven en waarschijnlijk hadden zij hunne beko- 
men roes nog niet uitgeslapen. Het weer was den ganschen 
dag goed, doch des avonds begon het te regenen, hetgeen 
bijna onafgebroken tol den volgendeu dag voortduurde. Tegen 



282 

den avond brachten wij een bezoek bij den Heer van Hasselt 
op Mansinama. 

26 Oktober; den ganschen dag regen met min of meer hevig- 
heid , zoo zelfs dat geene kolen uit de bark konden gelost wor- 
den. Hier is ook een kolendépót van het Gouvernement, uil 
welks voorraad de bark vroeger 70 ton genomen had, doch, 
daar deze nu niet meer noodig waren, werden zij terug 
gestort. 

27 Oktober. Hel weer was weder fraai. Hel gelukte mij 
met eene sloep , die naar den wal roeide , mede te gaan , en 
bij den Heer Beuer een bezoek af te leggen. 

28 Oktober ; fraai en zeer warm weer. Het kolen lossen was 
afgeloopen en de Papoea's, die mei veel moeite daartoe ver- 
kregen waren, werden afbetaald met peda's, een soort van 
kapmessen , die de Soendanezen golloks zouden noemen , hoe- 
wel ze een anderen vorm hebben , bijlen en lijnwaad , be- 
nevens eenige flesschen jenever, waarvan die lui dolle lief- 
hebbers zijn, en waarvan zij zoolang drinken, als er nog wat 
in de flesch is; wel een groot verschil met de bewoners in 
de Humboldsbaai , die niets daarvan willen nuttigen. 

29 Oktober. Heden overleed de derde matroos aan de 
berri-berri; hij werd nog aan den wal begraven. Het weer 
was gunstig en wij verlieten nu voor goed de reede van Doreh 
om naar Ternate terug te koeren; om 10 uur een regenbui. 

30 Oktober; des morgens goed weer, 's middags regen. Te 
vergeefs gezocht naar de kleine Geelvinkbaai. De zee was vrij 
ontstuimig, zoodal de boot geweldig slingerde; wij zagen hier 
ook weder doode boomen aan het strand. 

51 Oktober. Goed weer maar hooge zee; wij bevonden ons 
op de hoogte van de Kaap de Goede Hoop , die ook al uit eene 
menigte in elkaar geschoven bergruggen van misschien 3000 a 
4000 voet hoogte beslaat. De horizontale kammen loopen 
allen spits toe en de steile hellingen of loodrechte wanden strek- 
ken zich tol in zee uit. Van woningen of kuituur is geen 
spoor te ontdekken , hoewel eenige inhammen , waar het minder 



1*3 

steil is, wel voor bewoning geschikt zouden zijn. De kust, 
waarop sterke branding staal en waarvoor geen ankergrond 
aanwezig moet zijn , zal bier eene vestiging wel in den weg 
staan. Er schijnen zich bier ook kleine beekjes in zee Ie ont- 
lasten, doch het is zonderling dal men, bij zoovele hooge en 
steile gebergten, zoo weinig rivieren van eenig belang te zien 
krijgt. Het is als of hel milde regenwater, dat nergens op 
dit eiland schijnt te ontbreken , daar de vegetatie zich overal 
even weelderig voordoet , zich meestal door den ondergrond 
in zee ontlast. Bergstroomen ziet men hoogst zeldzaam , doch 
de kleinere beken kunnen onder het lommer van het dicht 
geboomte verscholen zijn. Aan de kust, waar de zee een 
gedeelte der steile oevers heeft weg geslagen , ziel, men op 
enkele plaatsen de rotsen te voorschijn treden. Eindelijk 
kwamen wij aan de eigenlijke kaap, doch nergens bestond 
uitzicht om te kunnen landen , ten einde ook hier het Neder- 
landsche wapen te planten. 

Tegen den avond ankerden wij bij het eiland Middel- 
burg, Poeloe-doea, dat onbewoond is, maar toch kwam er 
een visschers-prauw op zij , waarin zich vier personen van 
VVaigioe bevonden , die hier waren gekomen om schulden in 
te vorderen van de inwoners der op den vasten wal liggende, 
doch ver afgelegene, kampong. De bewoners daarvan kwamen 
echter niet opdagen, misschien omdat zij geen zuiver geweten 
hadden, daar zij als menscheneters bekend staan. De 
Waigioeërs hielden zich intusschen met visschen onledig en 
woonden tijdelijk op Middelburg. 

1 November. Alweder werden steenkolen overgescheept. 
Het weer was winderig en guur en de lucht bewolkt. 

De visschersprauw van gisteren bracht ons weder versche 
visch. 

Hier overleed de vierde matroos: en bij werd op het eiland 
Middelburg begraven, alwaar ook een paal met het wapen 
van Nederlandsche ïndië werd opgericht. 

Wij trachtten aan den wal te gaan , doch konden dien , 



wegens de daarvoor liggende koraalbanken , niet genaken. De 
stuurlui en matrozen brachten toen het lijk en den paal half 
zwemmende aan den wal. Het weer was gelukkig gunstig en 
de zee bedaard. 

2 November; des morgens weder onder sloom. Wij zagen 
ook het in de nabijheid gelegen eiland Amsterdam van Poeloe- 
doea, dat iets groolcr schijnt dan Middelburg, stoomden tus- 
schen dit en den vasten wal door, hetgeen nog al een ge- 
vaarlijke doortocht moet zijn , wegens de vele daarin voor- 
komende koraalbanken en vervolgden de reis op grooter af- 
stand van den vasten wal , om daarvan iets te kunnen onder- 
scheiden , koers nemende naar de Dampierstraat , waarvoor wij 
den volgenden morgen aankwamen. Des nachts om half 2 
uur waren de beide sleeplrossen , door het geweld der hooge 
zee, gesprongen. De wind was echter gunstig, zoodat de bark 
zeilende volgen kon. Veel wind en hooge zee. 

3 November. Onder stoom en zeilen werden nieuwe sleep- 
trossen aangebracht en zoo kwamen wij des morgens 8 uur 
de Dampierstraat binnen. Het weer had zich ook ten goede 
geschikt. 

Den 4en November hadden wij de straat achter den rug en 
wij zagen hier in de verte , voor het eerst op de reis , een 
driemastschip, dat waarschijnlijk op reis naar China was. 

Weder twee matrozen, de vijfde en de zesde, overleden en 
werden over boord gezet. 

Eindelijk verkregen wij verscheidene eilanden en ook Hal- 
maheira te zien en voeren wij langs de hooge en steile kust 
van dit eiland , aan welks voet hier en daar enkele huizen en 
kalapa-boomen te zien waren , straat Patientie binnen. Tegen 
den avond bevonden wij ons lusschen Halmaheira en Baljan 
doch vorderden weinig, daar men des nachts de Helang- of 
Larie-eilanden niet durfde passeeren. Ware dit niet hel geval 
geweest , dan hadden wij den volgenden dag Ternate kunnen 
bereiken. 

Den 5en November voeren wij weder de straat in en passeer- 



15K 

den omstreeks 8 uur de Larie-eilanden en kregen toen ook de 
Piek van Tidore in 't gezicht. Op de Larie-eilanden wordt 
een weinig kuituur gedreven door bewoners van den vasten 
wal — Halmaheira of liet groote eiland wordt hier overal als 
vast land beschouwd — uil het gebied van den Sultan van 
Tidore, waaruit men moet opmaken dat die vasle wal alhier, 
wegens de steile hellingen, weinig voor kuituur geschikt is. 

Het eiland Batjan vertoont zich hier in de straat , in allerlei 
vormen ,» afwisselend met hooge bergruggen en lagere streken, 
die dwars over het geheele eiland reiken. 

De Piek van Ternate kregen wij niet te zien, wijl die in 
wolken verscholen was, zoodat wij nog steeds in hel onzekere 
verkeerden omtrent den afloop der eruptie van den berg in 
de maand Augustus. Deze kalaslrophe had zich echter ten 
beste gekeerd. 

6 November. Reeds des morgens voor 8 uur ankerden wij 
op de reede van Ternate. Niet wetende of de resident Schenk 
weder de vriendelijkheid zou willen hebben en in de gelegen- 
heid zou zijn om ons Ie logeeren , verzocht ik aan de Prinsen 
van Tidore, om des noods in het aan den Sultan van Tidore 
toebehoorende groote huis , — dat hier niet ver van de resi- 
dents-woning gelegen is en waarin de Sultan zijn intrek 
neemt , als Z. H. op Ternate komt, doch dat nu ledig stond , — 
te mogen logeeren , hetgeen mij met de meeste bereidwillig- 
heid werd toegestaan. 

Deze voorzorg kwam mij bijzonder te stade, daar het huis 
van den resident in reparatie was en hij ons dus lot zijn 
leedwezen geen logies kon aanbieden. Van zijne tafel heb ik 
echter steeds mogen proflleeren. De Heer van der Crab werd 
door den Heer Jungmichel goedgunstig opgenomen. 

De Prinsen hadden mij , voor hun vertrek naar Tidore , met 
de onbegrensde macht van den Sultan over het huis, de kra- 
ton, bekleed, voor zoolang ik daarvan zou willen gebruik 
maken, en dit kwam mij zeer goed van pas, daar ik nu 
ruimte te over had om mijne bagage te bergen en te verzorgen, 



2Ö6 

Men verbeelde zich echter niet, dat ik in een paleis of gemeu- 
bileerd huis kwam; wel bevatte het een groole binnenzaal 
met 4 groote kamers, breede voor- en achtergalerij, wat ej? 
echter niet zeer vorstelijk uitzag; gelukkig lag er een goed 
waterdicht dak op. Het meubilair bestond uit een paar tafels , 
3 stoelen en een paar kribben, die tot slaap- en bergplaats 
dienden, alles naar het scheen uit de vorige eeuw afkomstig. 
Beddegoed en verdere benoodigdheden had ik zelf medegebracht 
en voor de keuken behoefde ik niet te zorgen , zoodat ik hier 
een prinsenieven zou gevoerd hebben , indien de badplaats , 
eene put met zuiver drinkwater en nog eene zekere plaats , 
niet veel te wenschen hadden overgelaten. 

6 t/m. 9 November. Herbarium, planten en zaden gedroogd 
en verzorgd en mij voor een reisje naar Halmaheira gereed 
gemaakt, alwaar ik over Dodiengo, Bebaneh, Kauw en Tabello, 
naar Galela op de oostkust wenschte te reizen. Hier in het 
hospitaal overleden op 8 en 9 dezer nog twee matrozen van 
de «Dassoon". 

10 November vertrok ik des morgens 8 uur van Ternale 
met eene korra-korra van den Sultan van Ternate, bemand met 
11 roeiers en nietsdoeners, naar Dodiengo, waar wij des 
namiddags half vier uur aankwamen. De rivier is nog een 
eindweegs bevaarbaar tot aan eene kleine kampong van Ter- 
natanen, die direct aan de rivier gelegen is. Dit vaarwater 
is sedert 1860 aanmerkelijk verbeterd, wijl men nu met eene 
prauw bij hoogwater tot voor de kampong naderen kan , het 
geen toen niet, dan met kleine kano's, door eene geul lus 
schen de Rhizophoren , kon geschieden. Evenals toen loopt 
de weg naar een vervallen fort je steil naar boven. Dit forlje 
is nu sedert eenigen tijd verlaten en wordt thans bewoond 
door een posthouder met eenige oppassers, De kampong Do- 
diengo, die daaraan grenst, is bijna geheel uitgestorven door de 
pokken , die daar vroeger geheerschl hebben. 

Een vroeger resident heeft hier naast het fort een huisje 
laten bouwen voor tijdelijk verblijf bij zijne inspectiereizen; 






257 

hiervan mocht ik gebruik maken om Ie overnachten. Hel was 
den geheelen dag drukkend warifl geweest, doch des nachts 
werd hel vrij koel. 

Den Hen November, des morgens 7 uur, wandelde ik over 
den pas naai' Bebaneh, welken afstand men in een goed hall 
uur kan afleggen. De roeiers van Ternale waren bestemd 
om de geheele reis mede Ie maken, zoodal zij een 
gedeelte mijner bagage mede voerden en de rest door koelies 
van Dodiengo gedragen werd. De hoofden der kampongs waren 
mij daarbij zeer behulpzaam, hetgeen ook wel noodig was, 
want anders loopen de lui hier niet hard. De prauw van den 
Sultan liet. ik te Dodiengo achter, wijl het hoofd reeds eene 
andere voor mij te Bebaneh in gereedheid had talen brengen. 
Ware dil niet hel. geval geweest , dan had men de reeds ge- 
bruikte prauw over den pas moeten slepen; nu konde ik mij 
reeds om half negen Ie Bebaneh inschepen om direct de reis 
voort te zetten. 

Daar er weinig gunstige wind woei, moest er aanhoudend 
geroeid worden en de roeiers, die door den kapaia-pranw 
slecht werden aangespoord, maakten geen groote haast, zoo- 
dal wij niet voor des avonds 10 uur Ie Kauw aankwamen. 
Daar het landen mocielijk was, bleef ik maar in de prauw 
overnachten. Van koken aan boord was geene kwestie, doel) 
ik bad gekookte rijsl van Dodiengo medegenomen, waarmede 
ik reeds mijn middagmaal gedaan had. Ik deed er nu ook 
mijn avondmaal mede; een blikje hazenpeper verving al hel 
verdere. 

De oostkust, die wij heden volgden , was van hel gebergte lol 
in zee steil afloopende en geheel mei wond bedekt: geen sporen 
van menschen of kulluur waren ziehlbaar; slechts eene enkele 
woning met eenige kalapaboomen kregen wij tegen den avond 
te zien. In de nabijheid van Kauw hok het gebergte zich 
meer- terug en werd bet land langs de kust lager; zoo zelfs 
dal er Sagoehosscben voorkwamen , die men niel anders dan in 
moerassige slrekeu aantreft, 

4? 



558 

De stank van trasgie op onze prauw was aanvankelijk af- 
schuwelijk, waarom ik dacht dat men die lekkernij aanboord 
had medegenomen. Bij onderzoek werd daarvan echter niets 
gevonden en het bleek nader dat dit een gevolg was van het 
uitlooien der nieuwe prauw in hel zeewater: de stank ver- 
minderde dan ook langzamerhand. 

12 November. Des morgens ging ik aan wal om koffie Ie 
drinken en rijst voor middag- en avondmaal te laten koken: 
voor ontbijt gebruikte ik steeds droge beschuit. Ik vervolgde 
om 8 uur de reis naar Tabello. 

Kauw is een groóte kampong waar zelfs chinezen wonen , 
die handel met de Alfoeren drijven; zij koopen hier rijst, 
sagoe, gedroogde visch , karet, schildpad, tripang, enz. en ver- 
koopen lijnwaden en snuisterijen. Langs het strand vindt men 
een lange reeks van kalapaboomen , waartusschen hier en daar. 
ver van de eigenlijke kampong, nog huizen gezien worden. 

Verder zagen wij bij afwisseling een zandig strand of rotsen 
tot in zee. De huizen staan hier en elders allen op den vasten 
wal , doch niet ver van zee verwijderd en niet op palen. De 
vloer is de aarde zelve. 

Om half twaalf passeerden wij l 3 oeloe-Baleh : Tandjong-Bian 
Medehe ligt tegenover dit eiland. Hier kregen wij een weinig 
wind om te zeilen: bij tusschenpoozen moest er echter weder 
geroeid worden tol Tandjong Miti en het daar tegenover lig- 
gend eiland van dien naam. De geheele kust van Tandjong 
Bian tot Tandjong Miti is wel niet hoog doch het lage ge- 
bergte loopt steil in zee af en de kust is geheel onbewoond. 

De zonderlinge vorm van het eiland Halmaheira wordt nog 
zonderlinger, wanneer men aan die groote vertakkingen nog 
de vele uitstekende kapen en inhammen toevoegt, welke wij 
reeds gepasseerd waren en welke verder volgden ; men kan 
hierbij nog de vele eilandjes voor en in den omtrek van Tabello, 
enz. voegen. 

Des avonds 8 uur kwamen wij voor Tabello aan, doch wijl 
het zeer donker en het landen moeielijk was , getroostte ik 



mij maar weder In de prauw te overnachten. Wel was er 
een lange brug, aan welks hoofd men kan aanleggen, doch, 
hoe fraai de brug eenmaal moge geweest zijn, thans was /ij 
onbruikbaar. 

13 November, des morgens, ging ik aan wal en nnlmoelle 
daar den Heer Heen mei zijne echlgenoole, die zich hier als 
zendeling gevestigd heeft. Hij heeft hier een lief huisje opge- 
richt, dat kraakzindelijk ingericht is, hetgeen nog al eenig ver- 
schil oplevert met de vuile woningen der Alfoeren. Het terrein 
om zijn huis is netjes schoon gemaakt en .met bloemen en 
vmchlboomen beplant en omheind legen hel indringen van 
geilen. Werkvolk is hier tegen ƒ 6. — 's maands genoegzaam 
ie hekomen , hetgeen elders weer niet het geval is. De hees- 
terachtige katoen tiert hier zeer weelderig. Het erf is een 
model voor de Allberen , maar hef vindt nog weinig navolging; 
zelfs heefl de Heer Been hen nog zoo ver niet kunnen bren- 
gen , dat zij den weg en hunne erven in de kampong schoon 
maken; alles is daar met gras en slruiken begroeid. Er is 
hier ook, evenals te Kauw , een zoogenaamd Residenlshuis, dal 
door het hoofd of den Djoegoegoe bewoond wordt en er even 
vuil en verwaarloosd uitziet als al hel overige. Er wonen 
hier meest Orang Slam , die al niet beter zijn dan de Alfoeren 
en meestal nog werkelijke, doch zoogenaamd lof den Tslam 
bekeerde, Alfoeren zijn. Ook werd hier een Chinees gevonden. 

De Alfoeren in de verschillende streken van dil eiland heb- 
ben, evenals de inwoners van INieuw Gninea , Ceram , Celebes, 
Boeroe, Borneo, enz., ook verschillende talen en dialecten en 
staan soms ook vijandig legen elkaar over. Het gezag van 
den Sultan maakt de Iwisten hier echler minder bloedig dan 
elders. 

Om 8 uur, 's morgens, vervolgde ik de reis , na bij den Heer 
Been koffie gedronken en rijst Ie hebben laten koken. 

Het land langs de kust was laag en schijnt zeer vruchtbaar 
en voor een gedeelte door Alfoeren bewoond, hoewel aan hel 
strand geene karnpongs te zien zijn. Meer hinnenwaarts steeg 



269 

échter hier en daar rook op. De Alfoeren bepalen zich hier 
dan ook niel alleen lot de stranden , maar wonen ook ver 
binnenlands. De kust is hier en daar zandig; verder op ook niet 
zwarte rotsblokken bedekt, die meer en meer toenemen, hoe 
meer men den voel van den Goenoeng Mamaeja en Galela nadert , 
totdat eindelijk de kust nabij Tandjong Larie in eene geheel 
zwarte vulkanische massa overgaal : Baloe Angoes. De Goenoeng 
Mamaeja, die 5000 voel hoog zal zijn, daall met verscheidene 
landjongs in zee af, waarvan de Tandjong Larie de uiterste 
punt uitmaakt: zoodra men deze laatste tandjong gepasseerd 
is, en zoowel den zonderling afgeknotlen berg Kerkan van 
Galela, als de zwarte vulkanische massa, die zoo hoog de gol- 
ven reiken, zwart en zonder vegetatie, doch daarboven met 
een groen plantenkleed bedekt is, in 't gezicht krijgt, rijst on- 
middellijk het denkbeeld op, dal deze vulkanische massa haar 
aanzijn te danken heeft aan den wel voor 2 / 3 onlbrekenden 
top van den Kerkan. Bij nader onderzoek bleek het echter 
dat dit niet het geval kon geweest zijn. 

Omstreeks \ 1 uur kregen wij een flinke regenbui en legen 
5 uur des namiddags landden wij Ie Galela, w r aar ik mijn 
intrek nam in de ook hier bestaande residenlswoning, waarin 
ook het hoofd, de Oetoesan van Ternate, zijn verblijf hield : hij 
ruimde echter eene kamer voor mij in. Het was hier even vuil 
en haveloos als elders, doch ik was tevreden slechts onder 
dak te zijn, en in de gelegenheid om water en rijst Ie kunnen 
laten koken: de laatste had ik zelf medegebracht met al de 
verder benoodigde gereedschappen en provisiën. 

Niet lang geleden had hier een zware storm gewoed . die 
de zee tot aan den hoogen oever had opgevoerd en waarbij 
vele prauwen, doch geene menschen , verongelukt waren. 

Den 14 November, des morgens, wandelde ik door de kam- 
pong, die er beter uitzag dan te Tabello, en langs het strand 
tol aan de Baloe Angoes, waar ik door een moeras gestuil 
werd. Ik beklom daar een prauwtje om langs het strand en 
de inhammen op die vulkanische massa te botaniseeren en het 






261 

gelukte mij er verscheidene merkwaardige planten op Ie vinden. 

Dil varen was ook al niet gemakkelijk wijl de zee lul aan 
de rotsen meestal met koraalbankeu bezet was. In een dr/er 
inhammen besteeg ik een gedeelte, waai een voetpaadje, door 
eene altijd nog rotsachtige geul, aanwezig was. Onder pene 
groote verscheidenheid van planten, heesters en zelfs vrij 
groole hoornen, komen voornamelijk voor: Pandanus spurius, 
P. latissismus, Cycas Kumphii, Fagraea (sp. ) , Aegiceras Xyjo- 
«arpus, Rhizophora , Bruguiera , Ceriops, Kandelia , Gypera- 
cea, enz. 

Hel is verwonderlijk hoe op dezen rotsbodem, waar van hu- 
mus of verweering nog weinig sprake is, zelfs groole hoornen , 
door aanhechting, tusschen de rotsen in dringen, en zich 
een beslaan welen te verschaffen. Hoe verder men naar het 
binnenland over die ver uitgestrekte vulkanische massa 
heen ziet, hoe weelderiger de vegetatie wordt, terwijl die 
nader bij hel strand langzamerhand afneemt. Het is daar ook 
niet mogelijk om zich door de uitstekende, onregelmatig daar 
neer geworpene rotsen, een weg te banen. Deze eruptie moet 
reeds in lang vervlogen lijden hebben plaats gehad, en men 
wist mij dan ook slechts bij overlevering eenig bescheid daar- 
omtrent te geven, waarbij echter alweder verschillende lezingen 
voorkwamen. Het waarschijnlijkste kwam het mij voor, dat, 
lang geleden, zekere berg, meer in 't binnenland gelegen, 
tioenoeng Tohloh, deze vulkanische massa heeft aangevoerd, 
die zich palen ver uitstrekt, eerst hier in zee eindigt en tus- 
schen de bergen Mamaeja en Kerkan ingesloten is. Wellicht was 
ook toen de plaats, welke thans met die massa is aangevuld 
en opgehoogd, eene baai of inham der zee, waarin de stof 
zich gemakkelijk kon voortbewegen. 

Dal deze vulkanische stroom niet van Goenoeng Kerkan kon 
uilgegaan zijn blijkt dan ook ten duidelijkste, wijl de stroom 
niet. van die zijde, maar uit het westen of zuidwesten gekomen 
is, en daarbij geene sporen van uitbarsting van den Kerkan, 
noch een weg , welken die stroom zoude moeten gevolgd hebben , 



aanwezig zijn. Nopens het verlies van waarschijnlijk 2/3 der 
hoogte van den Kerkan zal ik nader mijn gevoelen mededeel en , 
wijl die mijns inziens nergens anders kan gebleven zijn, dan 
in de diepte teruggedrongen. 

De zwarte rolsklompen . welke langs het si rand van af den 
voel van den Goenoeng Mamaeja tot aan de Batoc-Angoes 
voorkomen, schijnen almede lot deze geschiedenis te behooreii 
en door de zee derwaarts gevoerd te zijn. 

Aan den voet van den berg Mamaeja moet zich ook eene 
warme bron bevinden, op eene plaats van den zelfden naam 
als de berg. 

Het strand van Galela is van af de Batoe-Angoes met een 
mul zwart zand vele voelen opgehoogd. Hierop en hier- 
achter is de kampong gelegen, waarin zoowel Alfoeren als 
Chinezen en Mahomedanen gevestigd zijn. Van Chinezen was 
hier wel een dozijn woonachtig, die van den handel leven. 
Sagoe wordt hier door de Alfoeren veel aangevoerd , en voorts 
de artikelen order Tabello vermeld. 

De Alfoeren onderscheiden zich hier weinig van de Maho- 
medanen, behalve dal zij slechts met de Tjidako, schaambe- 
dekking, gekleed zijn; bij feestelijke gelegenheden komen zij 
echter in 't zelfde kostum als laatstgenoemden voor den dag en 
dragen zelfs ook hoofddoeken, ofschoon geen van beide lang 
haar laten groeien. Hunne vrouwen dragen onder gewone 
omstandigheden korte kleedjes, maar zijn bij feesten ook even 
fraai uitgedoscht als de Orang Slam : zij hebben ook , evenals 
deze, schoon, lang en zwart haar. 

Men vindt hier geen levend water, maar wel vele gegravene 
putten, waarin het water, dat ook gedronken wordt, zoo vuil 
is, dat men hel noode tot baden bezig! . 

15 November. De zendelingen Been en Klaassen hadden , 
nog niet lang geleden . zich hier te Galela gevestigd . doch 
nadat hunne huizen door onvoorzichtigheid in brand geraakt 
en geheel afgebrand waren, verhuisde dé eerste naar Tabello en 
de tweede naar het zoetwater-meer Talaga-lamo, dat is : groot 



265 

meer, hetgeen op een half uur gaans van de kampong Galela 
binnenslands gelegen is. Men moei nog bijna een half uur 
varen om aan de woning van den heer Klaassen te komen, 
die aan eeue andere zijde van het meer gelegen is, in of bij 
de kampong S wakenara; Swake of Soewake , ook Doko, belee- 
kent: kampong, en nara: iu het midden; dus de kampong in 
het midden, waarschijnlijk van de lengte van het meer. Daar- 
tegenover, op korten afstand van het meer, woont een ander 
zendeling, de Heer van Dijken, niet ver van de kampong 
Doko-lamo, dat is: groote kampong, op zijne heerlijkheid , die 
hij Duma genoemd heeft. 

Aan die Meeren verzocht ik, een paar dagen hij hen te 
mogen doorbrengen, hetgeen mij gereedelijk werd toegestaan. 
Ik begai mij daarop langs een vroeger goed aangelegd , doch 
nu bijna dicht begroeid voetpad, nu eens klimmende en dan 
weder afdalende, derwaarts op reis. Te Bebaneh, alwaar eene 
steile helling naar het meer afdaalt, stapte ik in eene prauw 
en landde daarna spoedig hij den Heer Klaassen aan , die . 
even als zijne echtgenoote, mij hartelijk welkom heette. Zij 
bewoonden een klein, doch lief huisje, pas onlangs voor hen 
nieuw opgericht. Een ruim erf was hierbij , want aan gronden 
is hier nergens gebrek. Alles is hoog boven, doch dicht aan 
het meer gelegen, terwijl in de onmiddellijke nabijheid eenige 
Alfoersche huizen slaan, die tot de kampong Swakenara be- 
hooren. Het uitzicht, zoo op het meer als op den groenen 
omtrek daarvan , een paar kleine eilandjes daarin , die almede 
met groen bewassen zijn, en op den berg Kerkan , die daar met 
zijn voet lol iu hel, meer reikt, en aan die zijde nog geheel 
met bosch bedekt is, heeft een afwisselend en aangenaam 
voorkomen; terwijl een paai' soorten wilde eendjes overal 
rondzwemmen. Minder aangenaam is het voorkomen van 
krokodillen in hel meer. die soms de eenden en ganzen 
wegrooven. 

Het klimaat is hier veel frisscher en de nachten zijn koeler 
dan aan hel strand te Galela. 



nu 

Het meer zou volgens «leze Heeren 26 vademen diep zijn , 
drie kwart uur roeieus lang en gemiddeld ± 20 minuten 
breed. 

Het beslaat een onregelmatig langwerpig vierkant ; visschen 
van eenige beteekenis komen er niet in voor; slechts zeer 
kleine vischjes, als stekelbaarsjes, en eene soort ikan Iele of 
gaboes zijn de eenige die men kende. Als een gevolg der 
schaarschheid van visch zijn ook zelden watervogels te zien 
en wegens de diepte van het water groeien er ook geene 
waterplanten, behalve op sommige plaatsen langs de kanten. 

Nelumbium speciosum is er nog al vertegenwoordigd , doch 
komt zelden in bloei , wijl de bloemsleng zich niet boven het 
water verheffen kan en de bladeren ook zelden opstaan, maar 
meest altijd op de oppervlakte van het water drijven. Eene 
Polamogeton en eene Utricularia ziet men ook veel op ondiepe 
plaatsen langs den oever. 

Het water is goed van smaak en wordt algemeen als drink- 
water gebruikt, ofschoon de Heeren .toch nog putten hebbeu 
laten graven, omdat hel meerwaler wel eens verontreinigd 
wordt. Het meer heeft wegens de diepte eene donkere kleur » 
als men er over vaart. 

Bij het graven der put Ie Swakenara werden eenige nieuwe 
Hollandsche Rijksdaalders in een graf gevonden. De vinders 
durfden zich deze echter niet toeëigenen , daar zij beweerden 
dat die iiiet hun, maar den daar begravene toebehoorden. 

Behalve de evengenoemde eilandjes, die men van uit de 
woning van den Heer Klaassen zien kan , bevinden zich nog 
vele andere in het meer verspreid, waarvan sommige met 
hunne rotswanden hoog boven het water uilsteken. " 

Langs hel meer , hoewel niet zichtbaar aan den oever , en 
verder in het binnenland zijn vele Alfoersche kampongs, wier 
huizen alle achlkant zijn en daardoor een zonderling aanzien 
hebben, wel iets gelijkende naar eene volière of een kippen, 
hok. Die vorm wordt echter gemakkelijk verkregen door hei 
afkappen der uiteinden van de galerijen , terwijl het 



265 

middengedeelte toch vierkant is. Zij zijn allen /onder onder- 
palen op den grond gebouwd , doch men vindt er toch ook 
verheven slaapplaatsen en zelfs houten zitbanken In. 

tëven als elders werken deze Altberen Helst niet meer dan 
hoogst noodzakelijk is. De cijnsbaarheid aan den Sultan van 
Ternale noopt hen evenwel om padie te planten, waarmede, 
zij hunne landrenten kunnen betalen, dom- een gedeelte te 
verkoopen , terwijl zij zelve ook wel rijst lusten , afgewisseld 
door Sagoe. 

Tabak telen zij op hunne ladangs tegelijk met en in de 
nabijheid van de padie. De planten die ik er van zag waren 
klein van blad doch stonden overigens vrij goed. Ook de padie 
had een goed voorkomen en kan wel met die der ladangs op 
Bangka concurreeren; zij was kort van steng doch goed geladen. 

Damar wordt in de bosschen ook voor eigen gebruik om te 
branden en voor den handel verzameld. De inwoners leven 
rustig onder elkaar, doch zijn zeer geneigd om ten oorlog te 
varen, vooral met het doel om buit te maken en ook voor de 
eer om voor heldhaftig gehouden te worden , daar zij bij le- 
rugkeer hunne zegeteekenen in hunne Saboea's ophangen. 
Het kost den Sultan weinig moeite om, wanneer dit door het 
gouvernement verlangd wordt, honderden Altberen geneigd te 
vinden om ten strijde te trekken. Doch ook uit verveling, 
omdat zij hun tijd niet weten te besteden, zwerven de jonge- 
lieden soms jaren lang op goed fortuin rond. Dal zich onder 
die omstandigheden weleens een zeeroover vormt , is meerma- 
len gebleken; anderen keeren , soms na eene afwezigheid van 
10 lol 20 jaren . naar hunne belrekkingen terug. De zende- 
lingen wonen echter rustig en vreedzaam onder deze Alfoeren, 
zonder de minste vrees noch voor hun leven, noch voor hunne 
bezittingen. 

Aan bijgeloovighedeu ontbreekt het bij deze lieden even min 
Ws bij andere volken. Voor hunne dooden hebben zij meer 
achting dan voor de levenden en ouden van dagen. Eerst na 
Bet overlijden wordt aan de lijken de meest mogelijke eer 



i66 

bewezen en men spaart alsdan geene kosten om den geest van 
den overledene te bevredigen. Er komt dan evenwel wat 
egoïsme in bel spel , wijl men voor de zielen of geesten der 
overledenen, die steeds in hunne nabijheid zweven en ai bun 
doen en laten gadeslaan, groote vrees koestert en zich dns 
met ben tracht te verzoenen. Zij zullen daarom eene gelofte 
nooit verbreken, wijl de geesten hun dit zeer kwalijk zouden 
nemen en hun ongeluk zouden berokkenen. Vele snuiste- 
rijen en zaken van dagelijksche behoefte, zelfs zilvergeld van 
aanzienlijke waarde, worden met hen Ier aarde besteld of op 
de graven gedeponeerd. Het por cel ei n of aardewerk, kopjes, 
schoteltjes, horden, enz., dal men op die graven vindt, is 
echter, evenals bij de Sekas op Kangka . altijd gebroken of 
beschadigd. Hel doel daarvan is mij niet gebleken. De be- 
grafenis geschiedt op verschillende plaatsen niet op dezelfde 
wijze. Sommigen te Galela begraven de lijkeu in de aarde, 
doch delven die later op om het dan nog overgeblevene ge- 
beente Ie verzamelen en dit, in een klein fraai kistje gelegd. 
op palen van 3 a 4 voel hoogte, boven het voormalige graf 
te plaatsen. Anderen — Ie Tabello begraven de lijken niet. 
maar leggen die. goed ingewikkeld, en niet tikars omwonden, 
in eene open kist op palen van de biervoren vermelde hoogte, 
en wachten nu de ontbinding van het lijk af. om alsdan even 
als boven gemeld is , de beenderen te verzamelen en in een 
klein open kistje weder ter plaatse op te stellen. Het vreemde 
der zaak is dat beiden de begraafplaatsen direct aan hunne 
kampongs verbinden, zoodal die soms geen 25 passen van 
hunne woningen verwijderd zijn. Dit kan niet nalaten een 
verpestenden stank Le verspreiden, waarvoor de reukorganen 
dezer lieden echter minder vatbaar schijnen le zijn. 

De Alfoeren gelooven, even als alle egoïstische menschen, 
aan eene betere en genotrijker toekomst na den dood. Straften 
van vagevuur, hel of soortgelijken, zijn bij hen niet bekend 
en de duiveltjes, Selan. Antoe, Swangie en dergelijken . ko- 
men het hun enkel in dit leven soms wal lastig maken. Zij 



267 



ijnen dus ook wel een geweien te hebben , zonder dat 
hun dil bekend is. Hunne beschermheiligen kiezen zij naar 
welgevallen, hetzij eene slang of een ander gedroehtelijk wezen, 
dal zij in hou( gesneden in huuue tempeltjes, Saboca,, op- 
hangen, waarin ook de zege teekenen, in den strijd ver- 
overd., gedeponeerd worden. Die expedities worden ook aan- 
geduid door de jonge gele bladeren van don Arenboom , Golla- 
Madolo, die aan do daklatten worden vastgeknoopt. Hunne 
Saboea's zijn min of moer grooie gebouwen, die niet bewoond 
worden nia.iv, behalve lol vorenstaande doeleinden, ook !<>i 
feestelijke of godsdienstige samenkomsten dienen; zij zijn niet 
om wand, maar soms van zitplaatsen voorzien, en vertegen- 
woordigen de rtiissigit's der Mahomedanen en de kerken der 
Christenen. 

Veel nog zoude van de adals en bijgeloovigheden dezer 
Alfoeren Ie verhalen zijn : ik heb daarom de Heeren zendelingen 
aangespoord, daarvan al het bun bekende Ie boek te stellen 
en door den druk meer algemeen bekend Ie maken. 

Den 16en November bracht ik met mijn gastheer, don 
Heer Klaassen, per prauw over het meer, een bezoek aan den 
heer van Dijken en zijne eebtgenoote Ie Duma , die daarmede 
een aardig huis mei bloementuin beeft aangelegd. Koffie en 
Arrowroot zijn ook door hem aangeplant en van de laatste 
heeft hij reeds veel naar Nederland aan hel genootschap te 
Utrecht gezonden. De bodem is er zeer onvruchtbaar: de 
katoenheester en wijnstok groeien er weelderig, maar hel is 
jammer dat de Hoeren den laai sten niet wisten Ie behandelen. 

De Heer va.n Dijken bezat 7 vette koeien van Bengaalsril ras 
die er prachtig en welgevoed uitzagen. Er is hier dan ook 
geen gebrek aan voedsel, want lusschen Duma en de kampong 
Doko-lamo ligt een uitgestrekt en vlak terrein, geheel met 
koesoe-ksesoe of alang-alang bekekl . waarop wel oen honderd 
stuks rundvee ruim voedsel vinden kunnen. Het transport van 
vee van en naar Ternate, de eenige markt er voor, is echter 
bezwarend, daar hol prauwloon voor enkelen te duur zon 



2G8 

uitkomen en het transport daarbij nog niet 'veel moeite zou 
gepaard gaan. 

Van Swakenara naar Du ma hebben de Meeren voor hunne 
rekening een goed voedpad aangelegd, dat, op weinig afstand 
van het meer, eenige kampongs doorsnijdt. Men verbeeld! 
zich dat de Alfoeren dit voorbeeld verder zouden volgen en 
dat het maken van goede wegen een begin van beschaving 
zou ten gevolge hebben. Er bestond ook plan om dezen weg 
van Swakenara verder tot Galela door te trekken, waarvan 
trouwens reeds een groot gedeelte van Galela tot aan het begin 
van het meer ot' Bebaneh bestaat; Het woord Bebaneh is zoo 
hier als te Dodiengo toepasselijk op de steile hellingen , die 
daar gevonden worden en waarop de weg klimt ol' daalt. 

Met den Heer van Dijken maakte ik eene goede wandeling 
op den nieuw aangelegden weg en door eenige kampongs, die 
bijna allen tijdelijk verlaten waren, daar de bewoners ervan, 
met den padieoogsl bezig, zich op hunne ladangs metter- 
woon gevestigd hadden. Die kampongs waren vrij goed on- 
derhouden en prijkten allen met de graven en beenderen-kisljes 
van hunne dooden op palen, in de onmiddellijke nabijheid. 
Vruchtboomen , voornamelijk Manga's en Doekoe's, werden ook 
overal aangetroffen ; Mangies of Mangistan waren er schaarsch. 
De Kembang spatoe, Hibiscus Rosa sinensis, de granaatappel, 
Punica granatum, de Melati-gambier , Jasminum grandiflorum 
de Melati betoel, Jasminum Sambac, enz., ontbraken nergens. 

Des avonds keerden wij per prauw naar Swakenara terug. 
Het water in het meer was door den wind zeer bewogen, 
zoodat wij gedurig kleine golfjes in onzen notendop binnen 
kregen die er met een kalapadop weder uitgeschept werden. 

17 November. Daar ik vernomen had dat er, behalve hel 
groote meer, Talaga lamo , nog drie andere meeren, in opvol- 
ging naar het noorden, bestonden, wenschte ik ook die te 
bezoeken. De Heer Klaassen bood zich aan mij te vergezellen. 
Wij stapten nu weder in eene prauw, voeren het meer over 
en worstelden met veel moeite door een veld van dicht in elkaar 



269 

geslolene op hel water drijvende bladeren van Nelumbium 
speciosum, Tarateh, en bereikten eindelijk den oever, dien wij 
opkloulerden. 

Wij vonden op de boogie vele ledige buizen, maar eindelijk 
ook een bewoond buis, welks bewoners o?is terecht wezen, 
om, aan de andere zijde weder afdalende > bel tweede meer Ie 
bereiken. Dit meer besloeg veel minder oppervlakte, mis- 
sebien nog geen vierde van bel groole meer, en er was bier 
overigens niets bijzonders Ie zien. Wij dachten nu ook nog 
de Iwee andere meeren Ie bezoeken; doch daartoe bestond 
van hier uit geene gelegenheid en wij zouden daartoe een 
groolen weg hebben moeten maken. De tijd veroorloofde ons 
dit niel . zoodal wij maar besloten terug te keeren. Van de 
twee verder gelegene meeren verhaalde men ons, dat er nog 
een klein en een groot lang meer bestond. Hel laatste zou 
langs den voet van een, in bel verschiet zichtbaren, 
bergrug loopen en zich zeewaarls ombuigen . doch van geen 
van allen was eene uilwalering bekend. 

Het ontstaan dezer meeren, in verband met het verdwijnen 
van den top van den berg Kerkan, is waarschijnlijk aan ver- 
zakking van den bodem toe Ie schrijven. 

Na een hartelijk afscheid van deze brave lieden genomen te 
hebben keerde ik des avonds naar mijn logies aan hel strand terug. 

liet idee van het Utrechtsen genootschap om deze lieden 
hier midden onder de echte Alfoeren Ie plaatsen, is schoon, 
doch geluigl niet van zaakkennis, daar men bier evenmin 
slagen zal christenen Ie maken als op Nieuw Guinea. Vooreerst 
zijn de inwoners zoo bijgeloovig aan hunne oude overleveringen 
gehecht, dat zij daarvan niet durven afwijken , uit vrees voor de 
schimmen hunner voorouders: ten tweede gevoelen zij geene 
behoefte naar verandering van Godsvereering : ten derde is de 
christelijke leer. zooals die door de zendelingen gepreek! wordl < 
hun (en eenemale onbegrijpelijk. Daarbij komt nog, dat zij niel 
tens, behalve om bijzondere redenen , den Godsdienst van bunnen 
vorst, de Mahomedaansche namelijk, willen aannemen, hoewel 



270 

die voor hen veel aannemelijker is, dan de Christelijke* Leer- 
scholen voor de jeugd zouden nog hel wenschelijksle zijn. 
doch de jeugdige knapen, die van de ouders geene aansporing 
Ie wachten hebhen, vinden het pleizieriger, zich in het waler 
of in het zand rond te wentelen en zich in de zon Ie braden, dan ter 
schole te gaan. Hier waren ten minste ook daarvan geene 
resultaten verkregen. 

18 November. Met den Heer van 'Dijken had ik afgesproken , 
dat wij heden te zameri den goenoeng Kerkan zouden beklim- 
men , om diens zonderlingen vorm van nabij te beschouwen. 
Onze weg lag aan de oostzijde des bergs en liep eersl door 
Alang-Alang-velden , doch al spoedig onafgebroken door hel 
woud. De hoogte van dezen berg schatten wij op niet veel 
meer dan 1000 voet boven de zee en wij beklommen dien, 
langzaam voortgaande, daar het nog al steil in eeae rechte lijn 
opwaarts ging, in 1 1 /. 2 uur, terwijl wij slechts % uur be- 
hoefden om snel af te dalen. Boven gekomen zagen wij een 
gelijk terrein, dat rondom den top des bergs liep als een ring, 
die dan eens zeer smal, dan weder eenige roeden breed was. 
Hel binnenste van dien ring liep even steil naar beneden . 
als de buitenwand des bergs. zoodat hel binnen gedeelte, waar 
de top moet geslaan hebben, nu in een grooten I rechter 
herschapen is, die echter rondom langs de steile hellingen , even 
als de buitenkant, mei bosch bezet is, zoodal van den bodem, 
wellicht een paar honderd voet diep, niets zichtbaar was. Een 
onzer volgelingen daalde in den trechter , tot op den bodem . af en 
kwam aan de overzijde weder te voorschijn. Hij wist ons niets 
anders te verhalen , dan dat er op den bodem geen water stond , 
maar dat die, even als de wanden , met woudboomen, struiken » 
Bamboe, enz. begroeid was. Het regenwater moet dus langs 
een onderaardsch kanaal wegvloeien , waarschijnlijk in het 
daaraan grenzende meer Talaga-lamo. Wij lieten onze kleine 
bagage ter plaatse waar wij het eerst het hoogste punt be- 
reikt hadden, hingen onze, door den regen nat geworden 
kieeren daar in de zon Ie drogen en begonnen nu de wande- 



£71 

ling op den ring rondom den grooten Ireóh ter. Meésl overal 
vonden wij zwaar bosch , doch ook vele Alang-Alang- velden-, 
ontslaan door hel vellen van het bosch, om daarop kult uur 
uil Ie oefenen. 

Deze ring was, zooais reeds gemeld is, hij afwisseling meer 
of minder breed — daar, waar zij hel smalste was, was de 
helling naar binnen minder steil , zoodal men daar het gemak- 
kelijkste kon afdalen bijna waterpas, doch ook soms eenigs- 
zins rijzende of dalende, maar nergens was een doorbraak 
aanwezig, waaruit de inhoud zoude kunnen uitgestroomd zijn- 
De bodem was met eene dikke laag humus bedekt. Van lava 
of vuleanische sloften vonden wij niels: slechts eenige lichte 
poreuse steenen werden hier en daar gezien, die waarschijnlijk 
lot de formatie van den berg zelf behoorden. 

Hoewel het ongebaande voetpad, dal over den geheelen ring 
liep, ten blijke dal de inlanders hier soms ronddwalen om 
boschproducten Ie zoeken — waaronder ook eieren van Malen 
megapodius behooren . waarvan wij de kolossale nesten of aard- 
hoopen aantroffen - ons soms veel moeite gaf om bel door 
te worstelen, vooral waar dit pad geheel met alang-alang was 
dicht gegroeid, en ofschoon wij, lol over de ooren er door wa- 
dende, in de brandende zon , een doortocht moesten forceeren — 
hadden wij Inch in Iwee uren den cirkel afgewandeld , en kwa- 
men wij loen weder hij onze aehtergelatene goederen terecht. 

Ik vond eenige interessante planten maar ook vele bekende, 
zooais kolossale Canarium commune, kanarie, wier vruchten 
den bodem bedekten: voorts vele Ficussoorten , waaronder mede 
kolossale boomen ; Laurineën; eene klimmende Strijchnos, met 
rijpe vruchten; jonge planten van eene soort Livistona, wier 
jonge bladeren tot wateremmers gevormd worden ; groole 
Stammen van eene Carijota . die voor goten gebruikt worden , 
een paar soorten Pinanga : Arenga Sacharifera , die over den 
geheelen berg met honderden voorkomt en van wier palmwijn 
veel gebruik gemaakt wordt, doch waarvan men geene suiker 
kookt: verscheidene rotan- en bamboesoorten; vele soorten 



272 

liane», waaronder eene Sinilax, die ons mei zijne gedoomde, 
over den grond liggende, stengels menigmaal deed struikelen 
of ons den weg versperde; van Seilamineën kwamen vele en 
ook zeldzame soorten voor. waarbij ook de Globba doerian, 
met grooie bolvormige vrucbürossen , die niet onaangenaam 
van smaak zijn; zelfs Kalapa en Pinang-boomen loonen nog 
de plaatsen aan, welke vroeger in kuituur zijn geweest. 

De zuidoost zijde van den berg wordt voor een groot ge- 
deelte, tot bijna aan zijnen top, bij lussehenpoozen en af- 
wisselend in kuituur gebracht en, boe steil ook, toch met 
padie beplant, nadat al bet geboomte, behalve de Arenga 
Sacharifera , Gotta-madolo of Arenboom, is weggekapt. Die 
streek, welke sterk afsteekt bij de aangrenzende bosschen en 
meer bet voorkomen van een boomgaard beeft, bevat bonderden 
en de gebeele berg duizenden Arenboomen van verschillende 
hoogte en ouderdom, die niet geplant, maar van zaden, door 
bet afslroomende water of door dieren verplaatst , zijn voort- 
gekomen en die allen eigenaars hebben, doch bij lange na niet 
allen getopt worden. De Alfoeren zijn liefhebbers van de Sagoweer 
of den gegislen palm wijn en laten dien onmiddellijk verzuren , 
als ze uit den bloemsteng in de bamboekokers vloeit door 
sleads een gedeelte droesem in die kokers te laten. Deze kokers 
worden dientengevolge ook nooit schoon gemaakt. Bij de 
inzameling der Sagoweer wordt die in daartoe medegebrachte 
kokeis overgegolen. 

De zuidwest zijde van den bei>> zoude volgens zeggen minder 
voor kult uur geschikt zijn, wijl hel daar Ie steenachtig is. 
van daar ook dat de natuurlijke vegetatie daar nog in volle 
kracht is. 

Herten, varkens en koesoe's — Phalangisla — moeten hier ook 
veel voorkomen ; van de varkens zagen wij vele sporen van 
het omwroelen van den grond; wille, roode en groene kaka- 
toea's en roode Loerics zijn er ook overvloedig en zij maken 
zich steeds door hun vervelend geschreeuw bekend. 

Onder meerdere aardigheden verhaalde men hier ook, dat 



273 

de top van den Kerkan eenvoudig daarvan was afgeworpen en 
in denzelfden vorm er vlak naast was neergezet. — Nu slaat 
er werkelijk een kleinere berg naast den Kerkan, die er wel 
haast op passen zou , maar ook deze gaat aan 't zelfde euvel 
mank, namelijk dat ook hij zijn kruin verloren heeft en dus 
waarschijnlijk van binnen ook trechtervormig is. Dit alles 
te zamen genomen en met de vier meeren in verband gebracht, 
komt het mij waarschijnlijk voor, dat het een zoowel als het 
ander aan verzakking van den bodem moet worden toe- 
gescheven. 

19 November. Des morgens 7 uur nam ik de terugreis 
weder aan en arriveerde reeds om 12 uur des middags te 
Tabello, waar ik door den Heer Been en zijne echtgenoote 
vriendelijk ontvangen en uitgenoodigd werd een paar dagen 
bij hen door te brengen , waartoe ik dan ook besloot. — Des 
namiddags wandelden wij de vuile boofdkampong en de en- 
virons zoo ver mogelijk rond , en vonden de erven der hier 
en daar verspreide Alfoeren veel netter onderhouden dan die 
in de boofdkampong, en zelfs met eenige soorten van bloem- 
heesters en sierplanten verrijkt. Langs het erf van den Heer 
Been loopt ook een beekje met goed water, dat echter, door 
veelvuldig gebruik in de kampong, te veel ontreinigd is, om 
als drinkwater te dienen. Daarom had de Heer Been hier ook 
eene put laten graven, die heerlijk water opleverde. 

20 November. De heer Been vergezelde mij in eene prauw 
naar een paar voor Tabello liggende eilandjes , waarop ook 
eenige menschen van Tabello tijdelijk woonden , om er op den 
vruchtbaren bodem — ontbonden koraal en humus — een wei- 
nig kuituur te drijven, voornamelijk padie, suikerriet en kladie, 
en waar zij, even als de Alfoeren in de kampongs, enkele 
planten tot sierraad en huiselijk gebruik kweeken, die bij 
sommigen dezelfde zijn als bij de Batlak's op Sumatra, b. v. 
Gomphrcna globosa , Celosia cristala en plumosa en deze wel 
in vier kleuren als: oranje, geel, donker- en lichtrood, (ielosia 
argentea , Vinca rosea, Codiaeum moluccanum, Colodrocon 

i8 



274 

Jacquinii, Hibiscus Rosa sinensis, enz. De Anona muricata, 
zuurzak, was hier reeds verwilderd. Eene vreemde soort 
Broussonetia , waarvan de dames korte baadjes droegen en de 
mannen tjidako's bereidden, en eene fraaie bont-bladerige Aca- 
lypha, behoorden ook tot hunne aanplantingen. Deze lieden 
waren zoo beleefd, dat zij ons zelfs, met suikerriet beladen, 
van de eene hut naar de andere volgden ; wij waren onbeleefd 
genoeg om er niet van te profiteeren. 

Ik verzamelde langs de stranden nog eenige planlen en toen 
eene regenbui uit de verte ons dreigde te overvallen , keerden 
wij haastig huiswaarts. 

Des namiddags , 5 uur , nam ik ten tweedemale een hartelijk 
afscheid van deze, waarlijk niet benijdenswaardige, pioniers 
voor het Christelijk geloof, — dat dan ook hun eenigste illusie 
uitmaakt. 

Ik dacht den volgenden morgen reeds te Kauw te zullen 
aankomen, doch de roeiers hadden er anders over beschikten 
hadden zich om 9 ure ter ruste begeven en de prauw laten 
drijven. Eersl tegen 5 uur van den volgenden morgen waren 
die lui weer aan de riemen, zoodat wij niet voor half vier 
des namiddags te Kauw aankwamen. 

21 November. Des gansenen dag tegenwind, zoodat er steeds 
moest geroeid worden. Hel was echter aangenaam koel in 
tegenstelling met vorige dagen. Eersl kort bij Kauw kregen 
wij een gunstigen wind. Wij kwamen daar om half vier des 
namiddags aan; om 5 uur werd de reis voortgezet. De zee 
was nog al bewogen met veel deining, doch er kwam wind 
genoeg opdagen om wat te kunnen zeilen en, met behulp der 
riemen, kwamen wij reeds des nachts te Bebaneh aan. 

Dikwijls heb ik mij verwonderd, hoe het mogelijk is, dat 
de roeiers die beweging zoolang kunnen volhouden, doch mij 
ook dikwijls geërgerd over degenen , die zich op alle mogelijke 
manieren, aan dien dienst zochten te onttrekken, door eten, 
drinken, vuur maken om Ie rooken, en nog andere, soms zeer 
noodzakelijke verrichtingen, te volbrengen. Jongens van 16 a 



275 

18 jaren waren gewoonlijk (Je beste en meest volhardende 
roeiers. Gewoonte en oefening schijnt hun dit werk gemak- 
kelijk en uitvoerbaar te maken. Benijdenswaardig vind ik hel 
echter niet en toch verkiezen velen hel. boven veld- of 
anderen geregelden arbeid. 

22 November. Des morgens 6 uur te Bebaneh geland, den 
pas overgevvandeld en om 7 uur te Dodiengo aangekomen. Met 
liet overbrengen mijner bagage, maar voornamelijk van het- 
geen de roeiers op reis hadden ingekocht, zooals: tabak, olie, 
kalapa's, enz. verliep de tijd tot half twaalf, eer wij van Do- 
diengo konden vertrekken. De eb had hiertoe ook wel wal 
bijgedragen, daar de, met kalapa, enz. volgeladene, prauw 
moeiehjk uit de rivier te brengen was. 

Die pas van Dodiengo naar Bebaneh is mijns inziens zeer ondoel- 
matig aangelegd en een groot bezwaar voor het vervoer der 
prauwen, die er overheen gesleept moeten worden. Ik geloof 
dat de steile hellingen, die men nu, zoo te Dodiengo als te 
Bebaneh, te passeeren heeft, zouden kunnen vermeden worden, 
door te Dodiengo niet in eens steil naar boven te gaan , maar 
den oever der rivier te volgen , en langzamerhand klimmende , 
het hoogste punt, dat men op den pas moet passeeren, te 
bereiken. Van daar zou men weder door eene vallei langza- 
merhand kunnen afdalen tot vlak voor Bebaneh, waar die vallei 
door een hoogen dam gesloten is; dezen dam zoude men kun- 
nen uitgraven, of wel er een tunnel doorheen leggen, zoodat 
men bijna gelijkvloers te Bebaneh aan strand zou uitkomen. 
Ik geef dit echter slechts voor beter; een nauwkeurig 
onderzoek ter plaatse, waartoe ik niet geroepen en ook niet 
in de gelegenheid was, zal in dezen moeten beslissen. Slechts 
weet ik, dat er in der tijd gelden lot verbetering van dien weg 
zijn toegestaan, doch dat die verbetering niet heeft plaats gehad. 
Ook is de bevolking van Dodiengo te gering en met te veel 
werkzaamheden overladen, om dil werk ten uitvoer Ie kunnen 
brengen. Men zoude daartoe wel een zeker getal van toch Diets 
doende keUinggaiigcrs kunnen bezigen. 



276 

Eindelijk geraakten wij met roeien en duwen buiten de 
rivier en badden aanvankelijk goed weer, met een weinig wind 
om te zeilen. Tegen 5 uur des namiddags kregen wij echter 
zoo zware deining, dat de prauw geweldig begon te slingeren 
en de vleugels met geweld in bet water ploften. Ik begon 
zelfs te vreezen dat ons vaartuig er onder bezwijken zou; dal 
het niet buiten gevaar was , hebben vele voorbeelden ge- 
staafd; want er behoeft slechts eene der niet zeer hechle 
vleugels te breken of los te raken , om het vaartuig te doen 
zinken. Ik hield de roeiers in het oog, om te zien of zij er 
ook gevaar in zagen , doch op hun gelaat was geene vrees te 
lezen. Dit boezemde mij dan ook weder nieuwen moed in , 
maar toch was ik niet recht op mijn gemak, daar de golven 
gedurig over den rand der prauw heensloegen en dat ding 
vrij lek was, zoodat er gedurig moest gehoosd worden. Die 
onaangename positie duurde voort, totdat wij om 7 uur des 
avonds onder den wal van Ternate aankwamen , waar de zee 
wat tot bedaren kwam en wij voor den kralon van den Sultan 
van Tidore den vasten wal bereikten. Ik betrok mijn oud 
logies weder en werd bij den Uesident , den Heer Schenck , 
weder hartelijk ontvangen. 

Van 23 tot 28 November vond ik werk genoeg om mijne 
verzamelingen te drogen en in te pakken voor de terugreis 
naar Java. Hel gelukte mij , na lang zoeken , een paar groote 
kisten te bekomen om het herbarium in te pakken , dat , vooi 
een gedeelte nog niet geheel droog, tot het laatste oogenblil 
oningepakt werd gelaten. Hetgeen toen nog niet droog was 
werd in de bamboe sasak's gelaten , om aan boord nog verdei 
gedroogd te kunnen worden. 

Het geheel bestond uit 570 soorten. 

Vier kisten met levende planten en ter kieming gelegd< 
zaden, die op de reis meerendeels waren opgekomen, bevatlei 
70 soorten; voorts 150 soorten gedroogde zaden en 27 soortei 
vruchten op spiritus; welk een en ander aan den Direkteur 
van 's lands plantentuin alhier, is overgegeven. 



277 

De Papoea genaamd Mangareni van het eiland Roon in de 
Geelvinkbaai , die tot Ternate niet ons was medegereisd , ver- 
haalde dal de ziekte, hekend onder den naain van berrï-berri, 
bij hen om de 5 a 4 jaren meestal hevig heerschté, doch dal 
zij daartegen een probaat middel hezaten, hestaande nit de 
wortels van den kanarieboom (Canarium commune) en hij 
gebreke van dien , de wortels van den katapanghoom (Terini- 
nalia Catappa) , welke , gewasschen en gestampt , in koud 
water geweekt werden , onder toevoeging van fijn gesneden 
stukjes van Berahoe. Deze laatste haalde hij uit zee, waar 
ze tegen rotsen of koraalriffen met hun voet zijn vastgehecht. 
Hij bracht er mij wat van. Het scheen mij toe dat het niets 
anders zijn kon dan eene kurkpolijp, Nephthaca Celosia, bekend 
als in de Moluksche zee voorkomende. Ik vroeg hem of dit 
de eenige soort was, die met nut kon aangewend worden, 
waarop hij antwoordde, dat ook audere soorten van deze familie 
konden gebezigd worden. Met hel aftreksel nu van deze twee 
hestanddeelen wordt het lichaam of de zieke deelen bestreken 
en ook het hoofd er mede gebet, zoo het aangezicht reeds 
is aangedaan. 

Den 28en November kwam de mailboot Willem III, gezag- 
voerder Lochman van Koningsfeldt, van Menado hier aan en 
vertrok den 29en des morgens 10 uur. Ik had dus tijd genoeg 
om mijne bagage aan boord te bezorgen , waartoe zich genoeg 
vrijwillige koelies aanboden. 

50 November. Des namiddags om 5 uur kwamen wij voor 
Boeroe, en vertrokken weder tegen den avond. Ik trof daar 
nog een oud vriend van 1860, den luitenant ïuanakotta, aan, 
met wien wij toen een reisje naar Boeroe-Oki maakten , waar- 
bij hij ons goede diensten bewees. 

1 December; des morgens 8 uur te Ambon aangekomen. 
Men heeft van dien naam in den lateren lijd Amboina ge- 
fabriceerd, hetgeen echter door geen enkel Ambonees begrepen 
wordt. Ook hier trof ik een oud vriend van 1860, den Heer 
de Fretes, aan, die, door zijne zendingen van planten , 's lands 



278 

plan ten tuin te Buitenzorg zeer aan zich verplicht heeft. Van 
niemand in den gansenen Archipel ontving ik de planten zoo 
gord verzorgd en netjes ingepakt. Bij hem logeerde ik tot 
den volgenden middag, toen hij mij nog over land naar Wai-niti 
bracht, werwaarts de stoomboot vertrokken was om kolen te 
laden. Ook had ik het genoegen de oude vrienden kapt. Kraal 
en echtgenoote en kapt. Mekem daar te ontmoeten en vele 
blijken van vriendschap vau hen te ontvangen. 

2 December; des namiddags o uur vertrokken. 

5 December; des morgens 8 uur op de reede van 
Banda aangekomen, waar het zeer levendig was en alles een 
veel fraaier aanzien heeft dan te Ambon en te Ternate, welke 
laatste plaatsen in verval geraken, terwijl de eerste floreert. 
Hieruit blijkt dat de Heeren Perkeniers goede zaken maken, 
niettegenstaande wij hun werkvolk van Java moeten toevoeren. 

4 December, des namiddags 4 uur, van de reede van Banda 
vertrokken en den 6en December, des morgens 8 uur, voor 
Timor-Deli aangekomen. Hier werden 600 picols koffie, san- 
delhout en was, voor Makassar, ingeladen. De inlanders brach- 
ten ter verkoop: Manga's, Oranje-appelen, Delima , Kalapa, 
Pisang, roode en witte wijn. Om een uur des namiddags ver- 
trokken wij weder. 

7 December, des morgens 9 uur, ter reede Ïimor-Koepang I 
aangekomen. 

8 December , des morgens , ging ik met de Heeren van Gorkum 
en Vermeulen aan wal, en maakte een toer te paard in de 
environs. Wij hadden dit paardrijden aan den Resident Caspersz 
te danken, wijl er op de hoofdplaats, wegens gebrek aan gras > 
geene andere dan eenige policiepaarden waren , waarvan wij 
mochten profiteeren. De Resident zelf had zijne paarden naar 
het binnenland gezonden. 

Het land ziet er, vooral nu de regentijd nog niet was inge- 
treden, allerdroevigst uit. Overal komt de koraalkalk aan den 
dag en deze is meestal nog te weinig verweerd om met goed 
gevolg in kuituur gebracht te kunnen worden. Gras groeit 



279 

er weinig en in den drogen tijd verdort het geheel en al. 
De vegetatie, die nog op zulk een terrein tieren kan. won'! 
wegens gebrek aan brandstol spoedig weggekapt, zoodal zi< h 
ook geene humuslaag vormen kan. Op de hoofdplaats zelve 
en in de valleitjes, waar, door bemesting oi' het afspoelen der 
hoogten, zich eenige humus verzameld heelt, o!' waar leven ï 
water gevonden wordt , komen evenwel weelderig groeiend i 
hoornen en heesters voor. 

Zoo ik wel onderricht hen, dan heeft de tegenwoordige 
Resident de waterleiding aangelegd, die de geheele stad en 
ook de schepen van goed drinkwater voorziet. Dit water 
wordt verkregen door de afdamming eener kleine rivier, op 
genoegzame hoogte om verval genoeg te hebhen , om het overal 
Ie kunnen verspreiden. Op onze route wees men ons ook nog 
eene kleine bron van helder en frisch water, waar men bezig 
was kleeren te wasschen en waar ook de Heeren van de Hoofd- 
plaats zich wel eens gaan baden. 

De Lontarpalm — Borassus flabelliformis — zagen wij veel op 
de hoogte in de verte groeien. Van de jonge bladeren wer- 
den hier, evenals op Ambon en Ternate van den Woka (Livistona 
rotundiflora) watervaten en puteminers gemaakt ; terwijl van 
den palmwtjn de bekende deugdzame Lontar-suiker gekookt, 
wordt. Uit het vleezige, met pulpa opgevulde, gedeelte dei- 
vrucht wordt ook eene smakelijke marmelade bereid. 

Het naast de stad gelegene, zachthellende gebergte ziet er 
zeer dor en kaal uit, en is slechts dun met heesters en 
struiken bezet , waaronder enkele door de bijl gespaarde pal- 
men en ook andere boomen voorkomen. 

Het strand is rotsig en zandig en eene kleine rivier , die 
men, bij hoog water, uit zee binnen varen kan, maakt het 
landen alsdan nog al gemakkelijk. 

Goed onderhoudene en gewitte chinesche steenen huizen 
staan onregelmatig langs het strand, en vormen aan de bin- 
nenzijden eene regelmatige straat, niet huizen aan weerszijden, 
waarop kleine dwarsstraten uilkomen. De woningen der Eu- 



280 

ropeanen staan hier en daar verspreid langs goed onderhoudene 
binnenwegen. 

Het fortje, dat thans door de bezetting verlaten en in verval 
geraakt is, is nog bewoond door den eivielen geneesheer de 
Jong, den schout en zijne satellieten. Het ligt vlak aan strand 
op eene verhevene rots aan de westzijde der stad en is geheel 
door de voorliggende rotsen gedekt. Het voormelde riviertje 
stroomt langs den voet dezer rots in zee. 

Alles wacht hier op den regentijd , die in de maand Januari 
moet invallen , om de toebereide schrale stukjes land te beplanten. 

Hoornvee ziet men nergens , wegens gebrek aan voedsel ; 
zelfs geiten, die zich nog al met blaadjes behelpen kunnen, 
hebbeu wij niet ontmoet. Sandelhout wordt slechts uit het 
gebergte verkregen : ik zag er op onze route geen enkel exem- 
plaar van. Dit schijnt dus ook al niet vet te zijn, want de 
Santalum album of het sandelhout groeit slechts op schrale 
steenachtige gronden. 

Timor is beroemd wegens het daar ook voorkomende Bidara- 
laul, Strijchnos Colubrina, dat men voor hetzelfde gehouden 
heeft als Strijchnos ligustrina; doch de vruchten , die ik van den 
Resident Caspersz mocht ontvangen , waren bepaald verschillend 
van die, welke op Java en Balie voorkomen, zoodat het werke- 
lijk twee verschillende species schijnen te zijn. Onder den naam 
van Bidara-laut toonde men mij echter ook Alstonia speclabilis. 
Nog vele andere planten worden met den naam van Bidara-laut, 
bestempeld, zonder er in de verste verte eenigszins naar te 
gelijken. 

Des avonds om 6 uur vertrokken wij naar Makassar. 

11 December, des morgens tien uur, te Makassar aange- 
komen. 

12 December, des morgens half 9 uur, van Makassar ver- 
trokken naar Soerabaia. 

De handel van Makassar schijnt te bloeien en meer eu meer 
vooruit te gaan , doch hij richt zich voornamelijk naar Singapore. 



281 

14 December. Om één uur des namiddags ter reede van 
Soerabaia aangekomen, en aan wal gaan logeeren. 

Dit was noodzakelijk, wijl de Willem III eerst den 21cn 
naar Batavia /oude vertrekken. Wel was er gelegenheid om 
met eene andere boot reeds den volgenden dag de reis te 
doen , doch , om aan alle formaliteiten te kunnen voldoen , was 
die tijd wat kort. Hierbij kwam dan nog de last van bel 
overschepen van bagage, waartoe almede consent noodig is. 
Gelukkig kwam er evenwel last van Batavia dat de Willem III 
reeds den 18en moest vertrekken. 

18 December, des morgens half twaalf uur, van Soerabaia 
vertrokken. 

Tot dusverre hadden wij van af Ternate het prachtigste 
weer en eene kalme zee. Op de reede van Soerabaia liep 
echter reeds een sterke stroom en zoodra waren wij de straat 
Madoera niet uit, of de zee begon hol te worden. Het slinge- 
ren der boot nam steeds in hevigheid toe, zoodat alles, wat niet 
goed vastgezet was, omvergeworpen en sommige zaken ver- 
brijzeld werden, zooals glazen, borden, leksteenen , enz. hetgeen 
een vreeslijk rumoer te weeg bracht. Hoe aangenaam de 
Willem III ook bij goed weer is, bij hooge zeeën slingert hij 
des te erger wegens zijn hoogeu bouw. Door zijne lengte 
wordt het stampen wel getemperd, doch de golven verhieven 
zich desniettemin van achter en van voren hoog boven het 
duikende schip. Op de hoogte van Tagal werd de zee iets 
kalmer, maar zij nam later weer in hevigheid toe, tot op de 
reede van Batavia, waar het ook boos weer was. 

Wij stoomden dus naar het eiland Onrust waar wij den 
21en December om 11 uur des voormiddags aankwamen. Wij 
vonden daar ook de boot, die heden naar Samarang moest ver- 
trekken , liggen, terwijl het stoomboot je Tjiliwoeng er de 
pagagiers voor Samarang had aangebracht. Wij profiteerden 
van dat bootje om naar wal te gaan. De overscheping vond 
daar geene bezwaren en de Tjiliwoeng bracht ons, trots de 
hooge zee op de reede en den golfslag op de kust, 



282 

gemakkelijk het kanaal binnen, tot voor den kleinen boom 
waar wij op den middag aanlandden. 

25 December, naar Bnitenzorg teruggekeerd. 

Buitenzorg, den 20en Maart 1872. 



VERSLAG 



OVER DK 



G0UVERMENTS-K1NA-0NDERNEMING OP JAVA 

OVEf\ HET JAAI\ 1879. 



DOOR 



J. C. BERNELOT MOENS, 

1. Weersgesteldheid 

Het weder was, gedurende 1879, zeer gunstig voor de plant- 
soenen. Een eigenlijke droge moesson ontbrak, daar de regens 
steeds aanhielden en liet zelden langer dan eenige dagen ach- 
tereenvolgens droog was. 

De planten hebben zich dien ten gevolge over het algemeen 
gunstig ontwikkeld. 

Op twee plaatsen van de ten zuiden van Bandong gelegen 
etablissementen, — te Tjinjiroean en Kawah-Tjiwidei, werden 
regenmeters geplaatst van het meteorologisch Observatorium 
te Weltevreden, en de gevallen hoeveelheid regen dagelijks 
opgeteekend. Op den Tangkoeban-Praoe werd zulks onnoodig 
geoordeeld, omdat daar reeds, door de particuliere Kina-onder- 
neming Soekawana, regenwaarnemingen worden verricht. 
2. VermenigTuldiging. 

Het totaal der met ultimo December in den vollen grond 
slaande planten bedroeg 1.678670. Hiervan zijn 44100 Led- 
geriana-stek-, en 510970 Ledgeriana-zaadplanten. Op de kwetk- 



284 

beddingen bevonden zich nog 597550 planten, waaronder 7460 
Ledgeriana-stekken. 

In het laatst van 1878 werd een overvloed van uitmuntende 
Ledgeriana-zaden gewonnen, zoodat niet alléén de kweekerijen 
der Gouvernements-onderueming, maar ook die der particuliere 
planters, in 1879 ruim van planten der beste soorten voor- 
zien werden. 

Gelijk in het vorig jaarverslag voorspeld werd, is het Led- 
geriana-zaad in 1879 eerst zeer laat — in November en De- 
cember — rijp geworden. En de hoeveelheid was gering, zoo- 
dal slechts aan de aanvragen van particuliere planters op Java 
koude worden voldaan, terwijl aan Britsch-Indische en Ceylo- 
neesche plan Iers ditmaal geen zaad dezer soort konde worden 
verstrekt. De Cinchona Ledgeriana schijnt, meer dan de andere 
soorten, een lang droog saizoen te behoeven om daarna, bij 
het invallen der regens, bloemen in overvloed voort te bren- 
gen, zoodat, na het zoo uiterst droge jaar 1877, bijna iedere 
boom bloeide. Na de buitengewoon natte Oost-moesson van 
dit jaar bestaat er vrees, dat ook nu weder weinig bloemen 
gezien zullen worden, — en in ieder geval, dat ook in 1880 
de vruchten weder niet voor December zullen rijpen. 

Met het stekken van Ledgeriana wordt steeds voortgegaan, 
maar hel succes blijft gering, ofschoon op allerlei wijzen ge- 
tracht werd in de wijzen van stekken verbeteringen aan te 
brengen. 

Nadat reeds vroeger — o. a. in 1876 — pogingen waren ge- 
daan om Ledgeriana op andere kina-soorten te enten , die niet 
met voldoend succes bekroond werden om er mede voort te 
gaan, is, in dit jaar, eene andere wijze van enten in practijk 
gebracht, die uitmuntend slaagt en zeer veel belooft. De Led- 
geriana-enten worden nu op Succirubra-stammetjes van ongeveer 
één jaar oud , of op goed bewortelde stekken dezer soort geënt, 
op de wijze, die, in Europa, voor het enten van Rhododen- 
drons o. a. wordt gebezigd. De geheele bewerking geschiedt 
in de kweekhuizen, waarin de planten blijven, lot ze goed 



285 

vergroeid zijn. Een gedeelte dier enlen , ruift J 26()0 , werden 
reeds in den vollen grond geplanl en ze groeien nu in den 
eersten tijd zeer sterk. Het zal de vraag zijn, — die dóór <k 
proef moet worden uitgemaakt. — of de ent öp den Succirubra- 
stam kan blijven voorlgroeien , en dan deelt in het voordeel 
der snelle, krachtige ontwikkeling der roode Kina, of dat dit 
op den duur niet kan geschieden. In het laatste geval zal 
beproefd worden om de enten zeer laag op de Succirubra- 
stammen te plaatsen, en deze dan zoo diep Ie planten, dat de 
ent gelegenheid heeft zelve wortels te maken en zelfstandig 
verder Ie groeien. Hel groote voordeel, dat van deze kunst- 
matige vermenigvuldiging verwacht wordt, is, behalve een 
snellere groei der Ledgeriana's, de mogelijkheid om een tal 
van planten te winnen van de beste der onderzochte hoornen. 
Het was nimmer gelukt, hoe dikwijls bet ook beproefd werd. 
om stekken van deze aan het groeien te krijgen , terwijl nu 
ruim een duizendtal geslaagde enten van deze hoornen, zeer 
welig ontwikkeld, gereed slaan om in den vollen grond ge- 
bracht te worden. Daaronder bevinden zich o. a. ruim hon- 
derd stuks van den boom No. 67 die 13.5 pet. chinine bevat. 

Het afleggen van Ledgeriana's, vroeger nu en dan met goe- 
den uitslag beproefd, is in dit jaar meer in het groot toegepasl 
en ook deze wijze van vermenigvuldiging slaagt uitmuntend. 

De plantsoenen van G. officinalis worden alléén op het hoag 
gelegen etablissement Kawah-Tjiwidei uitgebreid: de nieuw 
aangelegde tuinen aldaar «taan zeer goed. 

G. succirubra is overal aangeplant waar de grond , of de 
ligging, voor andere Kina-soorten minder geschikt was. Het 
aantal hoornen dezer species is met 42600 vermeerderd. 

De vermindering van het totaal aantal planten in den vollen 
grond is veroorzaakt door de volgende redenen. 80000 planten 
van G. officinalis zijn afgeschreven als waardeloos , zooals in 
Hoofdstuk 3 nader wordt vermeld. Te Lembang en te Tjibi- 
loeng zijn oude tuinen van G. Calisaya Schuhkraft opgeruimd, 
die weinig groeikracht meer vertoonden, zoodat eene vervan- 



286 

ging door G. succirubra gewenschl voorkwam. Met die oprui- 
ming wordt ook in 1880 voortgegaan. Te ïjinjiroean , waar, 
in voor de tweede maal beplante terreinen, zeer veel sterfte 
was voorgekomen , is bij eene telling gebleken , dat daardoor 
het cijfer der ^aanwezige hoornen te hoog was opgegeven . en 
is dit aantal daanuede evenredig verminderd. De oogst heeft 
het cijfer met ongeveer 200.000 planten doen dalen, meestal 
slecht ontwikkelde hoornen van inferieure soorten. Van de 
beste soorten G. Ledgeriana en C. officinalis is dit jaar voorname- 
lijk geoogst door het afnemen van takken en het afsnijden in 
schilfers (schrapen) van den bast, — en bij Officinalis ook 
door het gedeeltelijk schillen volgens Mac-Ivor's methode. 
Slechts te Nagrak werden ruim 2400 Officinalis-planten gerooid 
uit een tuin , die noodzakelijk uitgedund moest worden. 

3. Ontginning. Onderhoud. 

Te Kendeng-Patoeha werd nog een terrein ontgonnen, dat 
ongeveer JO bouws groot is. — Het gebrek aan werkvolk 
belette de tijdige afwerking, zoodat, bij het einde van 1879, 
slechts 4 bouws plantklaar waren. Ook te Kioen-Goenoeng is 
een stuk boschgrond bij hel bestaande plantsoen getrokken , 
ongeveer twee bouws groot. 

Op het nieuw ontgonnen terrein , ten Noorden van Tjinjiroeaii 
aan het Malawar-gebergte gelegen en dat nu, als zelfstandig 
etablissement, den naam Tirtasari draagt, is eene houtloods 
tot tijdelijke opzienerswoning ingericht. Gebrek aan werkvolk 
verhinderde ook hier , dat men met het gereed maken van het 
terrein snel vorderde, doch langzamerhand konden toch eenige 
bouws plantklaar gemaakt worden , terwijl ook hel aanleggen 
der hoofdwegen goed voor! ging.. 

Daar dit etablissement voorloopig uitsluitend bestemd blijft 
voor G. Ledgeriana, van de oorspronkelijke hoornen gewonnen 
door kunstmatige vermenigvuldiging (stekken , enten en afleg 
gers), koude met hel verdere afwerken gewacht worden, lol 
^ich meer werkvolk aanbood. In November werden daar de 



287 

twee eerste bouws heplanl . voor de helft met stekken, voor 
de andere helft met enten. 

Op de oude etablissementen wordt voortgegaan met het op- 
ruimen der tuinen van inferieure Kina-soorten, vooral om 
plaats te verkrijgen voor Ledgeriana-zaailingen. De ondervin- 
ding is opgedaan, dat de Cinchona's veel slechter groeien óp 
gronden, die reeds eenmaal met kina beplant waren, dan op 
versche boschgronden. — Hetzelfde ziet men bij de Koffie- 
tuinen, en bij de Gouvernements-Koffiecultuur heeft die on- 
dervinding aanleiding gegeven tot eene wijze van landbouw, 
waarbij telkens de oude tuinen afgeschreven en verlaten wor- 
den om te veranderen in alang-alang-, glagah- en Lantana- 
velden , en op nieuw bosch gekapt wordt om daarop nieuwe 
koffie- tuinen aan te leggen. 

Niettegenstaande de hooge kosten, aan eene eerste ontgin- 
ning verbonden , zoude het voordeel , — door beteren , snelleren 
groei der kinaboomen, — waarschijnlijk grooter zijn voor de 
onderneming, indien telkens de oude tuinen, nadat de eerste 
aanplant is geoogst, werden verlaten, om nieuwe terreinen 
te ontginnen. Het is echter niet aan eene Gouvernemenls 
onderneming om zulk een voorbeeld te geven , en daarom 
wordt, door meer en rationeele grondbewerking en door meer 
moeite aan de plantsoenen te besteden, getracht, ook op dezen 
bodem, die lijdelijk in min gunstige condiliën verkeert, de 
hoornen tot goede ontwikkeling te brengen. 

Daar het voordeelig geacht werd, om deze, voor de tweede 
maal beplante gronden , zoo spoedig mogelijk met een gesloten 
plantsoen te bedekken, is nu op deze terreinen op korteren 
afstand geplant , en wel op ongeveer vier voet. — Na een 
drie- a viertal jaren zullen die tuinen waarschijnlijk eene 
uitdunning noodig hebben, die dan reeds, bij Ledgeriana, een 
bast kan opleveren van eenige waarde. 

Daar, door het gebrek aan werkvolk, te Kendeng Patoeha 
niet. genoeg terrein gereed kwam voor de Officinalis-planton , 
die te groot werden om langer in de kweekerijen te blijven . 



288 

moest daar op slechts drie voet afstand geplant worden. Bij 
deze soort, die zeer tengere stammen heeft en bijna geene 
zijtakken, geschiedde dit met veel hoop op een goeden uitslag. 
Ook hier zal bijtijds aan uitdunning gedacht moeten worden. 

Ten einde meer gegevens te verzamelen tot eene op goede 
kennis van feiten berustende regeling van den afstand , waarop 
geplant behoort te worden, dienden ook de scheikundige onder- 
zoekingen van jonge Ledgeriana-zaailingen en Officinalis-planten 
van 3- a 4-jarigen leeftijd. Een vierjarige Ledgeriana-hoom 
leverde gemiddeld aan bast 0.26 kilogram, zoodat vierboomen 
van die ü leeftijd noodig zijn om één kilogram drogen bast te 
geven. De driejarige Ofhcinalis-boomen gaven per boom 0.088 , — 
de vierjarige 0.155 kilogr. drogen bast, zoodat daarvan respec- 
tievelijk 12 en 7 hoornen noodig zullen zijn om 1 kilogram 
bast te produceeren. De hoornen , waarmede deze proeven ge- 
nomen zijn, staan op afstanden van 6 voet voor Ledgeriana, 
en 5 voor Ofïicinalis, en groeien welig. Volgens de analyse 
wordt de gemiddelde waarde dezer basten geschat op ƒ 6 en 
/ 4 per kilogram , volgens den tegenwoordigen stand der markt. 
Metingen werden ook gedaan in een welig groeienden tuin te 
Tjibeureum van tweejarige hoornen, die op 5% voet geplant 
zijn. — De gemiddelde hoogte was 1.45 meter, de middellijn 
der kruin 1 meter, terwijl de slam-omlrek 0.1 meter was, 
gemeten op 0.1 meter boven den grond. Onder 50 boomen , 
die bij elkander stonden, en tot deze meetproef dienden, en 
ook in het vervolg voor het voortzetten daarvan zullen dienen , 
kwamen er slechts twee voor, die als hybriden konden gel- 
den. — Als maximum werd bij een dezer boomen eene hoogte 
opgeteekend van 1.9 nieter, een diameter van het oppervlak van 
1.4 meter en eene dikte van stam-omtrek van 0.14 meter. 

De Helopeltis Antonii bleef de plantsoenen teisteren , hoewel 
niet in zeer hevigen graad. Het opvangen dezer insecten 
werd aanhoudend voortgezet. Doch wijl ze hier en daar lot 
zelfs in de hoogste toppen der Succirubra-boomen voorkomen, 
waar ze niet te bereiken zijn, verspreiden ze zich telkens 



289 

weder in «Ie jonge plantsoenen, en vall aan uitroeiing dezer 
schadelijke dieren niet Ie denken. 

Te Rioen-Goenoeng werd een halve bouw éénjarige Ledgeriana- 
planlen geheel vernield door de koe-oek, de larve van een 
kever, die zich de fijnere wortels in dit plantsoen tot voedsel 
had gekozen. 

In de jonge Succirubra-luinen te Lembang werden vele 
rupsen van Daphnis Hypothous, Cram. (1) gevonden, die zich 
mei de bladeren dezer kina-soort voedden , doch overigens geen 
nadeel aan het plantsoen toebrachten. 

Daar de Officinalis-tuinen te Tjinjiroean, Tjibeureum en 
Rioen-Goenoeng, — die waarschijnlijk op eene voor deze soort 
te geringe hoogte waren aangelegd, — steeds slecht groeiden , 
aanhoudend door de Helopeltis werden geteisterd en langzamer- 
hand geheel uitstierven, is, met het einde van het jaar, be- 
sloten dit geheele gedeelte van den aanplant af te schrijven, 
te rooien wat er nog van overgebleven is, en het terrein 
daarna te bestemmen voor andere soorten. 

4. Oogst van Kina. 

De oogst van 1879 bedraagt ruim 55.000 kilogr. , waarvan 
t5 1.000 kilogr. voor verzending naar Europa, en 2000 kilogr. 
voor den geneeskundigen dienst in Indië bestemd zijn. Met 
het einde des jaars waren 56.154 kilogram afgevoerd. 

Het aanhoudend regenachtig weder bemoeilijkte het. drogen 
van den bast zeer, en dit vorderde slechts langzaam, daar 
geene voldoende middelen voor kunstmatige droging voorhanden 
waren. De afvoer ging met moeilijkheden gepaard. Op de 
etablissementen bleef zoo weinig werkvolk over, dat daarvan 
geen personeel konde worden afgezonderd, om de gepakte 
balen en kisten naar de kina-pakhuizen te Tjikalong en te 
Tjihanjoewang te transport eeren, en koelies waren daarvoor 



(1) Dr. Snellen van Vollenhoven heeft welwillend eenipe voor de 
kinacultuur nuttige en schadelijke insecten bestemd. 

49 



290 

maanden lang niet te verkrijgen. Sedert November was ook 
het noodige trekvee, ter bespanning der afvoerkarren niet te 
bekomen, daar dit voor bet beploegen der sawah's gebruikt 
moest worden. Van daar dat, in het begin van Januari, nog 
16960 kil. in de pakhuizen overbleef. 

De kina-bast van 1878 is in twee gedeelten, den 30en April 
en den 2en Juli, te Amsterdam verkocht. De volgende prijzen 
per half kilogr. werden daarbij verkregen. 

C. Galisaya Ledgeriana ƒ 6.51 8 5.60 

» » javaniea » 1.38 3 1.357 

Schuhkraft » 1.20 6 . ...... 0.98 4 

» » anglica » 1.58 — 

» offlcinalis » 2.80 5 -— 

» succirubra » 1.75 6 1.47 4 

» Hasskarliana » 1.23 0.83« 

» Pahudiana » 1.10 — 

» lancilolia ... - 1.57 2 1.1a 

» caloptera » 1.35 6 — 

De middenprijs der eerste veiling was ƒ 1.77 46 , die der tweede 
/ 2.09 8 per half kilogram. De hoogste prijs, ƒ 9 per half 
kilogram, werd betaald voor een kist Ledgeriana bast-in-schil- 
fers, het product der proef om alléén de buitenste schorslagen 
des levenden booms af te snijden. 

De geheele opbrengst beliep eene som van ƒ 197417,23: de 
onkosten van verkoop en verzending bedroegen ƒ 17716,30, 
zoodat het netto provenu was ƒ 179700,95. 

De proeven met het mossing-systeem van Mac-lvor werden 
voortgezet, en in 1879 werden op nieuw 1129 Succirubra- 
en 716 Oflicinalis-boomen te Tjibitoeng en te Kawah-Tjiwidei 
op die wijze behandeld. Voor bedekking werd dezen keer voor- 
namelijk indjoek gebezigd, in plaats van mos, daar reeds gebleken 
was dat deze stof even zoo goed voldeed, gemakkelijker te 
verkrijgen was en een sneller afwerken der hoornen toeliet. 

Van de honderd Succirubra-boomen, die in 1877 voor «Ie 
eerste maal te Tjinjiroean en Tjibeureum op deze wijze be- 



291 

handeld werden, is tot nog toe geen een gestorven. In 1878 
is hij 18 dezer boomen de tweede strook niet weggenomen, 
omdat de eerste zich niet voldoende hersteld had. In 1879 
bleek dat bij 12 hoornen de tweede strook zich niet volkomen 
vernieuwd had. — De vernieuwde bast der eerste slrooken , 
die dus twee jaar oud wes, werd nu afgenomen. Daar, 
waar de vernieuwing goed gelukt was, liet de bast gemak- 
kelijk los en had hij eene dikte van 6 a 8 millimeters. Doch 
op vele plaatsen was hij dunner en zal hij vast op den stam. — 
In het geheel werden 160 a. p. vernieuwde bast van deze 
proef verkregen. 

Deze boomen hebben dus opgeleverd: 
in 1877: 240 a. p. oorspronkelijke!! bast. 
» 1878: 280 a. p. gemosten oorspronkel ijken bast, 
» 1879: 160 a. p. vernieuwden bast. 

Bij het schillen voor de derde maal werd de indruk ver- 
kregen, dat het beter zoude zijn om, in plaats van den ver- 
nieuwden bast af te nemen in het derde jaar der proef, dus, 
wanneer hij twee jaar oud is, daarmede nog een jaar te 
wachten, en den boom dus één jaar rust te gunnen. Volgens 
berichten uit Brilsch-Indië is men daar ook -tot hetzelfde re- 
sultaat gekomen. 

In 1878 werden te Tjinjiroean , Tjibeureum en Tjibitoeng 
te zamen 1000 boomen geschild, volgens Mac-Ivor's methode, 
die 1252 a. p. bast opleverden. Te Tjibitoeng werden de 
boomen in 1879 bij het afnemen der tweede strook oorspron- 
kelijken bast nauwkeurig nagezien, en bevonden dat, van de 
454 boomen, die voor de helft met mos, voor de andere helft 
met indjoek bedekt waren, bij 274 de eerste strook volkomen 
vernieuwd was; bij 178 was ze niet geheel, bij 2 in het 
geheel niet geregenereerd. — Van deze boomen waren er 32 
door Coleopteren-larven aangevreten en van deze hadden 28 
mos- en 4 iiuljoek-bedckking gehad. 

Te Kendeng Patoöha (Kawah-Tjiwidei) waren, in 1878, 50 
Olïicinalis-boomen gedeeltelijk geschild. Ze leverden toen 27 



292 

a. p. drogen bast. In 1879 werd de tweede strook weggenomen 
en daarbij weder 27 a. p. bast verkregen. — Zeven boomen 
waren dood gegaan, bij tien was de eerste strook niet volko- 
komen hersteld en vele waren aangevreten door de larve eens 
kevers (Eurytrachelus eurycephalus, Burm.) die, onder bet 
mos, de stammen doorboorde. In 1879 zijn nog 2516 boomen 
behandeld, die 825 a. p. drogen bast leverden. 

Te Nagrak werd de proef op 100 stuks C. Calisaya Sclmh- 
kraft toegepast. Bij de eerste schilling in 1878 zijn 70 a.p. , 
bij de tweede, in 1879, 65 a. p. oorspronkelijke bast ver- 
kregen. Na verloop van één jaar waren vier der boomen 
gestorven en bij 20 was de bast niet geheel hersteld. 

De schilling geschiedde bij Succirubra slechts voor V 4 a Va 
van de geheele lengte des stams, bij Oflicinalis en Calisaya 
Schuhkraft voor de helft. 

De onkosten van het mossen werden verschillend opgegeven 
en hingen vooral af van de meerdere of mindere moeilijkheid 
van het verkrijgen van mos en indjoek. Gemiddeld bedroegen 
ze, bij Succirubra, bij de eerste schilling: voor mos-bedekking 
van 15—24 et. per boom. voor indjoek-bedekking van 10 — 18 
et. per boom. Bij de tweede schilling werd vereisen l van 5 — 
12 et., bij de derde ongeveer 11 et. per boom. 

Het indjoeken der Oflicinalis-boomen bij eerste schilling 
kostte 5 et., het mossen 6 1 /* et. per boom. 

Over het algemeen is de indruk , dien deze wijze van oogsten 
bij Succirubra geeft, niet ongunstig, voor zoo ver de proef 
nu gevorderd is. De Succirubra's , die reeds drie jaren lang 
op deze wijze behandeld zijn, zien er even gezond uit als 
boomen, die intact bleven, en bij die, waar de bast zich niet 
vernieuwd had, zijn de ontbloote strooken hout, die aan de 
oppervlakte afstierven , voor hel grootste gedeelte weder over- 
dekt door het uitgroeien der tusschenliggende strooken. Dat 
vele der Officinalis-boomen en enkele Succirubra's door insecten- 
larven werden aangetast, was vooruit gevreesd. — Bij bedek- 
king met indjoek zal dit euvel waarschijnlijk in mindere male 



295 

ondervonden worden. — De vernieuwde bast is van zeer goede 
qualileit en van eene hoogc handelswaarde. 

Eenige groote nadeelen zijn echter verbonden aan de methode. 
Het materiaal voor bedekking, zoodra in het groot gewerkt 
wordt, is moeilijk te krijgen. De voorraad mos is, in den 
onmidiïellijken omtrek der tuinen , spoedig uitgeput , en men 
moet dan hoe langer hoe verder gaan om het te zoeken. — 
Indjoek is ook moeilijk in groote hoeveelheden te krijgen, en, 
moet het van verre worden aangebracht, dan wordt het kost- 
baar, moet dikwijls afgehaald worden en neemt dan te veel 
arbeidskrachten weg. Particulieren in Britsch-Indië gebruiken 
ter bedekking reeds het slroo eencr grassoort, waarvan de 
viuchten door de inlanders gegeten worden (coraly-grass) , en 
die waarschijnlijk Cynosurus Coracana is. 

Bij het gebrek aan werkvolk , dat tegenwoordig voortdurend 
in de kina-tuinen heerscht, kunnen ook moeilijk arbeiders 
worden afgezonderd voor het schillen en bedekken , dat daarbij 
nog de besten dezer vordert. 

De proeven om ook andere soorten dan Succirubra en 
Olïicinalis volgens Mac-Ivor's methode te behandelen, hebben 
resultaten gegeven, die niet konden aanmoedigen om daarmede 
voort te gaan , daar de vernieuwde basten niet veel beter 
waren dan de oorspronkelijke. — Vernieuwde Officiualis-basten 
zullen in 1880 voor den eerslen keer onderzocht worden. 

De proeven met de in 1878 voor het eerst toegepaste methode, 
om den bast in schilfers van den levenden boom te snijden, 
zijn in 1879 verder vervolgd. 

Een jaar nadat de bast van vijf proefboomen was afgesneden , 
is dit voor de tweede maal herhaald. Bij den eersten keer was 
van deze boomen verkregen: gemiddeld 0.52 kil., nu 0.41 
kil. droge bast per boom zoodat de bast zich bijna weder 
tot het vorige gewicht hersteld had, in den tijd van één iaar. 
Bij deze boomen was slechts de helft van den bast afgesneden 
van twee zijden des stams, terwijl de twee andere zijden 
intact waren gebleven. Omtrent de scheikundige verhoudingen 



294 

dezer basten , die zeer merkwaardig zijn , wordt naar Hoofd- 
stuk 8 van dit verslag verwezen. Hoewel de herstelling in 
quanliteit zeer voldoende was, liet de qualiteit nog te wen- 
schen over en zal het raadzaam zijn de basten wat langer, — 
minstens twee jaar, — rust te gunnen. 

Daarom is ook de grootere proef, met 60 boomen, dit jaar 
niet verder vervolgd, maar wordt daarmee gewacht tot 1880. 

Voor de eerste maal* is deze methode toegepast op 110 
Officinalis-boomen, die 95 a. p. bast leverden, op 121 Succi- 
rubra-boomen , die 539 a. p. bast gaven en op 459 Ledgeriana's, 
waarvan 590 a. p. droge bast gewonnen zijn. 

Deze basten worden bij den oogst van 1879 verzonden , ten 
einde ook de handelswaarde te bepalen. 

De Officinalis-boomen leden schijnbaar volstrekt niet, de 
Ledgeriana's nu wat meer dan vroeger en de Succirubra- 
boomen zagen er, eenige weken lang, inderdaad ziekelijk uit. 
Wellicht heeft hiertoe bijgedragen dat, terwijl de vroegere 
toepassing dezer methode in den drogen tijd geschiedde, nu 
de bast werd afgesneden in het begin des regentijds, en de 
onderstelling wordt geuit, dat de boomen deze behandeling 
wellicht beter verdragen in de periode van rust, dan wanneer 
de sapstijging in hare volle kracht is. Blijvend is het nadeel 
niet , want na verloop van een a twee maanden was het 
uiterlijk der boomen weder volmaakt frisch en gezond. — De 
kosten van het schrapen bedroegen: voor Succirubra 5 cents 
per boom of 1 8 / 10 cent per pond bast. bij Ledgeriana 2 2 / 10 cent 
per boom of Vl 10 cent per pond bast. — De Succirubra-boomen 
werden geschraapt tot op eene hoogte van 5.8 meter, de 
Ledgeriana's tot op 1.8 meter boven den grond. — De stammen 
zijn niet met mos of indjoek bedekt. 

De ondervinding, dat het op nieuw beplanten van een ter- 
rein , waarvan reeds één kina-plantsoen geoogst is , zoo vele 
moeilijkheden veroorzaakt, maakt het van des te grooter be- 
lang, om eene methode Ie vinden, die toelaat om een geregelden 



295 

oogst van bast te winnen , zonder daarom den boom zelven 
Ie dooden. 

Door particulieren is, in dit jaar, te Amsterdam verkocht 
eene hoeveelheid van 165 balen en 29 kisten kina-bast, af- 
komstig van de landen Pamanoekan en Tjiasem, Tjiomas, 
Waspada en Lerep. — De basten werden vóór de veiling 
onderzocht door de Heeren d'Ailly en Zonen. De prijzen 
waren in overeenstemming met de aangeboden soorten en het 
alcaloïd-gehalte voldoende. 

5. Personeel, materieel, geldmiddelen. 

Bij Gouvernements-Beslnit van 15 Januari 1879, No. 7, 
werd bepaald, dat het personeel der kina-onderneming ver- 
meerderd zoude worden met een opziener 2e en een opziener 
5e klasse. In het vorige jaar, — Besluit van 7 November 
1878, No. 4, — was de benoeming van een Adjunct-Directeur 
toegezegd. 

In deze betrekkingen werd voorzien door de benoeming van 
den controleur Ie klasse K. van Romunde tol Adjunct-Directeur, 
bij Gouvernements Besluit van 22 Juni 1879, No. 2. Bij 
besluit van den Directeur van Binnenl. Bestuur dd. 26 Fe- 
bruari 1879, No. 132, werd E. J. Veulemans belast met de 
waarneming der betrekking van opziener 2e klasse en tot 
opziener 3e kl. benoemd A. A. L. Stauffenbeil Zijmers. In 
het overige Europeesche personeel kwam geen verandering. 

Het vaste inlandsche personeel bestond op ultimo De- 
cember uit: 

1 mantri kina, 1 timmerman, 1 pakhuis-mandoer , tevens 
postbode, 14 mandoers en 173 boedjang's. 

Het verkrijgen van werkvolk was, gedurende dit jaar, uiterst 
moeilijk en in den oogsttijd der padie verloren de meeste 
etablissementen zelfs een groot aantal der vaste arbeiders, die 
bij het snijden der rijst niet alléén op voordeeliger condities 
konden werken, maar ook eene, voor hen aangenamer bezig- 
heid vonden, gepaard met feesten en het ontmoeten van be- 



296 

kenden en vrienden. — Het ergst had daaronder het etablis- 
sement Rioen-Goeuoeng te lijden, dat maanden lang in liet 
onderhoud van ongeveer 150 bouws aanplant moest voorzien 
met 11 vaste arbeiders en hunne vrouwen. — In November 
en December keerde het volk weder terug en kwamen zich 
weder eenigen aanbieden, om als boedjang te worden aan- 
genomen. 

De kweekerijen verkeeren in goeden slaat. Het groote 
kweekhuis te ïjinjiroean werd speciaal voor het enten der 
Ledgeriana's ingericht. Te Nagrak werd een nieuw kweek- 
huis voltooid, dat zeer goed voldoet. 

Üe uitgaven ten dienste der onderneming bedroegen: 

Tractementen van het Eur. personeel ƒ 2557a. — 

Schrijfbehoeften » 330. — 

Reis- en verblijfkosten » 2187.69 

Tractementen v. h. vaste inlandsche personeel. » 17460.04 

Bezoldiging van dagloonei's » 10506.30 

Aanmaak en reparatie van akker-gereedschap. » 642.98 

Transport en verpakking van kina » 2475.42 

Idem van geld en materialen » 62.73 

Materialen voor het onderhoud van kweek- 

huizen en loodsen » 1 156.87 5 

Dagelijksche benoodigdheden van het scheikun- 
dig Laboratorium » 251.50 

Bediende voor het Laboratorium » 180. — 

TotaaT/~6Ö628y55 i; 
zijnde ƒ 4681. 44 5 minder dan hij de begrooting van 1879 
voor de kina-cultuur was toegestaan. 

6. Verspreiding van Kina. 

Aan een aantal particulieren werd Ledgeriana-zaad verzon- 
den , terwijl ook Officinalis- en Succirubra-zaad in ruime hoe- 
veelheid werd uitgedeeld. 

Voor Geylon werden ook Lancifoiia- en Calisaya-javanica-zaden 
gevraagd, die verstrekt werden. Doch aan het verzoek van 



verschillende Ceylonsche en Britsch-Indische planters, om ook 
Ledgeriana-zaad te ontvangen, koude ditmaal, door den te 
geringen voorraad , niet voldaan worden. 

De inlandsche bevolking blijft even weinig genegen om kina 
te planten als te voren. 

Door de houtvesters der hoschdistriclen Samarang, Hagelen 
en Madioen werden Succirubra-zaden gevraagd. Deze amb- 
tenaren willen trachten dien boom Ie bezigen lot het be- 
planten van gedeelten der ontwoude gebergten in hunne af- 
deelingen. Aan die aanvragen is ruimschoots voldaan. 

Naar Japan werden twaalf Wardsche kisten verzonden , 
inhoudende Oflieinalis- , Ledgeriana-, Suceirubra- en Calisaya- 
Schuhkraft- (Josephiana) plantjes. 

7. Kennis der op «lava gekweekte Kina-Soorten 

Daar het van belang was om , met het oog op de menig- 
vuldig waargenomen verbastering der kina-soorten , de wijze 
van bevruchting nauwkeuriger te kennen, is, in den rechten 
bloeitijd der Cinchona's, die van Januari lot Maart duurt, 
bijzondere aandacht aan dit onderwerp geschonken. — De 
Cinchona's hebben heterostyle bloemen , die dus hoofdzakelijk 
aangewezen zijn op wederzijdsche bevruchting door insecten. 

Bij de meeslen is de bloemkroonbuis tamelijk lang en de 
stijl dikwijls zeer kort, zoodat, in den regel, alléén insecten, 
die een langen zuigsnuit bezitten, bij de bevruchting behulp- 
zaam kunnen zijn. Aan den top van het onderstandige ova- 
rium, en dus aan den voet van den stijl, vindt men eene 
schijf (discus) , die honig afscheidt en de insecten kunnen dien 
honig niet bereiken of ze moeten daartoe hunnen zuigsnuit 
door de bloemkroonbuis steken en zoodoende hel stuifmeel der 
rijpe meeldraden met den stamper in aanraking brengen. Maar 
ze slepen ook een deel van dat sluifmeel aan hun zuigsnuit 
mede van de eene bloem naar de andere, en zoo geschiedt de 
wederzijdsche bevruchting zeer gemakkelijk. Bij de nader te 
noemen insecten werd dit stuifmeel aan alle monddeelen niet 



298 

alleen teruggevonden , maar bij de hommels (Bombus rufipes) 
werd hel in klompjes aan de metatarsen der achlcrpool.cn aan- 
getroffen, en onder het microscoop gemakkelijk als Cinchona- 
pollcn herkend. 

De voornaamste bemiddelaar der bevruchting is de reeds ge- 
noemde hommel , Bombus rufipes , Lepel. , die bij millioenen in 
de kina-plantsoenen voorkomt, aangetrokken door den zeer 
sterken geur der kina-bloemen, een geur, die reeds op verren 
afstand wordt geroken. Men ziet deze Hymenopteren met 
groolen ijver van bloemtros tot bloemtros vliegen en geene 
enkele geopende bloem overslaan : uit elke bloem halen ze 
honig en vermeerderen er hunnen voorraad stuifmeel. Staal 
men te midden van bloeiende kina-boomen, dan wordt spoedig 
ieder geluid onderdrukt door het gegons dier duizenden bezige 
diertjes. 

Na deze hommels zijn het eenige Lepidopteren van de groot- 
ste soorten, die tot de bevruchting bijdragen, en wel Papilio 
Priamuï, Boisd. , Ornithoptera cnton, Feld. , Ornithoptera Pom- 
pejus , Cram., terwijl daarbij nog kleinere worden aangetroffen , 
vooral Pieris Crithoe , Boisd. , Terias Uccabe L. en Iphlhyma 
Steilera , Eschscholz. Ook deze insecten komen in den bloeitijd 
bij duizenden in de plantsoenen voor, en men ziet de drie 
eersl genoemde, buitengewoon groote vlinders, van 's ochtends 
vroeg tot 's avonds tegen zonsondergang , steeds van bloem tot 
bloem vliegende, hun voedsel zoeken. 

Daar nu deze insecten ook van het eene plantsoen in het 
naastbij gelegene, van de eene kinasoort op de andere vlie- 
gen, is het verklaarbaar dat dikwijls stuifmeel van de eene 
species op de andere wordt overgebracht en dat zoo menig- 
maal uit zaad hybriden worden gewonnen; en ook, dat in 
een jaar als 1878, toen, ten gevolge der voorafgegane droogte, 
bijna alle Ledgeriana-boomen bloeiden, de kans op hybridisatie 
zooveel geringer is geweest , omdat de insecten toen meer bij 
dezelfde kinasoort konden blijven, en niet van de eene op de 
andere behoefden over te vliegen, zooals het geval is, wanneer 



299 

in ieder plantsoen slechts weinige boomen eener zelfde soort 
te gelijke» tijd in bloei geraken. Onder de planten van dil zaad 
van 1878 komen dan ook veel minder bastaarden voor, dan 
onder die, van bet in andere jaren gewonnen zaad verkregen. 
Opzettelijke proeven met kunstmatige bevruchting werden 
in dit jaar genomen, en daarvan slaagden de volgende: Mi- 
crantha x Calisaya Javaniea , Micrantba x Calisaya Schuhkralï 
(Josephiana) , Micrantba x Oiïicinalis, Pahudiana x Calisaya 
Schuhkraft en Succirubra x Calisaya Javaniea. De vruchten 
zijn nog niet rijp ; de zaden zullen afzonderlijk gehouden wor- 
den om het product dezer kruisingen nader te leeren kennen. 

8. Scheikundige onderzoekingen. 

De weersgesteldheid was niet gunstig voor het bloeien der 
Ledgeriana's. Daarom zijn ook slechts weinig basten onder- 
zoebt van bloeiende boomen; — slechts de nummers 22, 71 
en 72 hebben op zulke analysen betrekking. 

De analysen 1 — 21 zijn van verschillende bastgedeelten des- 
zelfden booms. Dat onderzoek leerde, dat bij deze , nu twaalf- 
jarige Ledgeriana's, de bast over een groot gedeelte des stams 
zeer rijk aan chinine is, en dat eerst die van het boveneinde 
des booms, en van de dunnere lakken van geringer gehalte 
wordt. Onverklaarbaar is de afwisseling die waargenomen 
wordt, en dat b. v. de bast op eene hoogte van 5 meters even 
rijk aan chinine was, als op P/2 meter boven den grond, 
terwijl het daar tusschen gelegen gedeelte minder van dat al- 
caloïd bevatte. Met de reeds verkregen ondervinding in over- 
eenstemming was het, dat de wortelbast veel meer cinchonine 
bevatte dan de stambast, en opmerkelijk, dat slechts in dien 
wortelbast chinidine voorkwam, die in den stambast geheel 
ontbreekt. 

Ten einde een punt van vergelijking Ie hebben voor de 
Ledgeriana-zaadplanten , werd het alcaloïd-gehalte bepaald van 
den ondereen gemengden bast, verkregen door uit tien twee- 
jarige, forsche uitloopers van op stomp gekapte oorspronkelijke 



500 

Ledgeriana's eene strook bast te snijden. De analyse komt 
voor onder N°. 48. Als een tweede punt van vergelijking 
konde het onderzoek dienen van den jongen takbast sub IN°. 21. 

Bij het onderzoek der Ledgeriana-zaailingen werden ver- 
schillende gewichtige uitkomsten verkregen. In de eerste plaats 
bleek het , dat de jonge boomen in het algemeen de samenstel- 
ling der moederboomen volgden , zoodat b. v. als deze chi- 
nidine hield, ook de zaailing dat alcaloïd bevatte. Ten tweede 
zag men, dat het mogelijk was om op het oog de slechtste, 
meest verbasterde vormen uit te zoeken, daar, wanneer dit 
geschiedde, de analyse een chinine-gehalte aanwees, dat gelij- 
ken tred hield met de , op het uiterlijk voorkomen gebaseerde 
waarde-bepaling. Nam men van de zaailingen eens zelfden 
stambooms vier typen, waarvan 1 de beste, 4 de slechtste 
werd geacht, dan bevestigde de analyse dit gewoonlijk. Eu 
eindelijk werd gevonden, dat, in het algemeen, het chinine- 
gehalte voor zulke jonge boomen zeer bevredigend is, en recht 
geeft op de beste hoop voor de toekomst. De analysen 29 — 
45, 49 — 69, en 75 — 80 hebben betrekking op deze jonge 
drie- a vierjarige zaailingen. Die, welke door letters (A.B.C. 
enz.) zijn aangeduid, werden uitgezocht, gedeeltelijk als re- 
presentanten der Ledgeriana-type, gedeeltelijk (49 — 55) als 
typen van grootbladerige , Mierantha-achtige afstammelingen, 
die, zooals ondersteld was, van geringe qualiteit bleken te ziju. 
Zeer hooge cijfers voor chinine gaven N°. 52 , 56 , 57 , 58 , 
41, 61 en 69. Bij overigens gelijke afstamming en gelijk 
uiterlijk gaven de boomen, die zich het weligst ontwikkeld 
hadden, het hoogste cijfer voor alcaloïd-gehalte. 

Gelijk in Hoofdstuk 4 gezegd was, is van de vijf proef- 
boomen, die een jaar geleden geschraapt zijn, nu weder de ver- 
nieuwde bast afgenomen. Ter vergelijking van hel verschil 
in samenstelling tusschen den oorspronkelijken bast en den, 
na schraping, in één jaar vernieuwden, worden ze hier nevens 
elkander gesteld. 



301 





N°. 1 


ir. 2 


N°. 


3 


r. 4 


fff. 5 




onbedekt. 


met mos. 


met indjoek 


mol mos. 


met mos. 


ca 


0) 


. 




















-ÜÉ 




■£d 








-* 




-m 




o 


■:s=» 




::p 




:zz> 












55 


v 




<x> 


^j 


o 


__; 


<D 


__i 


<v 


— 


■< 




£r 


--< 

s 


£ 


S 


* 




ê 


c 


£ 




o ^ 


s ■— 


O 3 


O 


fl 


o 


3 


o 




<X) 


fc- JS 


O, VJ 


fc «W 


£- 


5P 


s- 








Cd 


Oh 


c-a 


O- 


a 


Qn 


B 


W5 


e 


Pm 
1» 


B 


CS 


c- 


t- 


J- 


s- 




s- 


Ci 




O 






O 


OJ 


O 


QJ 


O 


<v 


o 


OJ 


O 






O 


> 


O 


> 


o 


> 


O 


> 


° 




Chinine 


756 


5.63 


7.90 8.00 


8.61 


5.74 


667 


5.37 


6.10 


5.30 


Cinehonidine 


- 


~ 
















Ghinidine 


spor. 


- 
0.38 




spor. 


— 
0.70 


0.42 


0.47 


0.23 




Cinchonine 


spor. 


0.38 


0.41 


Amorpli alcaloïd 


0.76 


0.17 


1.28 


0.17 


0.91 


0.35 


0.24 


0.17 


0.36 


0.15 


Totaal... 


8.32 


6.18 


9.18 


8.55 


9.52 


6.79 


7.33 


6.01 


6.69 


5.86 



Men ziet hier eene merkwaardige overeenkomst in deze ver- 
nieuwde basten. Slechts N°. 2 maakt daarop eene uilzonde- 
ring, die niet verklaard is. Doch indien deze boom buiten 
rekening wordt gelaten , is er zeer weinig Verschil in de re- 
sultaten der vier overige proeven, hoewel het gehalte van den 
oorspronkelijke)! bast zeer uiteenliep, zoodal hel schijnt, dat 
bij deze vernieuwing, in den aanvang althans, een bast van 
zeer gelijkmatige samenstelling wordt gevormd , wat het alcaloïd- 
géhalle betreft. Bijzonder is ook de vorming van zooveel cin- 
chonine in dit jonge weefsel, — eene bijzonderheid, die ook 
bij vernieuwden Succirubra-bast gezien wordt. 

Aan de mos-bedekking kan N°. 1 haar hoog chinine-gehalle 
niet te danken hebben, daar dan aan 4 en o, die ook met mos 
hekleed waren, die zelfde invloed moest bespeurd worden. 

Het in schilfers afsnijden van den bast der levende hoornen 
werd. als proef, ook op Officinalis- en Succirubra-booinen toe- 
gepast. De analysen dezer basten zijn opgegeven onder N°. 117 
en 90 k 91. 

Met de onderzoekingen van vernieuwden Succirubra-bast werd 



502 

ook voortgegaan, en geene vermindering in het chinine-gehalte 
waargenomen, dat eerder nog steeds toeneemt. De geregene- 
reerde bast , die 26 maanden oud was , N°. 85 , is inderdaad 
van zeer hooge waarde. 

De vernieuwde basten van eenige andere kina-soorten gaven 
geene bijzonder goede resultaten. In het nevenstaande overzicht 
worden de onderzoekingen naast elkander gesleld van den oor- 
spronkelijken , den oorspronkelijken-gemoslen en den tweejari- 
gen vernieuwden bast derzelfde boomen. 

Bij Succirubra wordt gewoonlijk wat chinidine in den ver- 
nieuwden bast gevormd, doch is vooral de wording van veel 
chinine en het verdwijnen van een groot deel der cinchonidine 
duidelijk, terwijl het cinchonine-gehalte somtijds gelijk blijft, 
doch gewoonlijk eenigszins toeneemt. 

Bij de andere basten is ook dikwijls eene neiging zichtbaar 
om meer chinine en minder cinchonidine te vormen , doch de 
toename is niet belangrijk en niet voldoende om daarom het 
Mac-Ivor's proces in het groot op deze soorten toe te passen. 
De basten, die rijk waren aan chinidine, — Hasskarliana 1 en 
Calisaya Schuhkraft, — produceerden dit alcaloïd ook weder 
terstond bij de vernieuwing des basts. De proeven met de C. ofll- 
cinalis, C. lancifolia en Calisaya Schuhkraft loopen in 1880 af. 

De analysen 97 en 98 werden verricht met het oog op de 
vraag, of zulke jonge Ofïicinalis-boomen reeds eene eenigszins 
aanzienlijke waarde hadden. Het antwoord is bevestigend. De 
proef werd genomen door uit een plantsoen, uit tien boomen 
van verschillend uiterlijk en verschillende ontwikkeling, telkens 
twee strooken te snijden , die te vermengen en te onderzoeken. 
De wonden werden met mos bedekt , en binnen twee maanden 
waren ze allen door nieuwen bast bedekt. 

Uit vroegere onderzoekingen was gebleken dat bast , in pijpen 
gesneden, door het drogen in de zon niet lijdt. Het was 
echter de vraag of de in schilfers afgesneden (geschraapte) 
bast, het drogen in het zonlicht ook konde verdragen, zonder 
dat het alcaloïd en bepaaldelijk het chinine-gehalte, verrnin- 



SOS 



C. Calisaya 
Schuhkraft. 


pno JBBf 
U9? pA\n9IUJ0^ 


1.02 

1.33 
1.20 
0.41 
3.96 


■jsouidS 
>|(i|851uoadsjO() 


0.79 

1,10 
1.50 
0.66 
4.05 


•j(fj|9}[uojdsjoo 


1 q o o z j 9 p u o J 9 j XI 


i 

— co 


pA\n9TUJ9A. 


0.10 
0.60 

2.18 
0.05 
2.93 


'1S0UI9S 

^|(i[^uojdsjoo 


2.23 

2.00 
0.11 
4.34 


•^fipijuojdsjoo 


1.98 

2.00 
0.48 
4.46 


a 

«0 

■— i—t 
o 

-^ CO 

d 


pAvnDiuao\ 


0.10 
0.38 

3.35 
0.05 

3.88 


IS0UI9S 

5jl';py[uojdsaoo 


2.04 

4.38 
0.20 
6.62 


•>l(r|o>juojdsjoo 


1.95 

3.15 
1.16 
6.26 


CO 

_aj CM 

35 c5 


•pA\Tl8IUJ9A 


1.16 

0.75 
0.79 
2.70 


•^souiei» 
^fipjjuojdsjoo 


1.96 
0.77 

1.16 
0.40 
4.29 


>jfiI9J|uojdsjoo 


1.42 
0.31 

1.06 
0.41 
3.20 


C. Hasskar- 
liana 1. 


pAVn9]UJ9^ 


0.41 
0.26 
1.37 
0.75 
0.41 
3.20 


'1S0UI9S 

yjfipjjuojdsjoo 


1.70 
1.62 
0.26 
3.58 


>jfi|9^uojdsjoo 


1.17 
1.47 
027 
2.91 


C. Pahudia- 
na 2. 


pAVn9IUJ9^ 


1.15 

1.72 
2.87 


•jsouigS 

J[fl[9?lUOjdsjO() 


1.56 
0.36 

0.40 
2.03 
4.35 


>jfij9>luojdsjo() 


1.12 
0.57 

1.10 
1.05 
3.84 


C. Succiru- 
bra 1. 


•pMngiüjg^ 


2.75 
081 
0.05 
3.37 
084 
7.82 


lsowgS 
)[f!p>|uojdsjoo 


1.06 
2.90 

4.72 
0.52 
9.20 


•>jfip)iuojdsjoo 


0.67 
2.36 

3.73 
0.70 
7.46 


m f \ 


^lauoMvxsrivi 


Chinine 

Cinchonidine.. . 

Chinidine 

Cinchonine 

Amorph alcaloïd 
Totaal. . 



504 

derde. De analysen 25—28 en 90 — 91 werden gedaan, om 
gegevens te verkrijgen voor het beantwoorden dier vraag. De 
bast , afgesneden van één stam , werd in twee gelijke porties 
verdeeld en de eene helft in de zon , de andere boven een oven 
gedroogd. Deze proef werd driemaal herhaald met bast van 
verschillende Ledgeriana-boomen en éénmaal met Succirubra. 
De verschillen zijn over het algemeen zoo onbeduidend, dat 
men voor het drogen in de zon, zelfs van deze in schilfers 
gesneden basten, niet bevreesd behoeft ie zijn. 

De Cinchona cordifolia, — N°. 116, — werd onderzocht om 
den aard des basts dezer soort beter Ie bepalen. Hij behoort 
tot de cinchonine-produceerende, nadert in dat opzicht tot C. 
Micrantha , waarvan echter de soort sterk verschilt, en is van 
geringe waarde. Deze boom groeit bet best in de laagst gelegen 
tuinen, te Lembang. 

9. Bereiding van koortswerend alcaloïd. 

In het scheikundig laboratorium van den geneeskundigen 
dienst, te Weltevreden, werd uit 5000 kilogram drogen Succi- 
rubra-bast . volgens de zoogenaamde de Vry's methode , 56 
kilogram quinetum bereid . — nog minder dan 50 percent van 
het alcaloïd, dat in den bast voorkwam. Met dit quinetum 
worden in de verschillende militaire hospitalen proeven ge- 
nomen. 

Van verschillende quinelum-soorlen werden onderzoekingen 
gedaan, waarvan het resultaai hieronder volgt. — Van deze 
analysen werd de tweede door den Heer T. Hekmetjer , Chef 
van het. Scheikundig Laboratorium te Weltevreden, gedaan. 



305 



! !Li-l«MJ I ' '' I " I ___ mgmm*mm> 



BKSTANÜDKELKN. I. 2 3. 4. 

i 



Onoplosbaar in verdund zoutzuur. 0.52 1.92 9.00 6.22 

Water , 4.50 0.80 6.00 5.80 

Onverbrandbare besta liddeelen 5.00 0.80 2.20 2.10 

Chinine ' 6.50^ 4.60 6.94 13.42 

Cinchonidine ; 25.13; 60.20| 24.65 40.50 

Cinchonine en cliinamine j 52. 35 1 30 18j 35.95 27.50 

Amorph alcaloïd : | 7.12 0.42 9.92 4.80 

Kleurstof en verlies. ; 1.08 1.08J 5.56 1.60 

Quinetum No. 1 is dal , bctwelk in Britsch-Indië (Bengalen; 
bereid wordt en aldaar namens de Regeering verkocht wordt 
voor 20 roepijen per Engelsch pond. Hel is fraai wit van 
kleur en heeft eene eigenaardige, zoete reuk. Het is verpakt in 
blikken dozen van 1 j i Eng. pond inhoud, die voorzien zijn, in 
hel Engelsch en in Hindostansch , van eene gebruiksaanwijzing. 

No. 2 is te Weltevreden bereid. Hel heeft hetzelfde uiter- 
lijk en dezelfde reuk als het Bengaalsche, doch is een weinig 
donkerder gekleurd. 

No. 5 is een monster van het eerste quinetum , dal bereid 
werd door Broughton in Madras en dat door dezen «amorphous 
quinine" genoemd werd. Hel, is een gele stof, harsachtig 
saamgeklonlerd en uiterlijk gelijkende op rhaharber-poeder, — 
over het geheel een zeer onzuiver preparaat. Evenals de onder 
No. 1 en 4 vermelde monsters werd dit welwillend afgestaan 
door Dr. King, Superintendent der Bengaalsche kina-tuinen. 

No. 4 is quinetum van den fabrikant Whiffen in Londen. 
Dit heeft een grauw-bruine lint, riekt naar mclhyl-alcohol en 
laat een zanderig residu terug bij oplossing in verdund zoutzuur. 

Behalve deze quinetum-monslers werd nog een preparaat 
onderzocht, geleverd door denzelfden fabrikant, onder den 
naam van quinelum-sulfaat. Het wordt in Britsch-Indië be- 
proefd, en bestaat uit ; 

20 



506 

25.26 pet. zwavelzure chinine 
51.40 pet. zwavelzure cinchonidine 
24.50 » » cinchonine. 

Het ziel er zeer fraai uit en gelijkt veel op de zwavelzure 
chinine van den handel, doch met de lotipe onderscheidt men 
de grovere kristallen der zwavelzure cinchonine. 

Waarschijnlijk is dit preparaat kunstmatig samengesteld door 
vermenging van V2 zwavelzure cinchonidine met 1 j i zwavelzure 
chinine en evenveel zwavelzure cinchonine. 

Met quinelum van verschillende hereiding was weder van 
zeer verschillende samenstelling. 

Daar de verliezen bij de hereiding door uittrekking met 
koud verdund zout- of zwavelzuur (methode de Vrij) zoo ont- 
zei tend groot zijn, dat ruim de helft van het alcaloïd-gehalte 
hij dit procédé voor goed verloren gaat, zal in Bengalen eene 
andere bereidingsmethode worden toegepast, en zullen levens 
van een groot gedeelte van het quinelum zwazelzure ver- 
bindingen worden gemaakt, ten einde de amorphe alcaloïden 
te verwijderen, die somtijds 1 U van hel geheel bedragen en 
waaraan onaangename nevenwerkingen bij het gebruik wtfden 
toegeschreven. 



De Gouvernements-kina-tuinen werden in den loop van dit 
jaar door vele kina-planters uit Britsch-Indië en Ceylon bezocht. 
Ook Dr. G. King, de Directeur van den bolanischen tuin in 
Calculla en Superintendent der kinatuinen in Brilsch-Sikkim 
bezocht Java, voornamelijk met hel doel om de Ledgeriana- 
luinen Ie bezichtigen. 

Bij Gouvernements-Besluit van 5 December 1879 No. 25 is 
bepaald, dat de Directeur der Gouvernements-kina-onderneming 
in de Preanger-Begentschappen , in 1880, de voornaamste kina- 
tuinen in Britsch-Indië zal bezoeken. 

Bandong, 26 Januari 1880, 



BIJLAGEN 



308 



B 1.» lag k A. AANTOONING van den toestand der GouvernenienU 





o 

CO 

< 


Planten in de kweekerijen. 


DER PLANTSOENEN. 
(DE HOOGTE (JITfiEDRUKT IN METERS). 


bc 

co 


TC 

1 - = 

o 's « 

CC O *J 


LEMBANG 1251. 


1877 
1878 
1879 


2950 
2950 
2050 


17800 

4690 

650 


— — 


Geb. Tangkoeban Praoe. 


- \ - 


NAGRAK 1625. 

Geb. Tangkoeban Praoe. 


1877 
1878 
1879 


23000 
25000 
17000 


500 
250 


1850 


TJIBTTOENG 1527. 

Geb. Wajang. 


1877 
1878 
1879 


46100 
30000 
25000 


_ 

4500 
15000 


1850 


T.IIBEUREUM 1560. 


1877 
1878 
1879 


44633 — 
89890 , 3000 
84600 i — 


3000 — 


(lel». Malawar. 


1 


TJINJIROEAN 1566. 


1877 
1878 
1879 


55600 

49800 

110000 


2000 
50000 


2200 | 


tii 1). Malawar. 


- 


— 


RIOENGOKNOENG 1625. 

Geb. Tiloe. 


1877 
1878 
1879 


43400 
56950 
40000 


2500 

500 

2500 


1000 


— 


KAWAH TfïWIÜEI 1950. 

Geb. * Kendeng-Paloeba. 


1877 
1878 
1879 


— 


6500 
3070 
3800. 


50830 
62300 
46700 


500| 


TIRTASARI. 

Geb. Malawar. 


1877 
1878 
1879 


— 


— 


— 


1 


Totaal iler afzonderlijke soorten 


1877 
1878 
1879 


224688 
254590 
278650 

a. 


28450 58880 
18260 62300 
72200 ' 46700 


Totaal generaal van alle soorten 


1877 
1878 
1879 


312518 
335150 
397550 


a. Hieronder zijn begrepen 7460 stekk 

b. Hieronder zijn begrepen 44100 stek 
(buiten de 6500 oorspronkelijke Ledge 


au. 

ken. 
riana's. 











309 



a-plantsoenen op Java over hel jaar 1870. 





Planten in den 


VOLLEN 


GROND. 




93 — 




ré 
Cm 


>* ■- 

SC 


£ 2 
.h S e. 

o c 
ca: j 


ir. 

c 




SC 

55 


T ii e licht i ?? u e n 


3870 


127941 
121541 
105000 


15167 
30847 
43500 

39365 
39415 
35700 



24385 
24200 
43500 


79225 
79225 

76400 

^^^^^ 

43771 
43400 
39600 


4302 
3827 
3700 


200 
200 
200 


164058 
160228 
155270 


In vorige jaren zijn de Ledgeriana's 
onder (ie rubriek «Üalisaya en 
Hasskarliana" opgegeven. 


76000 


168700 
187040 
122000 



142877 

161995 

93000. 


62 
62 
60 


323654 
335069 
331110 




42000 


2170 
2140 
2140 




261153 
266235 
260240 


De pi inten die nu onder den naam 
Ledgcriana vermeld worden, zijn 
afkomstig van zaad uil liet oor- 
spronkelijk Ledgeriana- plantsoen 


106500 


217230 
233983 
112500 


16714 
15075 
13500 

— — — 

35483 
38725 
42000 

23400 
25000 
37500 


41230 

41230 

5000 


1328 
1328 
1200 




324140 
384506 
323300 


of van slekken die van deze hoo- 
rnen verkregen zijn. 


235170 

- 1322500 

80000 130000 


54460 
54460 
10000 



36400 
25000 
16000 

252161 
291856 
230000 


9411 
9411 
9400 

18800 
17500 
12200 


— 


394224 
477146 
431600 




42500 


242900 
269500 
135500 

_ 




368400 
394450 
286200 




2500 
3832 
4000 








312491 
361058 
284500 




4200 


— 


— 


— 


— 


— 


4200 




355070 608000 
b. 


157014 507247 
177094 535171 
219700 377000 

! 


36011 
34206 
28640 


262 

, 262 

260 


2148120 
2378692 
2076220 




1835602 
2043542 
J 678670 






i 





Banöoexg , den 1 Januari 1880. 

De directeur der (louvernemenls kina onderneming 

(w. g.) J. C. Behnei.oi Mokni. 



510 





Bijlage B. OVERZICHT van 


de uitkomsten der 


gedurende het jaar 




a 1 


! 


• - 


ai 


~ 


•1 ' 2s 






1 

25 


K I N A - S R T. 


Groeiplaats. 




o 

"3 

e 


's 
1c 


o i p-'J5 
"o o « 
= 'S 

ö : < 


Cd 

O 
r- 




l 


('. Ledgertaïia 


Tjinjiroean... 


4.85 




0.11 


2.32 


0.39 


7.67 




2 






1.74 


— 


— 


0.66 


0.02 


2.42 




3 








8.31 


— 


0.27 


0.85 


0.57 


1000 




4 








7.63 


— 


— 


0.61 


0.41 


8.65 




5 








8.17 


- 


— 


0.74 


0.34 


9.25 




6 








9.04 


— 


— 


1.04 


0.52 


10.60 




7 








9.30 


— 


— 


0.54 


0.42 


10.26 




8 








8.12 


— 


— 


0.41 


0.51 


9.04 




9 








8.87 


— 


— 


0.30 


0.31 


9.48 




10 








7.83 


— 


— 


0.52 


0.15 


8.50 




11 








7.62 


— 


— 


30 


0.20 


8.12 




12 








7.59 


— 




0.32 


0.20 


8.11 




13 








8.45 


— 


— 


035 


0.25 


905 




14 








9.24 


— 


— 


0.38 


0.29 


9.91 




15 








7.93 


— 


— 


0.41 


0.14 


8.48 




16 








6.33 


— 


— 


0.60 


0.20 


7.13 




17 








4.76 


— 


— 


0.80 


0.15 


5.71 




18 








1.72 


— 


_ 


0.72 


0.21 


2.65 




19 








7.40 


— 


— 


0.42 


0.29 


8.49 




20 








4.63 


— 


— 


0.64 


0.45 


5.34 




21 








0.64 


— 


— 


0.27 


0.18 


1.09 




22 








8.78 


— 


— 


0.40 


0.64 


9.82 




23 








5.42 


1.71 


— 


0.33 


0.32 


7.78 




24 








5.46 


1.75 


— 


0.41 


0.52 


8.14 




25 








6.94 


2.31 


— 


0.48 


0.23 


9.96 




26 








6.90 


2.27 


— 


0.34 


0.34 


9.85 




27 








11.66 


— 


— 


0.32 


0.45 


12.43 




28 








11.68 


— 


— 


0.31 


0.51 


12.50 




29 






Nagrak 


4.03 


0.67 


— 


1. 


60 


6.30 




30 








4.65 


— 


— 


1.88 


6.53 




31 








1.49 


— 


. — 


2.28 


3.77 




32 








6.51 


— 


— 


2.98 


9.49 




33 








3.27 


— 


2.40 


1.34 1 1.03 


8.04 




34 








2.69 


— 


1.61 


1.86 1 0.55 


6.71 




35 








2.00 


— 


1.32 


1.90 


5.22 




36 








7.32 


— 


0.10 


1.29 


8.71 




37 








6.99 


— 


— 


0.90 


7.89 




38 








6.49 


2.67 


— 


1.39 


10.55 




39 








2.27 


0.60 


— 


0.78 


3.65 




40 




*' 




1.93 


_ 


1.77 


1.08 | 0.42 


5.20 




41 








7.99 


— 


— ■ 


1.50 


9.49 




42 








4.33 


— 


— 


2.36 


6.69 




43 








2.16 


— 


— 


0.88 


l 0.49 


3.53 




44 






Tjibitoeni: . ... 


5.63 


— 


— 


0.38 


0.17 


6.18 




45 








8.00 


— 


— 


0.38 


0.17 


8.55 




46 








5.74 


— 


_. 


0.70 


0.35 


6.79 




47 






ïjibeureum . . 


5.37 


— 


— 


0.47 


0.17 


6.01 





511 



879 voltooide scheikundige analysen van Java-kina-bast. 



= 



T E L I C H T I N (i E N. 



1 

2 
3 
4 
5 
(i 
7 
8 
9 
10 
11 
12 
13 
14 
15 
16 
17 
18 
19 
20 
21 
22 
23 
24 
25 
26 
27 
28 
29 
30 
31 
32 
33 
34 
35 
36 
37 
38 
39 
40 
41 
42 
43 
44 
45 
46 
47 



:rond 



Deze analysen 1 — 21 zijn allen van 
verschillende baslgedeellen des zeilden 
booms. 



Bast der dikste wortels 
Schorsschilfers van dezen bast 
Bast der dunne wortels 
Slambast 1 decimeter hoven den 

ld. 5 

ld. 1 meter 

M. H/o 

ld. 2 

ld. 2ï/a • 

ld. 3 

ld. 3i/ 2 • 

ld. 4 

ld. 4i/j ■ 

ld. 5 

ld. 5i/ 2 ■ 

ld. 6 

ld. 61/2 » 

ld. 7 
Bast van dikke takken 
ld. » ■ middensoort takken 
ld. * dunne 
Bloeiende boom. 
In schillers gesneden bast: in zonlicht gedroogd. 

Idem van denzelfden boom: door kunstwarnitc gedroogd. 
In schilfers gesneden bast : in zonlicht gedroogd. 



Idem 


van denzelfden 


boom : door kunst warm te gedroogd 


In schilfers gesneden bast ; 


in 


zonlicht gedroogd. 




Idem 


van denzelfden 


boom : door kunst warmte gedroogd 


Zaailing. 


Afstammeling 


van 


N° 


17. 4 jaar 


oud N° 


1. 


ld. 


> 










2. 


ld. 


> 


> 


1 


» » » 


> 


3. 


ld. 


» 


, 


> 


» » > 


» » 


4. 


ld. 




, 


» 


13. 41/2 • 


» » 


1. 


ld. 


• 


* 


> 


> > > 


» > 


2. 


ld. 


, 


> 


» 


» » » 


» 


3. 


ld. 


■ 


» 


, 


20. 4 • 


. 


1. 


ld. 


, 


> 


» 


» 


> 


2. 


ld. 


, 


, 


, 


> > 


» 


3. 


ld. 


, 


, 


, 


» 


> 


4 


ld. 


, 


, 


, 


22. 4 . 


1 » 


1 


ld. 


, 


, 


» 


1 * > 


» > 


2. 


ld. 


, 


1 


, 


> » > 


> » 


3. 


ld. 


. 










4. 



Schraap proef. Na verloop van één jaar voor de tweede maal geschraapt. 



312 



Bijlage B. OVERZICHT van de uitkomsten der gedurende het jaar 



KINA -SOORT. Groeiplaat; 



-cis 

o.© 
< 



C Ledgeriaoi 



Succirubr 



Officinalis 



Tjibitoeng.. . 



Rioen Goenoen 



Tjibeureuin 

* 
Djajagiri . . 

» 
Tjiomas. . . 

LembatiL' . . 



Tjinjiroean 



iKawah-Tjiwidei, 



2.86 
1.57 
0.65 
3.44 
4.13 
0.29 
0.42 
1.30 
0.95 
3.46 
5.30 
4.22 
3.45 
6.65 
4.05 
5.49 
3.16 

0.28 
4.96 
4.80 
7.69 
5.30 
7.37 
6.36 
3.72 
1.33 
5.88 
5.09 
391 
4.13 
4.58 

4.17 
3.26 
2.96 
4.20 
4.29 
1.93 
3.65 
2.27 
2.75 
0.74 
0.78 
4.50 
2.32 
4.69 



076 
0.21 
1.04 

0.32 
0.27 
0.77 



sporen 



1.31 
0.32 



0.98 
2.04 
1.44 
1.25 
1.63 
1.25 
1.16 
1.06 
0.81 
3.90 
3.56 
2.89 
1.59 



0.32 

0.71 
2.20 



0.05 
1.44 
0.55 

0.23 



0.81 
0.89 



0.09 
0.08 
0.72 
0.62 
sporen 
sporen 

0.21 
0.35 
0.20 
0.11 
sporen 
0.05 



0.16 
0.04 



1.34 


0.60 


4.80 


1.42 


3.75 


0.77 


1.63 


1.39 


5.87 


2.23 


1 0.50 


6.86 


1.14 


2.07 


5.00 


1 1.20 


6.89 


1.92 


0.60 


5.30 


3.41 


I 0.63 


7.19 


3.25 


6.71 


2,30 


7.60 


3.41 


7.63 


1.90 


5.35 


2.09 


8.74 


1.94 


5.99 


1.05 


6.54 


3.20 


6.41 


2.41 


0.53 


438 


3.69 


0.63 


5.15 


2.85 


7.81 


1.88 


6.91 


2.03 


972 


0.41 


0.15 


586 


36 


0.13 


786 


0.77 


0.20 


8.64 


4. 


00 


8.85 


1. 


80 


4.02 


1. 


56 


7.44 


3.70 


0.57 


9.36 


0.63 


0.30 


493 


2.16 


1.79 


816 


1.71 


0.90 


7.91 


3.43 


0.04 


4.09 


3.60 


0.76 


9.51 


3.31 


0.59 


9.20 


4.85 


1.66 


1091 


4.30 


1.33 


11.29 


3.97 


1.81 


12.05 


3.80 


0.70 


7.88 


2.22 


0.30 


7.44 


3.30 


0.79 


7.42 


3,37 


0.84 


7.82 


2.32 


054 


7.50 


2.31 


0.66 


7.31 


0.76 


0.42! 


8.73 


0.81 


0.36 1 


5.08 


0.33 


0.20 : 


5.36 



315 



1879 voltooide scheikundige analysen van Java-kina-bast. 



TOELICHTINGEN. 



48 j Nasi van tweejarige uitloopers van op slomp gekapte hoornen. 
49 Zaailing. Afstammeling van N°. 40. 3 jaar oud A 

... . B. 



50 
51 

52 

53 

54 

55 

5b' 

57 

58 j 

59 

60 

61 

62 

63 

64 

65 

66 

67 

68 

60 



ld. 
ld. 
ld. 
ld. 
ld. 
ld. 
ld. 
ld. 
ld. 
ld. 
ld. 
ld. 
ld. 
ld. 
ld. 
ld. 
ld. 
ld. 
ld. 
ld, 



1. 31/a 



3. 4 



4. 4 



C. 
I). 
E. 
A. 
B. 
C. 
A. 
B. 
C. 
D. 
A. 
B. 
C. 
A. 
B. 
C. 
A. 
B. 
C. 



70 Schraap proef Na verloop van een jaar voor de tweede maal geschraapt. 



Bloeiende boom. 

Idem 
Zaailing. Afstammeling van N°. 15. 3 jaar oud 1. 



13.3 



4 jaar oud. Nummer van den moederboom niet juisl bekend. 



81, Vernieuwde bast. 19 maanden oud. Bovensle deel der strook. 



82 
83 
84 

85 



87 



Idem 
Idem 
Idem 
Idem 
Idem 
Idem 
Idem 
Idem 



22 
26 
24 



m. oud. Gemengd van verschill. hoornen. Bov. deel der slrooken. 
.... . Middelste deel der stooken. 

...» » Onderste 

(ïehecle strook van proef boom N°. 1. 
90 lu schilfers afgesneden bast. Door zonnewarmte gedroogd. 
91 1 Idem Door kunstmatige warmte gedroogd. 

92 Oorspronkelijke bast 1 jaar onder mos. N°. 1. 

93 Idem . . . . . 2. 
94 1 Idem . » . . 1. 



514 





Bijlage B. OVE 


RZICHT van 


de uill 


ïomste 


ï der 


gedure 


nd e he 


t ja al 


s 
s 

525 


i 
KI NA- SOORT. ! 


Groeiplaats. 


ai 

c 

Q 


"Tl 

'5 
o 

"o 

Ö 


ai 

I 


Cinchonine. 


Amorpli al- 
caloïd. 


i 


95 


C. Officinalfs 


Kawali-Tjiwidei 


4.66 


1.57 


005 


0.59! 


0.20 1 


7.07 


96 


» • 


» 


7.22 


1.01 


0.08 


0.57 


0.34 


9.22 


97 


» i 


Nagrak 


4.82 


1.21 


0.12 


0.41 


0.25 


6.81 


98 


i » 


* . , 


2.82 


1.11 


0.05 


0.48 


0.30 


4.76 


99 


» 


» 


2.68 


1.13 


0.28 


0.64 


0.02 


4.75 


100 


» > 


, 


1.18 


0.68 


0.33 


0.83 


0.32 


3.34 


101 


> 


> 


2.10 


1.72 


0.13 


0.62 


0.21 


4.78 


102 


» i 


, 


5.21 


2.44 


0.55 


1.42 


0.61 


10.23 


103 


> 


Tjiomas 


0.65 


3.00 


— 


1.54 


0.43 


5.62 


104 


» Calisaya Schuhkraft 


Nagrak 


1.06 


— 


1.92 


2,00 


0.40 


6.38 


105 


» 




0.69 


— 


— 


2.30 


1.26 


4.25 


106 


» » • 




0.15 


0.18 


— ■ 


2.05 


0.59 


2.97 


107 


, , 




0.79 


— 


1.10 


1.50 


66 


4.05 


108 


> » 




1.02 


— 


1.33 


1.20 


0.41 


3.99 


109 


» Lancifolia 


Tjiujiroean .. . 


0.53 


1.30 


— 


1.52 


0.28 


:)M 


110 


> » 




0.54 


1.19 


— 


1.35 


0.13 


3.23 


111 


» Micrantha 




0.10 


0.38 


— 


3.35 


0.08 


3.9U 


112 


» > 




0.10 


0.60 


— 


2.18 


0.05 


2.93 


113 


» Hasskarliana 




0.41 


0.26 


1.37 


75 


0.41 


3.2(1 


114 




. 


1.16 





— 


0.75 


0.79 


2.7fl 


115 


» Paliudiana 




1.15 


— 


— 


— 


i 172 


o 8 J 


116 


» Cordifolia 


Lembaiig 


0.75 


048 


— 


5.50 


0.47 


7^1 


117 


1 » OfticirKilis 


j Kawah Tjiwidei 


1 4.58 


1.60 


1 - 


0.42 


I 0.19 


ri 7' 



51& 

879 voltooide scheikundige analysen van Java-kina-hast. 



T E L I C H T I N G E N. 



15 Oorspronkelijke bast 1 jaar onder mos. N . 2. 

i6| Idem .. , „ 3. 

7i(jemiddel(le van ücji 4i'.« jarige hoornen. 
'8, ld. „, „ 31/s ' „ 

•9 Bast uit den oogst I r soort. 
{) Idem 2 r „ 

Idem -ruis. 

Idem wortel bast. 

3' Driejarig boompje. 

4 \ Oorspronkelijke bast. 1 jaar onder mos. N°. 1. 
5 Idem , „ ,, ., ., 2. 

fi Idem .. .. , 3. 

7 Idem ., „ ,. ,. „ — 

8| Vernieuwde bast één jaar oud van N°. 107. 
9 Oorspronkelijke bast, 1 jaar onder mos. N°. 1. 

Idem „ ' „ „ „ ,. 2. 

1 Vernieuwde bast 2 jaar oud N°. 1. 

2 Idem „ ,, „ „ 2. 

3 Idem „ ,. „ „1. 

4 Idem „ „ „ „ 2. 

5 Idem „ „ „ „ 2. 



In schilfers afgesneden bast; (schraa p-proef). 



COLLECTIE GESTEENTEN 

UIT HET 

KABINET VAN HET MIJNWEZEN 

ONTVANGEN DOOR DE 

NATUURKUNDIGE VEREENIGING. 

December 1879. 



N°. 



BENAMING. 



VINDPLAATS. 



1 


Kwarts 


Blokken in de S ie . Koebang bij Tandjong Balik. 


2 


id 


Residentie Ambon. Eiland Boeroe. 


3 


Uzerkiezel 


Japan. 


4 


Chalcedoon 


Baai van Imboe Imboe, eiland Kaseroela. Re- 
sidentie ïernate. 


5 


Vuursleen 


Schoenen werth. Aargau, Zwitserland. 


6 


Koperkies 


Japan. 

Kawa-Oepas v. d. Taiigkoeban Praoe. Preanger 
Regentschappen. 


7 


Zwavel ... 






8 


id 


Hakodade. Japan. 


9 


id 


N. N. W. zijde Krater v/d. Goenong Api. Banda. 


10 


" l 


Hobee. Ontginning nabij ïamseii, N. VV. haven 
van Foimosa. 


11 


Gips 


Eisleben. Thüringen. 


12 


id 


Marbeck. Hessen. 


13 


Krijt 


Eiland Moa. Residentie Banda. 


14 


Kalkspaat 


Japan. 


15 


id 


id. 


16 


id 


Aderstuk uit de beek Tjados-Njanipor. Preanger 
Regentschappen. 






17 


id 


Schmalz-grube bij Marienberg. Saksen. 


18 


id 


Ajer Damar, eiland Batjan. 


19 


id. (zoelwaler- 






kalk) 


Ulm. Wurtemberg. 


20 


id. 


Eiland Oekie. Residentie Amboina. 


21 


id. id.? 


Streitberg. Frankenland. Beijeren. 


22 


id 


N. W. hoek van het eiland Loek. lies. ïernate. 


. 23 


' d " 


Ganaa Soengei nabij den Oosthoek van het Z. 
0. Schiereiland van Halmaheira. 



317 



N°. 



BENAMING. 



VIND P L A A T S. 



24 
25 

26 

27 
28 
29 

30 
31 
32 
33 

34 
35 
66 

37 
38 

39 
40 

41 
42 
43 
44 

45 
40 
47 
48 

49 

50 
51 
52 
53 
54 
55 
50 
57 
58 
59 
60 
61 
02 
03 
04 
05 
00 



«I 

ui 

Marmer 

Oölilhen Kalksteen 

(corn-hrash) 

id 

Stinkkalk 

Koraal kalk 

id 

Mergelkalksteen 
)Wenlock-kalksleen). 

id 

id 



Kantisan. 

Koepitan op den weg van Siloenkang naar Pa 

dang Siboosoek. Padangsche Bovenlanden. 
Beek Awitali. Preanger-Regentschappen. 
Beek Tjados-Njpmpor. id. 

Gebergte Kcthaaij Ikaniboeri. Siam. 
Tandjong Seletlong nabij Weda, Tidoreesch 

(Z. W.) Halmahei ra. 
Heuvel Tji-Awi-tali. Preanger Regentschappen 

id. id. 

Garara. Italië. 

Porrenlruij. Zwitserland. 
Vignij. Frankrijk. 
Rückingen. Hessen. 
Pfaflrath bij Keulen. 
Rohringen. Wnrtemberg. 



Wurtemberg. 



id 

Mergellei 

Mergelkalksteen 

id 

id 

Lilhogr. steen 

Druipsteen (stalakltet) 

id 



id. 



Kiezelkalksteen . 

id. 

Kalktuf 

id. 
Tegel Kalksteen. 

id. 

Dolomiet 

id. 
Kalkmergel 

id. 

id. 

id. 

id. 

id. 
Kleimergel 



Zandige mergel 



Dudlev. Engeland. 

Het Stuben-dal. 

3 a 4 paal van de monding van de S e . Sebe« 

roeang. Kapoeas stroom W. van Borneo. 
Gontenschvvijl. Kanton Aargan. Zwitserland 
Parijs. 

Strebla bij Dresden. 
Kandern in Baden. 
Piüderdorl' bij Berlijn. 
Solenhofen. Beijeren. 

Papiermohle. Kanton Aargau. Zwitserland. 
Grot tusschen Gg. Mandala en Kokokodo; eiland 

Bawean. 
Devilshole (1 mijl afstand van Whirlpool aan 

den Niagara- waterval). 
Weissenan bij Mainz. 

Baden in Zwitserland. 

Devilsbole (als n°. 49). 

Tandj. Djerej nabij den N. boek. v. Halmaheira 

S*. llgen bij teem. Oostenrijk. 

Bergen, Hessen- Kansel. 

Lengefeld. Saksen. 

Ëisleben. 

Bambitajoe. Residentie Ternate. 

Wolfliswijl. Kanton Aargan. Zwitserland 

Zechen id. id. 

Wallenstein. Beijeren. 

Werba. Waldeck. Hessen. 

Slaffelberg. Kanton Aargan. Zwitserland. 

Erlisbach id. id. 

Aarau. id. id. 

S if '. Uoeiian op den weg naar Telaweh. Padang- 
sche Bovenlanden ; overgang tusschen /niver 
mergellei en zuiver zandsteen. 



518 



BENAMING. 



VINDPLAATS. 



67 


id. 


Ajer Manibia ; eiland Batjan. 

Gebergte Tiang bij de Bronnen der Mempauar. 

Westerai'deeling van Borneo. 
Gg. Montaai. Dislrikt Toboali. Bangka. 
Heuvel Satoenal bij Radboeri. Siam. 
Bedding der SK Madewong. 0. der baai van 

Amasing. 

Soulb Wales. 


68 


Kwart siet 


69 


id. 


70 
71 


id. 

id. 


72 


Zandsteen (great 
warden) 


73 


id. 


Fontainebleau bij Parijs. 

Stuttgart. 

Cbepstone. South Wales. Engeland. 

Gg. Moeroet. Distrikt Munlok. Bangka. 

Tandjong Boerong mandie. BI i long. 

Shangai. China. 

Gebergte Kethaaij bij Kamboeri. Siam. 

Koepitan. Padangsche Bovenlanden. 

S ie . Doerian boven de koollagen. id. 

Eil. Legnau (Anambas eilanden in de Cfiin. zee). 

Geb. Tampi, rivier Penita. W. afd. v. Borneo. 

Pasilian XX Kotta's Tanali Data. Pad. Boven 1, 


74 
75 


id. (Keuper)... 
id. 


76 


id 


77 


id. 


78 


id 


79 


id 


80 


id. 


81 


id. 


82 


id. 


83 


id. 


84 


id. 


85 


Kolen Zandsteen 

(grev post) 


New (lastle on Tijne. 
Swansea. South Wales. 


86 


Kolen Zandsteen 
(grev post) 


87 


id. 


Saarbrücken. 


88 


id. 


South Wales. 


89 
90 


Zandsteen (old red)... 
id 


South Wales. 

Huij aan de Houijon. België. 

New Caslle on Tijne. 

Lengen. Frankfort a/Main. 

Heidelberg. 

Honighausen bij Vohl in Hessen. 

Rivier Amasing; eiland Baljan. Hes. Ternate, 

S ie . Pandan bij Parambahan. Pad. Bovenlanden 


91 


id 


92 
93 
94 


id. (rood liggende).... 
id. (Bonte zandsteen). 

id 


95 


id. 


96 


id. 


97 


Kalkzandsteen 


Parijs. 


98 


id 


Ubstadl. Baden. 


99 


IJzerh. id 


Tandjong Roekoe bij Sabang. District Toboali j 

eiland Bangka. 
Singapore. 

Sangerhausen. 

S 1 . Gallen. Zwitserland. 

Telaweh. Padangsche Bovenlanden. 

Beek Parambahan bij Parambahan. Pad. Bovenl. 

H*. Bekaoen op den weg van Telaweh naar Glaga. 

Heuvel Soela. Padangsche Bovenlanden. 

Andreasberg. Harz. 


100 


id. id 


101 


Bonte id. (new red 
Sandstone 


102 
103 
104 
105 
106 
107 


Molasse Zandsteen... 

Diluviaal id 

Kwartsporfier id. .... 

Sijeniet id 

id. pud 

Hoornstoen 


108 


Kiezelsinter 


Bron van Atorre; eiland Batjan. Res. Ternate. 

Idem. 
Zóplitz. Saksen. 
Saksen, 
id. 


109 


id. 


110 


Serpentun 


111 


V 


112 


id 



319 



BENAMING. 



V I N D 1» L A A T S. 



113 


ui 


Oostkust van het eiland Gagïc. Hes. Ternate 


114 


[(leisteen. 


Beek Guijup. 

Dekkende der Koollaag te Baleh Brekit Pa- 


115 


iel. 


116 


id. 


lembang. 
Japan. 

id. 


117 
118 


id. Uzerhoudend. 
id. 


119 


id. 


Gg. Guijup. Preanger Regentschappen. 
Idem. 


120 


id. 


121 


id. 


Beek Awi-tali. 


122 

123 

124 


Pottebakkers Klei 

Leiklei (topstone of 

the 4 feet coal)... 

id 


Matzleindorf bij VVeenen. 

South Wales. Engeland. 
Ternate. 


125 


id. 


New Castle. Engeland. 
Münzenberg. Hessen-Cassel. 


126 


id. 


127 


id 


Königsbühl Heidelberg in Baden. 


128 


Kieilei 


Montmartre bij Parijs. 

Heiger. Nassau. 

Lohren bij Dillenburg in Nassau. 

Black point. Landsend Cornwall. Engelaud. 
Pelapis eil. Karimata arch. W. afd. v. Boriieo. 
Zandsteen groeven bij Wurm. Nassau. 
Malatenga, Goudmijn beoosten de Lenved riv. 
20 paal N. W. van Gorontalo. Celebes. 
Idem . 


129 


id 


130 
131 


id. (schaatsteen).... 

id. (gemelamorph.) 
(aansluiting met 
graniet) 


132 


Kieilei 


133 


id. 


134 
135 


id 

id. 


136 


Kolenlei 


Lobenstein. Voigtland. 


137 


id. 


Westphalen. 
South Wales. 
Holzapfel. Nassau. 
Zeta Franken. 


138 
139 


id. (Blue slone)... 
id. 


140 


id. 


141 


id. 


Tisan. Eiland Malsima. Japan. 

Beek S'e. Doerian. Padangsche Bovenlanden. 

Beek Mengkoeang bij Tjampan Laboea 2 Va paa' 

van Siloengkang. Padangsche Bovenlanden. 
Beek Samba tan, eiland Bat jan. Bes. Ternate. 
Habichtswald bij Kassei. 
Uakodade; eiland Jesso. Japan. 
S' e . Doerian. 
Berg Ngalo Bessora, w r eg van Siloengkang naar 

Arala. Bout ja. 
Weg van Clausihal naar Grund. — Hartsgebergte. 

S'. Gallen. Zwitserland. 

Geh. Tampi, rivier Penite. \\ . afd. van Borneo. 

Heidelberg. Baden. 

Krater y. d. Goenong Api. Banda 


142 


Mergellei 


143 


id. 


144 


id. 


145 


Kleellei 


146 
147 
148 


Kalk Conglomeraat .. 

id. 

Kalkbreccie 


149 


Kalknagelllue 


150 

15] 

152 

153 


Grauwacke Conglo- 
meraat (grofkorrelig). 
Kwarts Conglomeraat 
id. (Kalknagelflue 

diluviaalKies) 

Trachiettuf Conglo- 
meraat 


154 


1 Andesiet Conglome- 



320 



KT. 


BENAMING. 


V I N 1) P L A A T S. 


155 


raat 

id 


Waterval in de Beek Men ten g bij Tji-awi-lali. 

Preanger Regentschappen. 
Beek Teuroep id. 
Tetoepa; eiland Banda. 
Eiland Batjan. 
S'e. Lassie. Padangsche Bovenlanden. 


156 
157 
158 


Bazalt Conglomeraat. 
Porfier Conglomeraat. 
Graniet 


159 
160 


Lei graniet i 

Graniet 


id. id. 
Soengei Sambatan; eiland Baljan. 
Bt. Sebela ; id. id. 
Beek Tawa ; id. id. 


161 
162 


id. 

Glimmerlei 


163 


Sijeniet 


Voet v. d. heuvel Soela. Pad. Bovenlanden. 


164 


Trachiet 


Eiland Tongole Ketjil; Residentie Ternale. 
Tandj. Roem; eil. Tidore. id. id. 
Atorie; eiland Batjan. id. id. 
Eiland Kajoe. id. id. 
Ravijn N. zijde v. d. Vulkaan Matjan; eiland 

Makjan. Residentie Ternale. 
Cestella. Residentie Ternate ; eiland Ternale. 


165 


id. 


166 


Trüchieltiit' 


167 


id. 


168 
169 


id. 

Trachietlava 


170 
171 

172 
173 


id. 

id. ' 

Trachietlava 

id. 


N. N. W. zijde v. d. Goenong Api. Banda. 
Gg. Gita. Tidoreesch Halmaheira. Bes. Ternale 
Gg. Sahoe VV. kust van N. ITalmaheira. 
Gg. Karakan nabij Galela, N. hoek. 


174 


id. 


175 


id. 


Idem; idem. Eruptie van den Ganialauin (Kalda 

lama?) in 1840. 
Oostkust eiland Gagie. Residentie Ternale 
Tandjong Behang; eiland Batjan. 
Gg. Pogor II. Preanger Regen tschappen. 


176 


Aphaniet 


177 
178 


Hoornbleudelei 

Aiiilesiel 


179 


id 


Beek Teurop id. id. 
» Awi lali id. id. 


180 


id 


181 
182 


id. (rolblok 

Andesiettuf 


» Teurop id. id. 
» Geuijop id. id. 
» id. id. id. 


183 


id. 


184 


id. 


• Awi tali id. id. 


185 
186 


Diabaas 

K warlsporlier 


Loeboe Tjiakoe 2 1/2 paal van S»«; Siloengkang 

op weg naar Solok. 
Beek Parambahan bij Parambahan. Padangsche 

Bovenlanden. 
Koeda Tagoelangan. op den weg van Siloengkang 

naar Padang Siboesoek, tusschen paal 63 en 64. 

Piek van Maros. Noorder Distrikten van Celebes. 


187 


Augielporfier 


188 


Verweerd Glimmer- 
po rfieriet 


189 
190 


Bazalt amandelsteen.. 
Bazalt 


Karozen. N kust v. h. eil. Ivaseroela. Bes. Ternale. 

Tapanoli; Suinatra's Westkust. 

T.ipfenberg. 

Singga ; N. kust van Kasseroela. Res. Ternate. 

Siranoka, landschap Ezo Japan. 


191 
192 


Bazalt amandelsteen.. 

id 


193 


Kool . . 


194 


id. 


Japan. 

Ie Laag S^. Doerian. 

2e id. van S ie . Doerian 2 M. geheel zuiverekool. 


195 
196 


id. 

id. 


197 


id. 


S»«. Pisang Nanas bij Parambahan. Padangsche 






Bovenlanden. 



N°. 


RENAMING. 


VINDPLAATS. 


198 


Kool 


3e Laag te Sic Doerian 6 Meter zuivere kool. 


199 


id. 


Beek Seroea hij Tjimerang nabij Njalendoeng. 

Preanger Regentschappen. 
Beek Saloaka id. 






200 


id. 


201 


id. 


Beek Merang, overgang van den weg van ftje 
lindoeng. 






202 


id. 


Heuvel Gedogan, Z. van Tjikoekoeloe. Preangei 
Regentschappen. 






203 


id. 


Beek Seroea bij Tjimerang, nabij Njelindoeng. 


204 


id. 


Beek Koekoeloe. 


205 


id. 


Voet van den heuvel Missigil Karang Tenga. 


206 


Koraalkalk 


Eiland Moor. Residentie Ternate. 


207 


Zandsteen 


Pai(beek) Sambatan, eiland Baljan. Res. Ternate 
Kaba afd. Pangkadjene. N. Distr. van Celebes, 


208 


Vuursleen 


209 


Dicht kalksteen 


Punt van Tandjong Lejar; eiland Bawean. 


210 


Koraalkalk 


Ranville nabij üaen. Dept. Calvados. Frankrijk. 

Heidenhei m. Wurtenherg. 


211 


id 


212 


Kalktuf 


S'. Gallen. Zwitseriand. 


213 


Kalkmergel 


Mainz. Pruissen. 


214 


id. 


Suisheim. Baden. 


215 


Kolenzandsteen 


Hainichen. Saksen. 


216 


Zandsteen 


Fontainebleau. Frankrijk. 


217 


id. 


Parijs. 


218 


Kalkzandsteen 


Scarborough. Yorkshire. 


219 


Leiklei 


Heilbron. Wurtemberg. 


220 


Pottebakkersklei 


Habichtswald. Neder Hessen hassel. 


221 


Kalknagelfliie 


Opgeheven kust van het eiland Batjan. 
Westzijde der baai. Residentie Ternate. 






222 


Verkoold hout.. ..... 


Brohl-dal (uit het tras). 


223 


Dioriet 


Ajer Mambia; eil. Batjan. Residentie Ternate. 
Kaap Poengoel: dist rikt Blinjoe. Banka. 


224 


Kwarts Conglomeraat 


225 


Bruinijzererts 


Pandek 


226 


id 


Boelan 


227 


Tinertsgrond (Kaksa). 


Vallei Plawan. Distr. Djehoes 


228 


id. id: . 


S ie . Antang, mijn Konghin » 


229 


Tinerts (stroom) 


S ie . Katjoet mijn n°. 5 Kapsin; distr. Blinjoe. 
Banka. 


230 


id. id 


Bovengrond mijn n°. 9 S">. Antang; Blinjoe Banka 


231 


id. id 


Ajer Merah S«e. Pantjie id. id. 


232 


id. id 


Il/s paal Z. Z. O van Kamp. Brang; Maniok id 


233 


Kwarts/and (waaruit 






tinerls gewasschen). . 


Strand W. Klabat Laut; distr. Djehoes id. 


234 


Tinèrts (stroom). . . . 


Koelilkollong, mijn Daratlama; Maniok id. 


235 


id. id 


Ajer Ahoh, Klabat Laai; Djehoes id. 


236 


id. id 


Ajer Poengor S'e. Antang id. id. 



'I 



OVER DE SAMENSTELLING VAN EENI- 
GE WATEREN VAN DEN SALAK 

DOOR 

Dr. H. CRETIER. 

In de vergadering van de Directie van de maand December 
1879 werden door den Heer Vorderman eenige wateren ter 
onderzoek aangeboden, die bij van een tocbt naar den Salak 
bad medegebracbt. 

Ik heb naar de samenstelling dier vulkanische wateren 
onderzoek gedaan en deel daarvan bier de uitkomsten mede. 
Een der flesschen was gemerkt: 

«Water uit eene ijzerhoudende bron in bet bosch vlak 
bij de Kawa Gs. Salak". 

«Het water, oorspronkelijk helder, liet op de steenen 
«bedding van de beek een rood beslag na". 

Het water leverde een aanmerkelijk bezinksel : 700 cc. 
lieten bij filtratie 0.477 gr. vaste slof achter, bestaande uit 
0.067 gr. zwavel en verder vulkanische asch. 

Bij een kwalitatief onderzoek van bet fillraat werd noch 
chloor noch zwavelzuur aangetoond, wel zwavelwaterstof; 
trouwens, de reuk was onaangenaam. 100 cc. lieten een 
residu na, dat, bij 128°C. gedroogd, slechts 9 milli- 
gram bedroeg en door gloeiing tot 5 miligram vermin- 
derde. Wegens het geringe residu werden 500 cc. tot 



323 

70 cc. uitgedampt en deze op nieuw kwalitatief onder- 
zocht. Alsiiu werden aangetoond zwavelwaterstof, zwavel- 
zuur, kalk en magnesia. Bij de geringe hoeveelheid 
water en de hoeveelheid stol' daarin aanwezig . viel aan eene 
kwantitatieve bepaling niet wel te denken. 
Een tweede flesch water droeg tol opschrift: 

» Water uit een kokend moddermeer (kleine krater 
van den Goenong Salak)." 

Het water reageerde zuur. Bij uitdamping bleek, dat 
het vrij wat organische stof bevatte; ten minste het, vrij 
zwavelzuur houdende, residu werd, bij 150°C uitgedroogd, 
zwart. Na gloeiing was het residu bleek rood. Hoewel 
het mogelijke gedaan werd om, door uitdrogen bij 130°C, 
rustig bekoelen en snel wegen, omtrent de hoeveelheid 
residu behoorlijke uitkomsten te verkrijgen , kan het bij 
het hygroscopisch vermogen van zwavelzuur en de voch- 
tigheid des dampkrings niet verwonderen , dat ik de hoe- 
veelheid uitgedroogde stof slechts als een benaderings 
cijfer beschouw. Chloor kon in het geheel niet worden 
aangetoond; van magnesium slechts sporen. Daarentegen 
werd het volgende gevonden in de er achter gevoegde 
hoeveelheden : 

Residu per liter 3.23 gr. 

Gloeiverlies 1.906 » 

Vuurvast residu 1.324 » 

Het vuurvaste residu was samengesteld als volgt : 



Uzeroxydul 0.098 gr 

Aluinaarde 0.300 » 

Uzeroxyde 0.104 » 

Kalk 0.019 » 

Kiezelzuur... 0.206 

Zwavelzure alkaliën (Natron). 0.593 

1.320 



524 

Daarbij werd gevonden dat de hoeveelheid vrij of ge- 
bonden zwavelzuur (SO 3 ) bedroeg : 1.651 gram, 
overeenkomende met HO, SO 8 : 1.998 gram. 

Het is duidelijk dat het residu, hij uitdamping en uitdro- 
ging hij 150°C verkregen, in dit geval al zeer weinig te be- 
teekenen heelt, dewijl de vloeistof vrij zwavelzuur bevat. 
Immers het zwavelzuur zal bij 150°C niet eenmaal als eerste 
hydraat overblijven, en aan den anderen kant zal, door de 
inwerking op de organische stof, eene ontbinding zoowel van ln j t 
zuur als van die stof met verlies van beiden plaats hebben. 

Meer overeenstemming bestaat er tusschen het vuurvaste 
residu , hij uitdamping verkregen , en de som der vuurvaste 
bestanddeelen , door optelling verkregen. 

De volgende proeven werden nog genomen. Vooreerst 
werden 50 cc. water met ammonia geneutraliseerd en ver- 
dampt waarbij 0.199 gr. vaste stof overbleef (120°C). Voorts 
werd de organische stof tweemaal met overeenstem- 
mende resultaten bepaald , door 50 cc. met koolzure soda Ie 
neutraliseeren , de vloeistof uit te dampen , uit te drogen bij 
120°C en, na weging, te gloeien en nogmaals te wegen. Het 
verschil der eerste en tweede weging werd heschouwd als 
ontstaan door vernieling der organische stol'. Het bedroeg, 
per liter berekend , 0.74 gram. 

Vatten wij de verschillende uitkomsten samen dan is de 
vermoedelijke samenstelling van het residu per liter: 

Organische slof 0.740 gr. 

Ferrosulfaat 0.197 » 

Perrisulfaat 0.260 » 

Aluminium sulfaat: AT^SÜ 4 ) 3 1.000 » 

Calciumsulfaat 0.046 » 

Natriumsulfaat 0.595 

Zwayelzuürhydiaal 0.575 

Kiezelzuur 0.206 

5.417 gr. 



m 

Ik zeide zoo eren, dat 50 cc. met ammonia behandeld 0.199 
vasle stof opleverden. Wij vinden hierin weder een middel 
ter controle. Immers, wanneer wij de som der gewichten 
nemen van hel vrije zwavelzuur , het ijzeroxydul , het ijzeroxyde 
en de aluinaarde, en de hoeveelheid ammonia berekenen die 
daarmede equivalent is, vinden wij 825 gram. Daaruit 
volgt, dat een liter water mei ammonia behandeld 4.1 8?> gr. 
residu moest opleveren of 0.200 gr. per 50 cc. 

Vergelijkt men dit met de 0.199 gr., die werkelijk zijn 
verkregen, dan is liet resultaat niet ongunstig. Behalve toch, 
('at eene kleine hoeveelheid ammonia door de aluinaarde tijdens 
bet uitdrogen kan zijn vrij gemaakt, vallen de fouten bijeene 
weging van hygroscopische sloft' mi in een tropisch klimaat 
gr oo ter uit dan in de gematigde luebtstreek. Het is mij op 
vochtige weslmoesson-dagen voorgekomen, dat bel residu na de 
gloeiing ten slolle meer woog, dan na liet uitdrogen , wanneer 
ik de schommelingen der balans twee minuten waarnam. 

Sedert dien tijd weeg ik dan ook eenigszins anders dan 
vroeger. Nadat bet gewicht lot in decigrammen vooraf is 
bepaald , wordt bij de definitieve weging de nog warme schaal op 
de balans geplaatst, en het gewicht genoteerd, dat gevonden 
word! , nadat de schaal niet meer merkbaar warm is. Wat 
het voorwerp daarna in gewicht toeneemt wordt beschouwd 
als een gevolg van het wateropnemend vermogen der stof. 

De derde flesch water droeg tol opschrift: 

«Water uil de rivier die dwars door deu krater heen- 
stroomt en de vloeibare producten afvoert. " 

De llesch bevatle 570 cc. water na filtratie. Het op het 
iillrum terugblijvende woog 0.252 gram en bevatte 0.041 
gram zwavel. 

Dit water leverde, berekend per liter, de volgende resul- 
lalen op: 

Uitgedroogd residu 0.570 gr, 

Gloeiveriies 0.180 » 

Zouten ^ ,.. 0.390 gr. 



326 

De volgende bestauddeelen werden gevonden: 

Chloor sporen 

Koolzuur..... 0.000 

Kiezelzuur SiO 2 0.120 

Zwavelzuur S0« 0.295 

Aluinaarde 0.034 

Uzeroxydule 0.0025 

Kalk 0.045 

Magnesia 0.018 

Alkaliën 0.102 (?) 

0.6163 

De kali-reactie werd vrij duidelijk verkregen; de voorraad 
was evenwel uitgeput en dus was een nader onderzoek on- 
mogelijk- Uit de volgende combinatie blijkt echter , dat het 
woord alkaliën vermoedelijk beter zal worden vertaald door 
«soda" dan door »kali". 

Kiezelzuur 0.120 

Ferrosulfaat 0.005 

Aluminiumsulfaat 0.113 

Calciumsulfaat , 0.109 

Magnesiumsulfaat 0.054 

en Kaliumsulfaat 0.190 = 0.155 Natriumsulfaat. 

591 of 0.556 

Deze wateren zijn merkwaardig om bun verschil in samen- 
stelling bij den betrekkelijk geringen afstand der vindplaatsen. 
Het eerste verkeerde bij het onderzoek waarschijnlijk in een 
toestand van bederf; het tweede en het derde — hoe onvol- 
doende het onderzoek van het derde moge zijn — dragen in 
hunne samenstelling de duidelijke aanwijzing van hun vulkani- 
schen oorsprong, terwijl uit de vergelijkingen blijkt dat de 
kleine krater van den Salak werkzamer is dan de eigenlijke 
groote krater. 



DRUKFOUTEN EN AANTEEKENIN&EN 

BETREFFENDE ÜE VERSLAGEN VAN DE GEOGR. DIENST, 

DIE AFGEDRUKT ZIJN IN DE VERHANDELINGEN 

EN HET NATUURKUNDIG TIJDSCHRIFT, 

UITGEGEVEN DOOR DE KON. 

NAT. VEREENIGING 

TE BATAVIA. 



N°. 1. Verslag over Januari 1858 t/m. April 1859. — (Ver- 
handelingen , deel VII). 
Biz. 3, reg. 18: »telegraafstation op het Koningsplein". 
— Dit station was in een bijgebouw voor het 2e 
huis, ten zuiden van de laan van Belle Alliance. 
Toen woonde er de heer Meuseinheijm Knipsgheer , di- 
recteur van het telegraaf kantoor ; later is het woonhuis 
verkocht en verbouwd, en het voormalige telegraaf- 
kantoor afgebroken. Latere bewoners waren o. a. Mr. 
Thieme en Mr. Pels Rijcken. 
Blz. 19. De herleiding van de observatieplaats van den 
heer Jaeger lot den vlaggestok aan de haven was: 
11 ",2, dus de breedte van dien vlaggestok: Zuid 
6 42 / 53 ,/ / 9. 

Blz. 20. Waarschijnlijkste correctie 

483. 

Door de later gevondene fout in de basismeling van 

den heer de Lange in Cheribon wordt dit resultaat 

aanmerkelijk gewijzigd, als ik wel heb, verminderd. 

Blz. 34, regel 14—21, leze men als volgt: In 1853 

was bij de herleiding der Green wich Observalions de 

31 1 



328 

parallaxis naar Adams aangenomen en de halve mid- 
dellijn der maan onveranderd uit den Nautical Almanac 
overgenomen , die , zoo als gezegd is , de door Airy 
aangegevene correcties reeds had ondergaan. Voor dit 
jaar waren dus de fouten der maanstafels, zoo als zij 
in de Greenwich Observations worden opgegeven , te 
verbeteren alleen overeenkomstig de gevondene correc- 
tie der halve middel lijn . 

Blz. 35, regel 13 v. b. staat: — dB. lees : J^. L_ dR., 

27 27 sin * 

» » » » » » » voor eersten rand, lees : + voor eersten 

rand . 

* ■ ' lV« f W.8-V. »J staat: II, lees: .. 
36 . 9 v. h. S 

» 40 » 5 v. b.'N.B. Vóór de culminatie is N. negatief. 

56 » 8 v. o slaat: + 0,417 ƒ, lees: — 0,417 f. 

» 61 »> 15 v. o. » — 1",12 » — 1'ljkl-i 

» 65 » 15 v. o. » uiteinde -, lees: uiteinde nagenoeg 

= 300" en dus de aflezing voor 

het andere uiteinde nagenoeg = 

» 67 » 5 v. o. » c, lees: e. 

» 108 » 15 v. o. » 380 » 98. 

14 v. o. » 1846 » 1849 

12 v. o. » jaarlijksche verandering , lees : jaar- 

lijksche verandering voor 1844,5 

en voeg bij: seculaire variatie — 0^413. 

Deze ster (« Centauri) is eene dubbelster, de hoofdster 

werd door de Lange gebruikt ; de baanbeweging dezer ster is 

echter vrij snel; (omloopstijd 85 jaar, naar Hind.) Zij moet 

dus liever niet voor breedtebepalingen gebruikt worden. 

Blz. 120, resultaat van p. Tauri U. staat: 12,9 gewicht 0.260 

lees: 12,0 » 0.269. 

* 125, regel 15 v. b. slaat: + 0,26, lees: + 0,96. 
» 127 » 5v.b. » a » a 

w o. 

» 128, 5* kolom. In deze kolom moeten de teekens van! 



329 

de 13 eerste vergelijkingen omgekeerd genomen wor- 
den. Omtrent de vergelijkingen, geldende voor Aug. 
16, 17, 19 merke men op, dal deze vergelijkingen 
afgeleid zijn uit eene vroegere herleiding der lijdsbe- 
palingen van den heer Jaeger, berekend met eene 
foutieve poolshoogste. In de 2 e bijlage zijn de latere 
resultaten , verkregen met de werkelijke poolshoogte 
van Samarang, medegedeeld. De 3 vergelijkingenter 
bepaling van 6 worden nu: 16 Aug. 1,67 6 = 0,0 

17 » 1,80 6= — 1,95 
19 » 1,54 6= -f- 10,2 

Som van 13 vergelijkingen: 20,416= + 1,05 
N°. 2. Verslag van de bep. der geogr. ligging van die plaatsen 
op Java, waar telegraaf kantoren gevestigd zijn (Nat, 
Tijdschrift, Deel XXIV blz. 1). 
Blz. 29, Ie kolom staat: Junij II, lees: Junij 1 
» 60 regel 24 . w. f. ± 8 ,016 » w. f. ± 8 ,024 
» 78 » 3 v. o. »> — 18",33 » 4- 18",55 

1 „ » » __ 195,47 „ + 195,47 

» 80 » 17 v. b. » Hier bijvoegen: Ook zou eene 
lokale attractie van 1' 25",8 in de richting 
der parallel , die het verschil anders zou kun- 
nen verklaren, al te onwaarschijnlijk zijn. 

• 89 » 10 staat: elfde, lees: twaalfde. 



N°. 3. Herleiding der waarnemingen, gedaan door de HH. 
S. H. en G. A. de Lange. enz. (Nat. Tijdschrift 
Deel XXVI, blz. 1). 
Blz. 11, regel 12. v. o. staat: 55 s ,319 lees B8',319. 



N°. 4. Verslag van de dienstreizen, van den assistent, enz. 
Jaeger in 1861 , van den hoofd-ingr. en van den 
assistent Voswinkel Dorselen in 1862. (Nat. Tijd- 
schrift, Deel XXVI, blz. 209). 



530 

Blz. 7 (215), regel 6 v. b. staat: III, lees: II. 
» 104 1312). Aanmerking op de resultaten, hier ver- 
meld: Na de bepaling van het lengteverschil 
Singapore — Batavia met den telegraaf werden al 
deze lengten 10" grooter, behalve Singapore 
zelf, dat 17" oostelijker komt. 



N°. 5. Verslag Westkust van Borneo, (Nat. Tijdschrift, 
Deel XXVII). Geene verbeteringen. 



N°. 6. Hernieuwde bepaling van de Lengte van Batavia 
' (Nat. Tijdschrift, Deel XXVII, blz. 327). 
Blz. 12 (338), regel 3 v. o. Aanmerking: Dit deel bevat 
79 in- en uitgangen, in 1856 en 57 waargenomen, 
maar niet berekend. 



N°. 7. Vervolg op het verslag van de bep. der geogr. ligging 
van die plaatsen, waar telegraaf kan toren gevestigd 
zijn. (Nat. Tijdschrift, Deel XXVIII, blz. 88). 
Blz. 3, regel 5 v. b. (of in het tijdschrift blz. 89 regel 
2 v. o.) Deze opgaaf in foutief. Naar de nauw- 
keurige bepaling van den lieer Woldringh is het 
64",6 Zuid en 8 S ,28 of 124",2 West. 
Zie verder de errata, vermtld op blz. 34 (119). 



■ 



N°. 9. Verslag Oostkust Celebes (Nat . Tijdschrift Deel XXI 
blz. 33). 

Blz. 5 (37), regel 2 v. o. staat: Makasar, lees: Menado. 
» 24 (56) » 11 v. o. » dx » x 

f » d f 

N°. 9. Verslag Molukken (Nat. Tijdschrift, Deel XXX, blz. 175) 
Blz. 36 (210), regel 9 v. b. staat: 

5", 4 -+- 15", 6 sin a -f- 12",2 cos a. 
NB. Hier is niet op de omstandigheid gelet, dat de 
graden-aflezing slechts halve graden boogs zijn. 



331 

Let men hier wel op en zoekt men de beste formule, 
dan vindt men : 

— 47",6 ■+• 31",8 sin 1 -f- 65",3 cos-?, 

Gesubstitueerd geelt deze formule: 

17", 7 25",4 25",2 21 ",2 14",3 
e: —0,9 -1-2,1 —1,2 —0,5 +0,3 
Het spreekt echter van zelf dat men deze oplossing 
niet als eene nauwkeurige bepaling der excentriciteit 
beschouwen kan. 
Tabel, tegenover blz. 36, (210) onder aan, Ie kolom. 

De 10 laatste regels moeten één regel hooger staan. 
Tabel: Gangen der Tijdmeters, hoofd der 8e kolom, 

staat: Hobwü 393 , lees : Hohwü 394. 
Blz. 44 (218). 2e kolom: 

Ternate 10" lees: 3" 

Ambon 35 » 40 

Banda 30 » 42 

Waigamma 40 » 35 

Uiteinde baai van Popa.. 6 » 12 

Batjan 52,5 » 45 

Punt op Obie Major 22,5 » 15 

3e kolom: Ambon 28" » 30" 

In de 7e, 8e, en 9e kolom moeten overeenkomstige 
verbeteringen aangebracht worden. 

N°. 10. Verslag Z. en O. kust van Borneo. (Nat. Tijdschrift, 
Deel XXXI, blz. 24). 
Geene verbeteringen. 

N°. 11. Verslag totale eklips 18 Augustus 1868 (Nat. Tijdschrift, 
Deel XXXI, blz. 51). 
Geene verbeteringen. 

N°. 12. Verslag straat Makasar, (Nat. Tijdschrift , Deel XXXI, 
blz. 90). 



332 

Blz. 27 (115), regel 15 v. b. staat: tijd, lees : chronometertijd, 
» 29(117) » 15 v. b. » Voor de culminatie is 
t f " positief en dus de correctie negatief; na de 
culminatie omgekeerd . Aanmerking : Dit geldt 
alleen voor waarnemingen dicht bij den meridiaan. 
Op zekeren afstand van den meridiaan verandert 
het teeken, en wel: voor sterren, waarvan $>f 
is, op het punt, dat de par. hoek = 90° is , zijnde 

cos 1 1=. JLL , tg s = cos <J tg t, sin z = cos f sin / ; 

tg* 
en voor sterren waarvan <?<? is, in de l e vertikaal , 

■ I -.. . tlE ■ ƒ 

zijnde cos t = . p > tg s = cos y tg J en sin z 

tg f 
= cos $ sin J. 
Blz. 35 (123), regel 19, staat: 

/ 5600 \ 2 / 5609,856— AA \* 

\ 3609,856— A A /' lees: \ 3600 / 

regel 20 , staat : 

/ 5609,856 \ 2 / 5609,856— AA V 

[ 5609,856— AA j' eCS: \ 3609,856 ~j 



N°. 13. Verslag Riouw- en Lingga Archipel , (Nat. Tijdschrift » 
Deel XXXIII, blz. 251). 
Geene verbeteringen. 



N°. 14. Verslag lengteverschil Batavia— Singapore , (Nat. 
Tijdschrift, Deel XXXIV, blz. 129). 
Geene verbeteringen. 

J. A. C. OUDEMANS. 
Utrecht, 2 Juli 1880. 



ÜEBER EIHIGE NEÏÏE HOLOTHÜRIEN VON DEK, 
WEST-MSTE JAVA'S 



VON 

Br. €. Ph. ÜLVITER 



Vor einiger Zeit wurde eine sehr eigenthümliche Holothurie 
von mir auf' der Reede von Batavia gefangen. Beim erslen 
Anblick glaubte icb, ohne Zweifel eine Art aus dem Ge- 
schlechte Holothuria vor mir zu habeu. Nach den Tentakeln , 
war sie zu den Aspidochiroten zu rechnen, und die Füschen 
waren nicht in Reihen, sondern unregelmassig über dem Kör- 
per vertheilt. Bei der naheren Betrachtung erwies sich aber 
bald, dass nicht die mmdeste Spur eines Afters da war, und 
icb fing an zu zweifeln ob wirklich mein Exemplar wohl dem 
obengenannten Geschlechle zugehörte. Aus der nachher vor- 
genommenen Anatomie ergab sich dennoch , dass wirklich meine 
Holothurie in Hauptsache mit dem Geschlechte Holothuria über- 
einstimmte. Ich meine aber, dass das eigenthümliche Fehlen 
eines Afters ein genügender Grund ist, darauf ein neues 
Geschlecht zu begründen, weil natürlich einige eigenthümliche 
Verhaltnisse damit zusammen hangen. 

Ich möchte also das neue Geschlecht Ananus nennen , und 
die species als Holothuroides bezeichnen. 



ANANUS HOLOTHUEOIDES. (n. g. und n. s P .) 



AËUSSËRE KENNZEIGHEN. (Taf. I). 
Die allgemeine Körperform ist, wie bei allen Thieren aus 
dem Geschlechte Holothuria, gurkenartig. Die stumpfe fünfec- 



334 

kige Form des Körpers ist ganz verschwunden, undderUmriss 
wird mehr oder weniger kreisründ. Nach hinten zu verjüngt 
sich der Körper allmahlig, so dass die grösste Breite auf der 
Mitte kommt. Die Lange des ausgewachsenen Thieres ist an- 
derthalber Decimeter. Der (Jmfang, geniessen bei der grössten 
Breite, ist ungefahr ein Decimeler. 

Die Füscben sind unregelmassig über deu Körper verbreitet, 
und eine Ordnung in Reihen ist gar nicht nach zu weisen. 
An der ventraien Seile haufen die Füschen sich in grösser 
Menge , wahrend sie am Rücken sehr weit aus cin.inder liegen. 
Namentlich sind die Füschen beim Munde am starksten ge- 
hauft. Alle sind sie sehr kurz und auch im Leben nur wenig 
vorstreckbar. 

Tentakel giebt es dreizehn. Sie sind kurz , nicht verzweigt, 
und endigen in eine ziemlich breite Scheibe . welche von regel- 
massig verlaufenden Furchen durchschnitten ist: Die Tentakel 
sind eingepflanzt auf einer Mundscheibe. 

Aeusserlich ist am Körper nicht die mindeste Spur eines Afters 
zu entdecken. Die Farbe der Haut ist dunkel violett, beinahe 
schwarz. Die Mundscheibe ist fleischfarbig, und die Tentakel 
sind braunlich. Der ganze Körper ist besprenkelt mit grosseren 
und kleineren weissen Flecken. Erstens ist namentlich ein 
jedes der Füschen von einem angesch wol lenen weissen Ring 
umgürtet, der, v/ie wir nachher sehen werden, mit Kalkkör- 
perchen aufgefüllt ist. Am Bauche sind diese Flecken natür- 
lich zahlreicher, am Rücken nur sparlich, und am Munde ai 
starksten gehauft. Am Rücken finden sich grössere etwj 
mehr gelbliche Flecken , welche keine Füschen umringen. 

Fundort: Tandjong Priok, bei Batavia im Schlamm. Tiefe 
8 Faden. 



DIE HAUT. 



Die Haut besteht aus den gewöhnlichen Schichten . wie bei 
allen Holothurien. Sie ist verhaltnissmassig dqnn, aber sehr 



$3K 

zahe. Ëin ausseres Epithelinm überziehl den ganzen Körper,' 
und ist noch von einer deullichen Cuticula bedeckl. (Taf. II, 
fig. 1. a). In den Zeilen des Epilheliuins fchll das Pigment 
ganz. Unter dem Epilhelium liegt das Corium oder die 
Lederhaut (Taf. Il, fig. 1). Die hyaline Grundmasse dieser 
ziemlich dunnen Haul ist sehr reich an Bindegewebsfasern. 
Schon an der aussen Seite bilden sie ein dicht faseriges 
Gewebe, das nach innen zu allmahlig noch dichter wird. 
Zwischen den etwas lockeren Fasern der aussern Schicht des 
Coriums finden sich die Pigmentzellen und Anhaufungen von 
Pigment. (Taf. II, fig. 1. b). Sie bilden emen undurchsich- 
tigen ziemlich schaif begrenzien Rand. Nach innen zu folgt 
alsdann eine Schicht, welche ausschliesslich aus den langen 
Fasern des Bindegewebes und einzelnen wenig zahlreichen 
Bindegewebszellen (Schleimzellen und verastelte Zeilen) besteht. 
(Fig. 1. c). An der innern Seite liegt endlich noch eine 
Schicht des Coriums, wo sich Pigmentanhaufungen vorfinden. 
Diese sind aber weniger zahlreich als an der aussen Seite, 
wodurch diese auch viel dnnkler gefarbl ist als jene, 
(Taf. II, fig. 1. d). 

Die Muskelschicht der Haut ist in Hauptsache ganz nor- 
mal gebildet. Die fünf Langsmuskelpaare sind gut entwickelt. 
und auch die Ringmuskel zeigen nichts Merkwürdiges , sind 
aher verhal tnissmassig schwach. Die fünf Retractoren des 
Schlundes sind rudimentar, und nicht mehr mit den Langs- 
muskeln verblinden. (Taf. III, Fig. 1). 

In der Haut fehlen die Kalkkörperchen ganz, und kommen 
ausschliesslich vor in den weissen Ringen urn den Füschen. 
Auch in den grosseren leichten Flecken fehlen die Kalkkör- 
perchen ganz. Die Haut unlerscheidet sich bei diesen Flecken 
nur von der übrigen Haut dadurch , dass sowohl die aussere 
als die innere Pigmentschicht ganz fehlt. Das Corium besteht 
hier aus sehr dicht gedrangten Bindegewcbsfasern . ohne dass 
jch dazwischen deutlich Zeilen habe sehen kunnen. 

Bloss in den Ringen urn den Füschen also finden sieh die 



356 

Kalkkör pereben. In diesen sind sie aber stark gehauft, so 
dass sie Blaschen darstellen mit Kalkkörperchen gefluit, fast 
wie die Radchenpapillen der Chirodoten. Von den Kalkkör- 
perchen stimmen die Schnallen am meisten überein mit den 
von Holothuria graeilis (Semp). (Taf. II, fig. 3 en 4). Bei 
den Stühlchen ist die ursprüngliche Kreuzform deutlich bewahrt 
geblieben. Sie sind viel weniger zahlreich als die Schnallen. 
Auch bei diesen letzteren ist öfler die ursprüngliche Viertheilung 
noch deutlich sichtbar, obgleich die normale Form nicht mehr 
zu kennen ist; und in vielfach durchbrochene Platten umge- 
bildet sind. Wie immer sind die Kalkkörperchen aus den 
Tentakeln von ganz andrer Form, indem sie sich hier als die 
gewöhnlichen Stützstabchen in grosser Menge vorlinden. (Taf. 
II, fig. 6). 



VEHDAUUNGSORGANE. 

Um den cirkelrunden Mund findet sich die fleischfarbige 
Mundscheibe , welche , wie bei den meisten Aspidochiroten mehr 
oder weniger vorgestülpt werden kann. Am Rande dieser 
Scheibe stehen die dreizehn Tentakel, welche kurz und wenig 
beweglich sind. Die Stielchen und die Schildchen sind beide 
hohl, und wie schon oben bemerkt ist, sind die letztere re- 
gelmassig gefurcht. (Taf. III, Fig. 3). Der histiologische Bau 
liefert nicht viel Bemerkenswerthes , uud ist wie bei allen der- 
artig gebildeten Tentakeln. 

Der Kalkring (Taf. II, fig. 7) besteht aus fünf radialen und 
fünf interradialen Stücken. Die interradialen Stücken sind 
schmal und endigen an der Vorderseite in eine Spitze. Die 
radialen Stücken hingegen sind breit , und haben an dem brei- 
ten Vorderrand eine Einkerbung zum Durchtritt des Nerves. 
Am Hinterrande sind die Stücken einfach wellenartig gebogen, 
so dass die Einbiegungen der radialen Stücken tiefer sind als 
die der interradialen. Die Form des ganzen Kalkringes stimmt 
am meisten überein mit der von Holothuria graeilis (Semp). 



537 

Hinter dem Kalkringe fangt der Darm an , den man , wie 
Semper thut, in einen Magen und einen eigentlichen Darm 
theilen kann. Der Magen untersoheidet sich aber hier nicht 
vom Darme dnrch grösseres Lnmen oder starkere Musculatur, 
sondern bloss duren etwas andere Farbe (siehe: Semper. Ho- 
lothurien, pag. 107), welene der Erfolg isl der verschiedene 
Verlheilnng der Darmgefasse am Magen nnd am Darme. Beide, 
Magen und Darm sind in Vergleich mit den übrigen Holothu- 
rien eng und kurz. Auch das dorsale und ventrale Darmge- 
fass sind uur schwach entwickelt, und geben nur sparlich 
Aesten an das Gefassnetz des Darmes ab. Nach hinten zu wird 
das Lumen des Darmes je kleiner und kleiner , und verschwin- 
det am Ende ganz und gar. An der Stelle also, wo sich 
normal der Enddarm vorfinden würde, isl hier bloss ein Band 
von Bindegewebsfasern und Muskelfasern übrig geblieben. Die- 
ser letzte Strang ist auch nur lose mit der Haut verbunden, 
indem er nur von sehr einzelnen radialen Bündeln gelragen wird. 

Der merkwürdige Fall thut sich hier also vor, dass kein 
Spur eines Afters zu entdecken ist, und der Enddarm voll- 
kommen blind endigt. In Taf. III. fig. 2. ist die Innenseite 
der Haut abgebildet, namlich das abdominale Stück, woran 
der letzte Auslaufer des Darmes befestigt ist, und wo man 
vermuthen würde den Anus zu finden. In der figur wird 
das inuerste mehr oder weniger regelmassige Fünfeck vonden 
letzten Ringmuskeln gebildet, wahrend die radialen Streifen, 
welche fast bis zum Centrum geben , die letzten bindege- 
websartigen Auslaufer der fünf Paaren von Langsmuskeln 
sind. Einzelne dunne Bindegewebsstreifen , welche noch an 
den Langsmuskeln hangen, sind die Bander, womit der letzte 
Darmauslaufer befestigt ist. Auch im Centrum, wo man 
den Anus erwarten würde, ist die Haut nicht dunner oder 
anders gebaut als an irgend einc andere Stelle, und geradc 
im Centrum war sogar ein Füschen mit dem gewöhnlichen 
Kalkblaschen. Der Anus also ist ganz und gar verschwunden. 

Der hisliologische Bau des Darmes zeigt auch ein intressan- 



538 

tes Verhaltniss. Es sind namlicli im ganzen Darme diesichel- 
förmigen Falten , welche zuerst Selenka. wahrgenommen hal , 
und nachber von Semper naher untersucht sind, und von ihua 
innere Kiemen genannl, nicht bloss voi handen, sondern die 
Falten sind ausserordentlich breit. Die Form stimmt am meis- 
ten überein mit der von Stichopus variegatus (Semper) (Taf. 
II, fig. 9), allein ist jede Falte mehr halbmondförmig. 

Die vermuthung Sempers, dass diese inneren Falten, oder 
Darmkiemen, zum Theil die Function der Athmung aui sich 
nehmen, erlangt hierdurch eine grosse Stülze. Da namlicli 
die Cloacka fehlt, muss natürlich das Wasser vom Munde her 
aufgenommen werden. Indem aber, wie wir nachber sehen 
werden, die Lungen in gar keine direkle Verbindung stehen 
mit dem Darme, liegt nichts mehr auf der Hand, als dass 
diese inneren Kiemen, hier bei Ananus holothuroides wenig- 
stens, ganz und gar die Rolle des Athinens übernommen haben. 
Es wird allerdings hierdurch nicht ausgeschlossen , dass wenn, 
wie in allen andern Fallen, die Lungen wohl mit dem Darme 
in Verbindung stehen, sie auch alsdann nicht, wenigstens zum 
Theil, zur Athmung beitragen könnten; aber in diesem spe- 
ciellen Falie ist es wohl schwerlich möglich , dass die Lungen 
in Beziehung mit der Athmung stehn. Hier haben also die 
Darmfalten . mit dpn reichen Gcfassverastlungen , die ganze 
Athmung auf sich genommen, welche ihnen bei den andren 
Holothurien vielleicht nur zum Theil zukommt. 



DIE LUNGEN. 



Wenn auch eine Cloacka fehlt, so kommen dennoch Lungen 
vor. Nicht beide Lungen sind aber entwickelt, sondern bloss 
die rechte dorsale, wahrend von der linken ventralen kein 
Spur übrig ist. (Taf. III, Fig. 1). Wie bei allen lungentra- 
genden Holothurien, Iritt auch hier diese rechte Lunge in 
keine Verbindung mit den Blutgefasseu. Bei dem Fehlen der 
Cloacka, und dem almahligen sich Auflöseu des Darmes, kann 






339 

auch diese Lunge nicht in der Cloacka oder in dem Enddarme 
ausmünden. Es bleibt aber eine Reste einer Verbindung be- 
stehen in einem Bindegewebsstrange, welcher vom abdomina- 
len Ende der Lunge nach dem letzten Darmauslaufer übergeht. 
Jedenfalls habe ich keine Communication zwischen Lunge und 
Darme aufiinden können. Durch das Fehlen dieser Verbindung 
wird hier allerdings die physiologische Bedeutung der Lungen 
noch rathselhafter , nis sie sonst schon ist. Ueber der ganzen 
Lange ist die Lunge mit der Haut verbunden durch Strange, 
welche sich immer direkt am Hauptstamme der Lunge anlegen 
Alle diese Strange liegen nur an einer Seile, namentlich an 
der rechte, der Lunge. Jeder Strang liegt immer zwischen 
zwei Ringmuskeln. (Tag. 111, Fig. 1). 

An der Lunge kommen ausschliesslich nur eigentliche 
Lungenanhange vor, und Cuviersche Organe fehlen vollstandig. 
Die ganze Lunge ist im Vergleich mit den Lungen der andren 
Aspidochiroten sehr wenig staik entwickelt, wenn sie auch 
nicht rudimentar zu nennen ist, wie bei öcnus und einigen 
andren Dendrochirolen. Der histiologische Bau lieferte nichts 
Neues. Allein konnte ich am Ende der Lungenblaschen ziem- 
ich deutlich den von Semper beschnebenen (siehe Semper. 
Holothurien. pag. 133) Sphincter und das kleine Loch in den- 
selben entdecken. (Taf. II, Fig. 10). 

Ich enthalte mich von der physiologischen Bedeutung der 
Lunge in diesem Falie etwas zu sagen , da es doch wenig oder 
keinen Grund haben würde. 



GESCHLECHTSORGANE. 

Die Geschlechtsorgane sind eben so gebaut, als bei allen 
füschen Iragenden Holothurien. Es sind die gewöhnlichen ziem- 
lich langen Follikel (Taf. II, fig. 2). Einige dieser Follikel 
sind mannliche, und einige weibliche Zeugungsorgane. Welche 
aber mannlich welche weiblich sind, ist ausserlich nicht zu 
entscheiden. Dicht unter dem Kalkringe sind sie am dorsalen, 



540 

Mesenterium befestigt. In diesem Mesenterium verlauft auch 
der Geschlechtsgang , welcher zwischen den Tentakeln aus- 
mündet., Ueber den histiologischen Bau , die Eier und das 
Sperma kann ich leider nichts Bestiramtes mittheilen. 



WASSERGEFASSSYSTEM UND BLUTGEFASSSYSTEM. 

Da ich nur zwei Exemplare gefangen habe , konnte ich keine 
vollstandige Injection vornemen , und kann also auch über den 
Verlauf der feineren Gefassen keinen Ausschluss geben. 

Am Wassergefassring finden sich zwei Polische Blasen (Taf. 
III, Fig. 4), welche ausserordentlich lang sind. Die Eine 
war 4 cM. und die Andere mehr als 5 cM. lang. Am apicalen 
Ende sind sie angeschwolien. Neben ihnen sind die zwei 
kleinen Steincanalchen, welche nur l j 2 cM. lang werden. 

Die allgemeine Anordung des Nervensystems lieferte nichls 
Auffallendes. 



OCNUS JAVANICUS. (n. sp.). 



AEUSSERE KENNZEICHEN. (Taf. IV, Fig. 1). 

Der Körper ist stark fünfeckig. Auf jeder Kante des Kör pers 
steht nur eine einfache Reihe von 20 bis 23 Füschen. Diese 
sind starr und leicht zerbrechlich. Urn den Mund steben zehn 
vielfacb verrastelte Tentakel, olinj Mundscheibe. Die Haut 
ist nicbt mit Kalkscbuppen bedeckt, sondern in mehr oder 
weniger deutlicben Tafeln getbeilt. lm Centrum jeder Tafel 
findet sicb ein kleiner Kreis, von wo aus untiefe Gruben nacb 
den Randern der Tafeln ausstrablen. (Taf. IV, Fig. 2). 

Farbe des Körpers: graulicbbraun bis gelblich weiss mit 
allen Zwischenstufen. 

Lange des Körpers: 40 bis 46 mM. 

Fundort: Nord-West Kuste von Java. Tiefe: 2 bis6Faden, 



DIE HAÜT. (Taf. IV, Fig. 7). 

Die Haut besteht aus dem Epithelium und dem Coriuni, 
Das Epithelium bietet nicbts Auffallendes. Das Corium aber 
ist sehr eigenthümlicb gebaut. Aeusserlich liegt eine dunne 
Schicht von Pigmentzellen , darunter ein eigenthtimliches sehr 
kalkkreiches Gewebe, und endlich noch eine innere <'ünne 
Schicht Pigmentzellen. Die Hauptmasse des Coriums wird also 
gebildet von dem kalkreichen Gewebe, welches aus einer 
ausseren dunnen Schicht von Bindegewebsfasern und Schleim- 
zellen besteht, und worin sich einige aber wenige Kalkkör- 
perchen vorfinden. Diese haben an und für sich nichts Merk- 
würdiges, haben die Form von Kugeln, ungefahr wie es auch 



342 

bei der Gatlung Colochirus (Semper) vorkomrat (Taf. IV , 
fig. 9, 10). 

Die eigen tliche Hauptmasse des Coriums wird gebildet von 
ei tier Art Gitterg e webe. Die Kalkkörperchen sind hier so sehr 
gebauft, und sind derart ati einander gewachseu, dass sie ein 
ziemlich festes Balkengerüst darstellen (Taf IV. fig. 7. d). 
Zwischen diesen Kaikmassen verlaufen allerdings noch einzelne 
Bindegewebsfasern , und einzelne Selileimzellen , ohne aber ein 
zusammenhaugendes Gewebe zu bilden. Die Kalkmasse bildet 
beinahe eine feste Sohale, ja gleicbt dem Balkengerüsle der 
Echiniden. Die Balkchen stellen zusammen eine Art Palissaden- 
gewebe dar. Naeb innen zu wird dieses Kalkgewebe weniger 
regelmassig, utn allmahlig erst in das gewöhnliche Bindegewebe 
mit wenig Kalkkörperchen , und dann in die Pigmentschicht 
über zu gehen. Auch am lebenden Thier ist dieses Vei hallen 
schon merkbar. Das Thier lasst sich namlich nicht beugen, 
sondern brichl sogleich , als oh es eine Kalkschale ware. Auch 
schrümpfen dadurch die Thiere in Spiritus gar nicht zusammen. 

Die Kalkkörperchen in den Tentakeln sind die gewöhnlichen 
Stützstabchen. (Taf. IV, Fig. 11). 

Unter dem Corium liegt die Muskelschicht. Diese ist aber 
nur ausserst dünn. Von den Langsmuskeln sind nur sehr 
schwache Ueberreste zu sehen, wahrend die ganze Bingmus- 
culatur so gut wie ganz verschwunden ist. Diese rudimentare 
Musculatur ist natürlich der Eri'olg der Starrheit und Zerbnch- 
lichkeit des Körpers. 



VEBDAUÜNGSORGANE. 

Urn den Mund stenen die zehn slark verastelte Tentakel. 
Diese sind leichter gefarbt als der Körper. Jeder Tentakel 
besteht aus einem sehr breiten Hauplslamme, von welchem 
die Nebenasle ziemlich regelmassig abgehen. (Taf. IV fig. 6). 
Alle sind sie ungefahr gleich lang. 



543 

Hinter dem Munde findet sich der sehr lange Schlund. (Taf. 
IV, Fig. 4). Diesei- kann beim lebenden Thiere ganz aus- und 
eingestülpt werden. Er wird eingezogen mittelst fünf Retrac- 
toren des Schlundes. Diese Muskeln sind am Kalkringe befes- 
tigt, und sind herzförmig mit einem medianen aufstebenden 
Kamm. Mittelst langer freiliegender Sehnen sind sie am Rande 
des Schlundes befestigt, und gehen am aboralen Ende direkt 
in den fünf rudimentaren Langsmuskeln iiber. (Taf. IV, Fig. 3 
und Fig. 4. b). 

Der Kalkring besleht aus fünf radialen und fünf interradia- 
len Stücken. Die radialen Stücke sind nach vorn und hinten 
in zwei Hörner ausgezogen, die interradialen nur nach vorn. 
Beide, namlich radiale und interradiale Stücke hangen nur 
lose mit einander zusammen , wie es auch bei dem Kalkringe 
von Ocnus imbricatus (Semper) vorkommt . Sie sind nur durch 
ein schmales Kalkstückchen mit einander verbunden. (Taf. 
IV. Fig. 8). 

Hinter dem Kalkringe fangt der eigentliche Darm an. Direkt 
hinter dem Ringe liegt erst eine kropfartige Auftreibung, welche 
sich bald einschnürrt und in den Darm übergeht. (Taf. IV, 
Fig. 4. c). Dieser ist eng und macht nicht , wie gewöhnlich 
eine doppelte Biegung durch den Körper, sondern bildet eine 
Art von Darmgekröse im angesch wollenen Theil des Kórpers. 
(Taf. IV, Fig. 3. a). Ueber der grösslen Strecke aber verlauft 
der Darm ganz einfach , um im terminalen fünfslrahligen After 
aus zu münden. 

In der wenig ausgebildeten Cloacka münden zwar die Lungen 
aus; diese sind aber sehr rudimentar, und bilden nur kleine 
Blindsackchen am Ende des Darmes, wie auch schon Semper 
die Lungen von Ocnus als ganz rudimentar beschreibt. (Taf. 
IV, Fig. 3. c). 

Am Wassergefassring sind immer zwei Polische Blasen an- 
gehangt, die mehr oder weniger kugelrund sind. Sie liegen 
an der Bauchseile, namlich auf der kropfartigen Auftreibung 
des Darmes. (Taf. IV, Fig. 4. a). 



344 

Was dem Blutgefasssystem anbelangt, so giebt das Bauch- 
gefass nur sehr sparlich Aeste an den Darm ab. 

Die Geschlechtsorgane liegen ziemlicb weit nach hinten am 
dorsalen Mesenterium. Sie bilden ein Bundel kürzerer und 
langerer einfachen nicht verastelten Schlauche. (Taf. IV, Fig. 5.) 
Die kürzeren sind die Zeuger des Spermas , die langere sind 
die weibliche Zeugungsorgane. Sonst haben sie denselben Bau 
als gewöhnlich bei allen Holothurien. 

Was die Ver wantsehaft unserer Art mit den andern Arten 
dieses Geschlechtes anbelangt, so stimmt die aussere Form am 
meisten überein mit Ocnus molpadioides von Semper. Es 
findet sich aber bei dieser Art Sempers auf den Interradien 
des Mittelkórpers zahlreiche Füschen , welche bei unserer Art 
ganzlich fehlen. Ferner hat 0. javanicus immer regelmassig 
zwei Polische Blasen, wahrend 0. molpadioides nur eine hat, 
obgleich hierauf wahrscheinlich weniger Werth zu legen ist. 

Von 0. imbricatus (Semp.) unlerscheidet sich der 0. java- 
nicus dadurch, dass beim ersteren der Körper bedeckt isl 
mit Kalkschuppen , die sich dachziegelförmig decken, wahrend 
er von 0. pygmaeus unterschieden ist, da bei letzterem auf 
den mittleien Radius des Bauches immer eine doppelte Heihe 
von Füschen steht, und ohnedem auch immer viel kleiner 
bleibt. Auch was der inneren Anatomie anbelangt, stimmt, 
wie aus dem Obigen hervorgeht, der 0. javanicus am meisten 
überein mit den 0. molpadioides von Semper. 



HAPLODACTYLA HUALOEIDES. (n. s P .) 

AEUSSERE KENNZEICHEN. (Taf. V, Fig. 1). 
Oer Korper ist eifórmig, und ve , jüngt sich ^ na 

Af er zu E s g.ebt fünfeehn einfache cylindrische Tentakel 
weche Zleralich spit2 endigen Am Af(er finden s . ch ak e 

mehr oder weniger kalkige Papillen. 

[>ie fönf Langsmuskeln scheinen vollkommen deutlich durch 
SaC:, d6S KÖrPerS « " taM ' ™ ^ Mantel der 

Lange des Thieres : 35 raM 

*££'' InSe ' ° nrU ^' Reede BataVia ' « ™» im 



WE HAUT UiND MUSCULATUR. 

Die gans durchsicbtige Haut ftlhli «Utt au, und ist sehrdünn 
Aeusserhch hegt das Epitheliun, uiit der Cuticala ol>g, e , 
d-ese uur sehr schwach entwickel. ist. Die Cuü be 
b-a grössten Thei. aus der hvalinen Grundmasse, i w ^ 

L, n ' le! ga " Ze " IIaul fehle " aucii die IW.H- 

JD» voM o„ lmen . e.oss „ eim After k o mm en KaM^rTe 
* de. Haut vor; ubr.gens fehlen sie ganz und gar . Hauut 
-chhch h,ufen sie sich in den f„„f Analpapill, £* 
s.ch , mnier auch noch einzelne in der Haut un. den Af er 
vor finde. Die Ka.kkOrperchen selbs, sind m „££ 

se t'. W ?? e ^ if ' d6n A ''^PiHe« vorfinden, sind 

l-hr agenthumhoho Gebi.de. An einem ziemüch dunnen 



Hauptstiel finden sich entweder kugelrunde oder gezahnelte 
Anschwellungen (Taf. V, fig. 6, 7). In der Haut beim After 
haben sie eine mehr gewöhnliche verastelte Form mit langeren 
und kürzeren Aermchen (Taf. V, fig. 4,5). 

Die fünf Langsmuskelpaare scheinen, wie gesagt, vollkom- 
men deutlich durch , und setzen sich etwas dunkler gegen die 
Haut ab. Die Ringmuskeln sind nur ausserst schwach ent- 
wickelt. Als die Vertreter derselben sind wohl bloss die Mus- 
kei f asern , welche, wie wir nachher sehen werden, die Quer- 
canale des Wassergefasssystems begleiten, an zu sprechen. 
Auch die Retractoren des Schlundes sind nur schwach, und 
eine Verbindung von diesen mit den Langsmuskeln war nicht 
nach zu weisen. 



VERDAUUNGSORGANE, WASSERGEFASSSYSTEM UND 
FORTPFL ANZUNGSORG ANE. 

Die fünfzehn ziemlich kleine Tentakel können im Leben nur 
wenig vorgestreckt werden. Ihr Bau hat nichts Merkwür- 

diges . 

Der Darm bildet, wie gewöhnlich, zwei Schlingen durch 
den Körper. Hinter dem ziemlich kurzen Schlund liegt der 
Kalkring. (Taf. V. Fig. 8). Dieser besteht aus zehn Stücken. 
Die radialen Stücke sind nach hinten zu in zwei Zipfel aul 
gezogen. Die interradialen sind glatt, beinahe ohne Auslaufer. 
Der Vorderrand von beiden hat keine Zipfel und ist nur wel- 
lenartig gebogen. Jedes der interradialen Stücke hat eine 
erhabene Leiste, zur Anheftung der Schlundretractoren. üebri- 
gens waren im Darmwand keine Kalkablagerungen abgesetzt. 
Der Darm selbst ist sehr geraumig und füllt fast den ganzen 
Körper. Der letzte Abschnitt bildet eine deutliche Cloacka. 

In der Cloacka münden die Lungen. Diese bestehen aus 
drei Lungenbaume, welche aber nicht jeder für sich in der 
Cloacka ausmünden, sondern sich erst zu drei in einera ge 






347 

meinschaftlichen Canal vereinigen , welcher dann in der Cloacka 
mündet. Die Lungeubaume selbst beslehen aus einem breiten 
Hauptstamm, welcher die kurzen aber geraumigen Lungen- 
anhangen tragt. Die Cuviersche Organe fehlen vollstandig. 
(Taf. V, Fig. 2, 3). 

Am Wassergefassring findet sich nur eine einzige Polische 
Blasé. (Taf. V, Fig. 2. a). Aus dem Ringgefass entspringen die 
fürif Radiargefasse. Diese sind , obgleich die Füschen fehlen , 
ziemlich stark entwickelt. Sie liegen , wie immer , zwischen 
den zwei Langsmuskeln eines Paares. Von diesen Radiarge- 
fassen entspringen auf ziemlich kurzen Strecken von einander 
die Quercanale. Diese bleiben aber nur kurz, und endigen 
blind im Gewebe des Coriums, unter der Epidermis. (Taf. V, 
fig. 9. b). Jeder Quercanal nimmt, wenn er aus dem Muske 
tritt und in das Gewebe des Coriums konimt , van dem Langs- 
muskel einige Muskelfasern mit, welche eine Art Muskelhülle 
urn dem Quercanal bilden. '(Taf. V, fig. 9. c). 

Die Fortpflanzungsorgane haben nichts Merkwürdiges . und 
bestehen aus den gewöhnlichen langen Follikeln. Obdie Thiere 
Z witter sind, oder getrenntes Geschlechtes , habe ich leider 
nicht entscheiden können. 



MICRODACTYLA CAUDATA. (* g. und n. sp .) 



AEUSSERE KENNZE1CHEN. (Taf. VI, Pig. 1). 

Der allgemeine Körperform ist mehr oder weniger cylindrisch. 
Nach dem Munde zu nur sehr wenig verjüngt, wird der Kör.- 
per, nach dem After zu, plötzlich stark eingeschnürrt, so dass 
der hintere Theil des Körpers sich wie ein selbslandiger 
Schwanzanhang darthut. 

Um den Mund, oder genauer in dem Munde, stehen 12 
sehr kleine einfache Tentakel , welche stumpf in einer kleine 
Scheibe endigen. Sie bleiben zu klein um aus dem Munde 
ausgestreckt zu werden. 

Der After liegt am Ende des Schwanzanhanges , ist kreis- 
rund , und die Afterpapillen fehlen vollstandig. Der Mund liegt 
nicht genau terminal, sondern ist mit dem Mundrande etwas 
eingestülpt . 

Die Haut fühlt glatt an , und nicht rauh, wie hei Gaudina 
(Stimpson). Die fünf Langsmuskeln scheinen nicht durch. Die 
Farbe der Haut beim Leben des Thieres, und auch bei Spi- 
rit us-Exemplare, ist milchweiss. Namen tlich ist der schwanz- 
artige Anhang intens weiss gefarbt, der übrige Körper etwas 
blaulicher weiss. 

Fundort: Sunda-Strasse, unweit Anjer im Schlamm. 1- 
Faden. 



DIE HAUT. 



Die Haut fülll , ungeachtet der eruormen Menge von Kalk- 
körperchen, ganz glatl an, wodurch sich das Geschlecht Micro- 
dactyla vom Geschlechte Gaudina von Stimpson unterscheidel. 



549 

Uebrigens stimmt es allerdings ara meisten mit letzterem 
überein. Die Haut zerfallt sehr leicht in eine aussere Cutis 
und eine innere Muskelhaut, welche nur lose zusammcnhangen. 

Die Cutis, welche die dickere der beiden Schichten ist, ist 
ausserst reich an Kalkablagerungen. Nicht bloss finden sich 
die Kalkkörperchen so zahlreich beim schwanzartigen Anhange, 
sondern sie haben bis am Rande des Mundes zu, fast jedes 
andere Gewebe der Cutis verdrangt. Das eigentliche Binde- 
gewebe der Cutis ist sehr wenig ausgebildet , und besteht nur 
aus sehr dunnen Fasern , und auch diese sind nur sehr sparsam 
verbreitet. Wie gesagt sind die Kalkablagerungen ausseror- 
dentlich zahlreich, so dass die Kalkkörperchen fast ohne 
Zwischenraum auf einander gehauft sind, ohne jedoch ein 
zusammenhangendes Gittergewebe zu bilden , wie bei Ocnus 
javanicus. Dennoch bleibt die ganze Haut sehr weich und 
biegsam und ist bloss beim schwanzartigen Anhang etwas mehr 
spröde. Die Form der Kalkkörperchen (Taf. VII, Fig. 1 , 2) selbst 
ist eine durchbrochene Kugel , und giebt nur wenig Puncte von 
Uebereinstimmung mit den Kalkkörperchen von andern Mol- 
padidae, weder mit Haplodactyla noch mit Caudina. Diese 
eigen thüniliche Kugelform der Kalkkörperchen findet sich 
zurück bei den Dendrochiroten , namlich bei den Kalkkugeln 
aus dem Geschlechte Colochirus (Troschel). Bei den Molpa- 
didae aber sind sie wohl schwierig als umgewandelte Platten 
der Stühlchen zu betrachten, wie Semper diese Kalkkugeln 
beim Geschlechte Colochirus auffast. Merkwürdig ist übrigens , 
dass die von Semper als Bindekörper bezeichnelen , biscuit- 
förmigen Stabchen, welche schon bei den Synaptiden vorkom- 
men, hier bei Microdactyla ganz und gar ielilen. 

Wenn also Microdactyla sich einerseits durch die Kalkkugeln 
den Dendrochiroten (Colochirus) mehr nahert, entfernt sie 
sich hingegen von diesen durch das vollslandige Fehlen der 
biscuitförmigen Bindekörper, welche bei lelzteren öflers ganze 
Geruste und Netze bilden. Die grosse Menge dieser Kalkku- 
geln giebt der Haut die milchweisse Farbe , wo hindurch weder 



350 

die Eingeweide noch die fünf Langsmuskeln durehschimmern , 
obgleich die Haut sehr dünn ist. Der schwanzförmige Anhang 
ist noch intenser weiss gefarbt, indem die Kalkkugeln hier 
noch zahlreicher sind. Auch die Haul ist hier dicker und 
wirft Falten. 

Die zweite Schicht, die Muskelhaut, ist uur ausserst dünn. 
Die fünt' Langsmuskeln sind nur sehr schwach entwickelt, 
wahrend die Ringmusculatur zwischen denselben nur durch ein- 
zelne dunnere Fasern vert reten ist. Zwischeu je zwei Langsmus- 
keln eines Paares verlauft ein Radiargefass , von wo aus kleine 
Ringgefasse abgehen , ungefahr wie bei Haplodactyla hualoeides. 
Fernerhin linden sich in dieser Muskelhaut Pigmentablagerun- 
gen, welche der Innenseite der Haut eine et was braunliche 
Farbe verleihen, welche aber gar nicht nach aussen durch- 
schimmert. 



VERDAUUNGSORGANE. 

Der Darm macht im angeschwollenen Theil des Körpers eine 
doppelte Biegung, verlauft aber im schwanzartigen Anhang 
einfach, und der Endabschnitt bildet eine nur enge Cloacka. 
Der Kalkring (Taf. VII, Fig. 3) besteht aus fünf radialen und 
fünf interradialen Stücke. Die radialen Stücke sind nach 
vorn und hinten in zwei Zipfel ausgezogen, wahrend die in- 
terradiale eine dreieckige Spitze nach vorn haben, wie bei 
Haplodactyla molpadioides (Semper). Die 12 Tentakel urn den 
Mund sind wie gesagt nur ausserst klein, und können auch 
im Leben niemals aus dem Munde vorgestreckt werden. An 
der Basis sind sie mehr oder weniger aufgeschwollen , schnüren 
sich dann etwas ein, um endlich wieder in eine breitere 
Scheibe zu endigen. Diese letzte ist eine Art Saugscheibe mit 
concentrischen Ringmuskeln. In jedem Tentakel verlauft ein 
starker Ast des Wassergefasssystems. (Taf. VII, Fig. 4). 

Am Wassergefassring findet sich eine einzige Polische Blasé, 



551 

und ein einfacher Steincanal, die wie bei H. rnolpadioides fast 
am dorsalen Meseiiterium aufgehangl Ut. 

Die Lungen sind in doppelter Zahl verlieten, sind aber 
wenig voluminös, und an dem Hauptstiele sitzen nur einzelne 
sparsame Nebenaste. (Taf. VII, Fig. 6). 

Die Geschlechtsorgane sind die gewöhnliche, hier zieiulich 
lange Schlauche. (Taf. VII, Fig. 5). 

Aus Obengesagten ergiebt sich, das diese Microdactyla in 
niehrere Puncten tuit Haplodaetyla übereinstiinnit , jedbch durch 
die Zahl und Kleinheit der Tentakel sich von jener unter- 
scheidet. 



CHIRODATA VARIABILIS. (?) Sbmp. 



(Taf. VI, Fig.' 2) 

Der Körper wurmförmig rnit elwa zwei Einschnürrungen. 
Urn dem Mund 17 Tentakel, jeder mit 20 Handchen. Diese 
können in die Basis der Tentakel zurückgezogen werden. 

Die Radchenpapillen sind über den ganzen Körper vertheilt , 
sind aber am Munde und After und auf den Interradien am 
zahlreichsten. 

Farbe ist braunlich violett Die Papillen sind et was leichter 
gefarbt als die übrige Haut. Bei Spiritusexemplare ist die 
Farbe immer etwas dnnkler. 

Lange des Körpers im Leben 8 — 12 eM. 

Fundort: Tjeringin (Sunda-Strasse). Ebbelinie. 



Der Darmcanal bilde! die gewöhnliche doppelte Biegung . und 
wird von drei Mesenterien getragen. Diese drei Mes en lenen 
tragen viele Trichlerbaumeheu. Jedes dieser Baurachen ist 
ziemlich lang, wahrend die Trichter selbst zu mebreren ari 
einem gemeinschafllichen Stiele entsprin^en. (Taf. VII, Fig. 10). 

Am Wassergefassring finden sich 12 grössere und kleinere 
Polische Blasen , und ein einfacher Steincanal. 

Der Kalkring besteht aas 18 Siücke. Die fünf radialei 
Stücke haben ein Loch zum Durchtrilt des Nerves. 

Die Form des Kalkkringes stimmt am meisten überein mij 
der von Chirodata yariabilis (Semp). (Taf. VII, Fig. 9). 

Als Kalkablagei ungen in der Haut linden sich die biscuit- 
förmigen Stabchen und die Ra'dchen, ^siehe Anhang). (Tal 
VII, Fig. 7,8). 

Die Geschlechtsorgane sind die gewöhnlicben Schlauche , wehh( 
hier aber ziemlich kurz bleiben. 



553 

Unsere Art von Chirodota aus Sunda-Strasse unterscheidet 
sich nur sehr wenig von Ch. variabilis von Semper. Bei der 
Semper'schen Art tragt namlich jede Tentakel 22 bis 24 Fie- 
derchen , indem diese Art aus der Sunda-Strasse nur 20 dieser 
Fiederchen hat. Als aber Semper selbst nur mit Zweifel die 
Arten Ch. dubia und Ch. ineongrua als neu aufstellt, so glaube 
ich auch vorlaufig diese von mir gefundenen Chirodota als 
identisch mit der Ch. variabilis von Semper bezeiehnen zu 
mussen, da sie wnklich in allen wichligen Theilen init letzterem 
übereinstimmt. 



ANHANG. 



UEBER DIE RADCHEN DER CH1R0D0TEN. 
(Taf. VII, Fig. 7). 

Die eigenthiïnilichen Kalkablagerungen der Chirodolen sind 
schon langst bekannt, und zuerst genauer von J. Muller, 
nachher von Grube besehrieben , wodureh die oberflachliche 
Form genügend bekannt ist. Semper tand noch hinzu, dass 
der freie einwarts gebogene Rand des Ringes, welcher Rand 
g'egen die Wand der sie einschliessende Blasé antritt, gezah- 
nelt war, wahrend die andere Seite glatl und convex ist. Nach 
Semper sind, in so fern mir bekannt ist, keine genauere Be- 
schreibungen van den Radchen der Chirodoten gegeben. 

Oberflachlich betrachtet haben die Radchen allerdings die 
Forrn, wie Muller und nachher auch Semper sie abbildet. 
Bei genauerer Betrachtung aber ergiebt sich , dass die Radchen 
nicht so einfach gebaut sind, als man sich nach den Beschrei- 
bungen und Abbildungen jener Autoren denken würde, was 
eben fremd ist, da sie sehr der genaueren Betrachtung werth 
sind. 

Nach den gewöhnlichen Abbildungen der Radchen ist ja 
der aussere Ring nicht in einer Ebene mit den Radien , sondern 
schief, mit dem gezahnelten Rand einwarts gebogen, aber die 
sechs Radien oder Spaken verlaufen einfach platt nach der 
Mitte zu, ohne sich zu biegen. Höchstens wird noch eine 
krumme Linie gefunden, welche vom einen Radius nach dein 
nachsten lauft. Nur in Semper's Abbildung der Radchen von 
Chirodota variabilis von Australien (Semper. Holothurien. Taf. 
XXXIX, lig. 15) ist das Verhaltniss et was genauer dargestellt, 
ohné alsnoch ein naturgetreues Bild zu sein. 



S&ti 

Ich gebe hier eine so deutlich mögliche Beschreibung und 
Abbildung (Taf. VII, Fig. 7) eines Radchens von Ch. variabilis 
(Sbmp). Der einwarls gebogcne Hand isl bekanntlich gezah- 
nell . Der Hing sleht schief auswarts gebogen. Die sechs 
Radien oder Spaken beugen sich erst urn die Aussenseile des 
Ringes, wodurch diese sechs Stellen am Aussenrande etwas 
aufgesrbvvollen sind. Sie wölben sich dann elvvas aufwarts, 
urn sich balde einzubiegen und cfl-förmig nach dein Cen- 
trum zu verlaufen. lm Centrum kommen die sechs Radien 
zu ein Kreuz zusammen , das flach ist und höher liegt , und von 
den eigenllichen Radien scharf abgegrenzt ist. Ohnedem sind 
die Radien noch mit einander verbunden durch einen zweiten 
Ring, welcher dicht beim Centrum auf und nieder gehend, 
Radius mit Radius verbindet, 

Es ist hauptsachlich dieser zweite Ring, und das flache 
Kreuz im Centrum, welche nicht gut beobachtel sind. Aller 
dings sind diese nur bei gewisser und ganz genauer Einstel 
lung sichtbar, sind aber dann bei scharfer Beobachtung unver 
kennbar. Bei Weglassung des zwei ten Ringes hekomml mai 
Semper's Abbildung van den Radchen der Australischen Ch 
variabilis. Alle übrigen Abbildungen der Radchen der Chiro 
dolen sind aber nur als ganz oberflachliche Bilder derselberj 
an zu sprechen. 



EKKLARUM DER TAFELN. 



TAFEL L 

Ananus holothuroides , (n. g. und n. sp.) in natürlicher Grosse. 

TAFEL II. 
Ananus holothuroides. 
Fig. 1. Querschnitt durch die Haut. 

a. Epithelium mit Cuticula. 

b. Aeussere Pigmenlschiclil. 

e. Bindegewebsfasern und Bindegewebszellen des 
Coriums. 

d. Innere Pigmentschicht. 
Fig. 2. Geschlechtsorgane. 
Fig. 3 und 4. Kalkkórperchen. Schnallen. 
Fig. 5. Kalkkórperchen. Stülchen. 
Fig. 6. Kalkkórperchen aus den Tentakeln. 
Fig. 7. Kalkring. Zwei radiale und drei interradiale Stücke. 
Fig. 8. Stück der Lunge. 

a. Lungenanhang. 

b. Strang zur Verhindung mit der Haut. 
Fig. 9. Innere Kiemen oder Darmfalten. 

a. Dem Rückengefass entsprechende Fürche. 
Fig. 10. Endblaschen der Lungen. 

a. Münde des feinen Canalehen, 

b. Sphincter. 

c Wand des Blaschens. 
TAFEL III. 
Ananus holothuroides. 
Fig. 1. Haut in der Lange aufgeschnilten. Trachis intestinalis 
weggenommen, wodurch die fünf Langsmuskelpaare 



587 

sichtbar sind. Zwischen diesen die Ringmuskeln, 

und die einzige Lunge. 
Fig. 2. Innenseite des abdominalen Endes der Haut Sehe 

Text. 
Fig. 3. Tentakel. 
Fig. 4. Kalkring mit ac,cessorischen Sieincanaleir. 

a. und b. Polisebe Blasé n , daneben die kleinen 

Sleincanale. 
o. Darm. 

TAFEL IV. 

Ocnus javanicus (n. sp.) 
Fig. 1. Ocnus javanicus. El was vergrösserl 
Fig. 2. Stück der Haut. Slarker vergrössert 
Fig. 3. Die Half'le der Ha ut weggenommen 

a. Darmknauel. 

b. Genitalschlauche. 

c. Die rudimentaren Lungen 
Fig. 4. Vorderlheil der Verdauungsorgane 

a. Poüsche Blasen . 

b. Schlundretracloren, mit den Semien 

o. Kropfartige Aufschwellung de Darmes hinter 
dem Kalkringe. 
Fig. 5. Genitalschlauche am Mesenteriunj 
Fig. 6. Tentakel. 
Fig 7, Schnilt aus der Haul . 

a. Epithelium. 

b. Pigmentschicht des Coriums. 

c. Bindegewebsfasern, mit Kalkkörperchen 

d. Gittergewebe von Kalkbaïkchen . 

e. Innere Bindegewebsfasern . 
/. Innere Pigmenlschicht. 

Fig. 8. Drei Glieder des Kalkringes. 
Fig. 9. Kalkkörperchen. Schnallen. 
Fig. 10. Kalkkörperchen. Slühlchen. 
Fig. 11. Kalkkörperchen aus Tentakel. 



558 

TAFEL V 

Haplodactyla hualoeides (n . sp ) 
Fig. 1. Haplodactyla hualoeides. Natürliche Grosse. 
Fig. 2. Darm und Lunge. 

a. Polische Blasé. 

b. Die drei Lungenaste. 

Fig. 5. Stück der Lungen, starker vergrössert. 

Fig. 4. und 5. Kalkkörperchen aus der Haut beim After 

Fig. 6. und 7. Kalkkörperchen aus den Analpapillen 

Fig. 8. Drei Slücke des Kalkringes. 

Fig. 9. Radiargefass uiit Queraste. 

a. Das Radiargefass. 

b. Die Quergefasse aus a entspringend . 

c. Muskelhülle um b als Vertreter der Ringmuskeln. 

d. Langs muskelpaar. 

TAFEL VI. 

Fig . 1 . Microdaclyla caudata (n . sp . ) In natürlicher Grosse \ 
Fig . 2 . Chirodola variabilis (Semp) . In natürlicher Grosse . 

TAFEL VII. 

Fig . 1 . — Fig . 6 . Miscrodactyla caudata . 

Fig. 7 . — Fig. 10 Ghirodota variabilis, 

Fig. 1. Kalkkugel. 

Fig. 2. Derselbe von der Seite gesehen. 

Fig. 3. Drei Stücke des Kalkringes. 

Fig. 4. Zwei Tentakel. 

Fig. 5. Genitalschlauche 

Fig. 6. Lungenast. 

Fig. 7. Radchen. 

Fig. 8. Biscuitförmige Kalkkörperchen. 

Fig. 9. Einige Stücke von dein Kalkringe. 

Fig. 10. Wimpertrichterbaumchen . 

Batavia, 20 November 1880. 



PL I 




IMTEK Ar. NAT DEL. 



y vüGM Z »NG UIH ivAIAVIA. 



1 




Afru/'ivv 



: 11 



>^4 



v 



\> 







Jtft 





ÉÉJMk 



. 



ïtó 






r/p/,) O 



PL VI 



lïa.L 



Fu/Z. 




Fuj.1 




wn:m 



VERSLAG 

VAN DE 

WERKZAAMHEDEN EN DEN TOESTAND 

DER 

KONINKLIJKE NATUURKUNDIGE VEREENIGING 

IN 

NEDERLAND SGH-INDIË 
OVER 1879 

DOOR 

Dr, P. A, BERGISIMA. 

Op 1 Januari 1879 bedroeg het aantal contribueerende leden 
der Vereeniging 458; in den loop van 1879 werden 85 van 
deze om verschillende redenen van de ledenlijst afgevoerd, 
terwijl slechts 12 nieuwe leden toetraden, zoodat liet aantal 
contribueerende leden met 73 verminderd werd en dus op ult°. 
December 1879 slechts 385 bedroeg. 

Twee dirigeerende leden de Heeren B. E. J. H. Becking en 
J, A. Hugüenin legden wegens vertrek van Batavia hunne func- 
tiën neder; daarentegen nam het dirigeerend lid Dr. J. J. W. 
E. van Riemsdijk weder zitting in de directie, terwijl Dr. C. 
Ph. Sluiter tot dirigeerend lid gekozen werd. 

23 



562 

deze collectie is geplaatst in de twee groote ligkasten, die de 
Vereeniging van de Maatschappij van Nijverheid en Landbouw 
overnam. 

Als verbetering van het Museum mag verder aangemerkt 
worden, dat er een begin werd gemaakt met de aanwezige 
voorwerpen te rangschikken. Behalve dat het grootste gedeelte 
van bovenvermelde dieren gedetermineerd en geëtiquetteerd in 
de kasten geplaatst is, werden al de aanwezige visschen, die 
bijna als haring opeengepakt in de stopflesschen zaten , uit- 
gezocht, gedetermineerd en afzonderlijk in eene kast geplaatst ; 
hetzelfde geldt van de collectie Repliliën, waarbij echter nog 
slechts een begin met het determineeren gemaakt is. 

Ook het materieel van het Museum werd vermeerderd. Ten 
eerste werden twee nieuwe kasten, rakken, aangekocht, 
waarin de verzameling visschen en reptiliën geplaatst werd; 
de reeds aanwezige kasten werden alle nieuw geschilderd en 
gepolitoerd. 

In hoofdzaak is dus het Museum vooruitgegaan, ten eerste 
door vermeerdering van het aantal voorwerpen, ten tweede 
door het determineeren en rangschikken van een groot gedeelte 
der collectie, ten derde doordat het materieel vermeerderd en 
verbeterd werd. Deze vooruitgang is hoofdzakelijk te danken 
aan den nieuwen Directeur van het Museum, Dr. Sluiter, 
die zich veel moeite voor de regeling en uitbreiding van de 
aan zijne zorgen toevertrouwde verzameling gegeven heeft. 

Op het in het vorige jaarverslag besprokene voorstel door 
de Vereeniging en de beide Maatschappijen van Landbouw en 
Nijverheid aan de Regeering gedaan, om een deskundige aan 
te stellen voor het bestudeeren der voor den landbouw in Ne- 
derlandsen Indië nuttige en schadelijke dieren, werd door de 
Regeering eene afwijzende beschikking genomen ; bij hetzelfde 
Besluit, waarbij deze beschikking aan de Vereeniging werd 
medegedeeld , werd de Directeur van Onderwijs , Eeredienst en 
Nijverheid gemachtigd eene belooning uit te loven voor de beste 
en goedgekeurde collectie afbeeldingen van de voor den land- 



563 

bouw in Nederl. Indië nuttige en schadelijke dieren, ten ge- 
bruike op de openbare inlandselie scholen en ter verspreiding 
onder de inlandselie hoofden. De stukken, die op deze zaak 
betrekking hebben , vindt men in deel 39 van het Tijdschrift , 
blz. 25 en volgende en blz. 124 en 125. 

Van het Tijdschrift verschenen de laatste aflevering van deel 
38 en de twee eerste van deel 39. 

De Bestuursvergaderingen werden geregeld gehouden ; op eene 
algemeene vergadering in Juli hield Dr. Sluiter eene voor- 
dracht over den door hem medegemaaklen tocht van de 
Willem Barends naar de Noordpoolstreken. 

Omtrent den financiêelen toestand der Vereeniging werd dooi- 
den Thesaurier het volgende verslag uitgebracht: 

Het saldo in kas op ult°. Dec. 1878 bedroeg, ƒ 2749.00 5 
Gedurende 1879 werd ontvangen; 

Huur der bijgebouwen » 720. — 

Contributiën » 4662.— 

Subsidie der Regeering » 2000.— 

Verkochte deelen van het Tijdschrift » 18. — 

Gekweekte renten » 200.88 

Totaal ƒ 10349.88 5 

Uitgegeven werd aan : 

Saldo kosten deel 38 van het Tijdschrift ƒ 825.50 

Kosten van deel 39 » 531. — 

Kosten der verzending van het Tijdschrift » 76.65 

Aandeel onderhoud van het gebouw » 591.51 

Secretariaat » 360. — 

Bibliotheek » 1166.06 

Museum . 769.17 

Oppasser » 144. — 

Kosten van een Eere-diploma » 100. — 

Drukloonen , advertenliën, enz » 124.26 

Inningskosten » 504.— 

Totaal ƒ 4592.15 



564 

zoodat op 31 December 1879 een batig saldo in kas was van 
/ 57S7.73 5 . 

Uit dit verslag blijkt, dat de toestand onzer financiën niet 
ongunstig was ; het saldo in kas was op ult°. Dec. 1879 on- 
geveer ƒ 5000. — grooter dan een jaar geleden, terwijl toch 
in 1879 voor de Bibliotheek en het Museum bijna / 2000. — 
zijn uitgegeven tegen ongeveer / 600. — in 1878. De noodige 
middelen waren dus in het begin van 1880 voorhanden om 
met de aangevangen, zoo noodzakelijke, uitbreiding van Biblio- 
theek en Museum voort te gaan. Aan den Thesaurier der 
Vereeniging, den Heer H. L. Janssen van Baaij wordt weder 
dank betuigd voor de zorgen aan het goede beheer onzer 
financiën gewijd. 

Uit het bovenstaande blijkt dat de toestand der Vereeniging 
gedurende het jaar 1879 niet ongunstig geweest is; alleen het 
Tijdschrift loont ^een vooruitgang aan, en ook het aantal 
leden is aanmerkelijk afgenomen. Het is mij echter aange- 
naam nu reeds te kunnen mededeelen, dal in 1880 in beide 
opzichten verbetering voor de Vereeniging te bespeuren is, 
zoodat ik dit verslag niet alleen met de beste wenschen voor 
den bloei der Vereeniging, maar ook met gegronde hoop op 
de vervulling van die wenschen besluiten kan. 

November 1880. 






NOTULEN 

VAN DE 

VERGADERINGEN 

DEK 

KONINKLIJKE NATUURKUNDIGE VEREENIGING 

IN 

NEDERLANDSCH-INDIË 

GEHOUDEN IN 1880. 

Vergadering der Directie, gehouden op 
15 Januari 1880. 



De Voorzitter opent de vergadering. 

Aanwezig zijn de leden : Bergsma , van der Burg , van Dijk , 
Bauer, Sluiter, van der Stok, Onnen, van Riemsdijk, Janssen van 
Raaij en Cretier , terwijl ook het lid Piepers de vergadering 
bijwoont. 

De Notulen der vorige Bestuursvergadering worden gelezen 
en goedgekeurd. 

De Voorzitter deelt mede dat het besluit der vergadering 
van December om den heer Teusmann bet Eere-diploma der 
Vereeniging aan te bieden is uitgevoerd. 

Nadat het lid Sluiter heeft medegedeeld dat er geen koo- 
pers zijn geweest op de vendulie der collectie Uobillard, die 
ƒ 200. — hebben geboden , en de Vereeniging dus nu voor die 
som eigenares is geworden, overhandigt de Voorzitter den hamer 



366 

aan Dr. van der Burg met den wensch dat de Vereeniging 
onder zijne leiding in bloei moge toenemen. Het lid van der 
Burg dankt den aftredenden Voorzitter voor zijne leiding gedu- 
rende het afgeloopen jaar en voor zijne wenschen en aan- 
vaardt het Presidium. De navolgende stukken worden door 
hem ter tafel gebracht. 

I. Eene missive van de Nederlandsch-Indische Commissie 
van de Parijsche Tentoonstelling van 1878, begeleidende een 
exemplaar Diploma-Zilveren-Medaille door de Jury aan de Ver- 
eeniging toegekend. 

Wordt besloten het Diploma te doen encadreeren en aan de 
Commissie kennisgave van ontvangst te zenden. 

II. De gouvernements-renvooien No. 24416 en 25025, be- 
geleidende de missiven: 

a. van den Resident van Soerakarta, dd. 24 November 1879, 
N°. 3901; 

b. van den Gouverneur van SumatraY Westkust, dd. 31 
December 1879, No. 9366, beiden handelende over waar- 
genomen natuurverschijnselen. 

In handen van Dr. Bergsma. 

III. Eene missive van den Hoofd-Ingenieur, Chef van het 
Mijnwezen , strekkende ter aanbieding van een 236 tal mineralen 
en gesteenten met catalogus. 

De Voorzitter bedankt den Heer van Dijk voor de fraaie 
collectie. 

IV. Eene missive van den Heer Bolsius van Soekaboemi, 
betrekking hebbende op de Liq. conserv. Wichersheim, wordt 
in handen van den Redacteur gesteld ten einde daarvan gebruik 
te maken bij de bewerking der December-notulen. 

V. Het lid Bergsma biedt een gedrukt exemplaar aan van 
het Verslag van den Ingenieur Munday in zake gouddelving 
op Sumatra. 

In dank aangenomen voor de Bibliotheek. 

VI. Eene kennisgave van den Conservator der Bibliotheek van 
TEULERS-stichting, inhoudende de ontvangst van Deel XXXVIII. 



367 

VII. Eene circulaire van de «Nassauischer Verein für Na- 
lurkunde" houdende kennisgave, dat den 20 December 1879 
te Wiesbaden het feest zou worden gevierd van hel 50-jarig 
bestaan. 

Voor kennisgave aangenomen. 

VIII. Van de ledenlijst worden gevoerd de Heeren 0. Clarus , 
F. J. T. de Haart, II. Schilling, H. C. Maurenorecher , 
F. A. Nieuwemiuijzen, J. H. Vorstman, F. Hekmeijer, H. 
Nolle en M. S. Gaijmans. 

IX. Het lid Bauer biedl namens den Heer K. F. Hordijk 
te Sisoemoet, Kotta Pinang, Oost Sumalra, eenige slangen en 
andere naturalia aan. 

In handen van den Directeur van het Museum. 

X. Het lid Sluiter biedt namens kapitein Pot een exem- 
plaar Octopus aan. 

Eveneens in het Museum plaatsen. 

XI. De Bibliothekaris wordt gemachtigd tot den aankoop 
der werken over Zoölogie van Nederlandsen Indië door het lid 
Bauer opgegeven. 

XII. Voor het in orde houden der Bibliotheek, het ver- 
richten van schrijfwerk en het aanvullen van den catalogus 
wordt den Bibliothekaris een crediet van ƒ 25. — 's maands 
toegestaan . 

XIII. Op voorstel van den Thesaurier wordt besloten, om, 
evenals [vroeger geschied is, door verspreiding eener circulaire 
te trachten, het verlies van gewone leden te herstellen. Den 
Secretaris wordt opgedragen zulk eene circulaire op te stellen. 
Daarna wordt de vergadering gesloten. 

Goedgekeurd in de vergadering 
van 18 Maart 1880. 

(w. g.) VAK DEB BUBG, President. 

(w g.) H. CKETIEB, Secretaris. 



5Ö8 

Vergadering der Directie, gehouden op 
18 Maart 1880. 

De Voorzitter opent de vergadering. 

Aanwezig zijn de leden van dek Burg, Bauer , Sluiter, 
Janssen van Raaij, Onnen en Cretier, terwijl ook het lid 
Piepers de vergadering bijwoont. 

Afwezig met kennisgave zijn de leden Bergsma, Hoorweg 
en Polak. 

De notulen der vergadering van 15 Januari worden gelezen 
en goedgekeurd. 

De Voorzitter deelt mede, dat de wellig vastgestelde dag 
der Februari-vergadering samenviel met 's Konings verjaardag 
en dat hij naar aanleiding daarvan per circulaire het voorstel 
deed , om de vergadering 2 dagen later te doen plaats hebben. 
Dewijl echter bleek, dat vele leden ook op den 21en verhin- 
derd waren en er bovendien geene belangrijke stukken te be- 
handelen waren, besloot hij deze vergadering uiet te laten 
doorgaan . 

Voorts deelt de President mede, dat door den Heer Andrèe 
Wiltens, wonende naast het gebouw der Vereeniging , bezwaren 
zijn ingebracht tegen het aanwezig blijven van eene deur in 
de scheidsmuur der respectieve erven en dat bereids het noo- 
dige is gedaan door den Opzichter der gebouwen. 

Voor kennisgeving aangenomen . 

Zijn ingekomen de navolgende stukken. 

I. Een schrijven van den heer Michielsen, namens Mevrouw 
Scheffer, inhoudende het bericht van het overlijden van haar 
echtgenoot Dr. Scheffer, Directeur van 's Lands Plantentuin 
Ie Buitenzorg. 

Wordt besloten aan Mevrouw Scheffer deelneming te be- 
tuigen in het verlies door haar, door het land en door de 
wetenschap geleden . 

II. Een schrijven van den heer Groos te Weltevreden , hou- 



569 

dende verzoek om inzage van den catalogus, is door den Secre- 
taris met toezending van een exemplaar beantwoord. 

III. Een schrijven van den lieer Biujin van Ternale omtrent 
de niet terugontvangen boekwerken , meldende dat de boeken per 
post zijn verzonden en de schuld niet ligt aan de poslad- 
ministratie op Tcrnate. 

In handen van den Bibliothekaris. 

IV. Eene missive van de Directie van het Bataviaasch Ge- 
nootschap van Kunsten en Wetenschappen , houdende verzoek 
om mededeeling, indien aan de Directie meer afdoende voorbe- 
hoedmiddelen bekend zijn legen de vernieling van boeken door 
insecten 

Besloten te antwoorden , dat, behalve het middel van Ratiikami» 
k Co, tegen kakkerlakken , zoodanig universeel middel niet be- 
kend is. 

V. Een tweetal missiven van den Directeur van Onderwijs, 
Eeredienst en Nijverheid, begeleidende de drie eerste afleverin- 
gen van Beccari's werk «Malesia" en het derde stuk van het 
Repertorium op de koloniale litteratuur van J.-G. Hooukaas. 

Van de ontvangst is reeds kennis gegeven aan den Direc- 
teur van Onderwijs , Eeredienst en Nijverheid. 

Wordt besloten de werken in de Bibliotheek op te nemen. 

VI. Eene missive van den Gouvernements-Seerelaris, bege- 
leidende een exemplaar van Dr. E. van Rijckevorsel's Magnetische 
opname van den Indischen Archipel in de jaren 1874 — 1877 

Eveneens besloten tot opname van het werk in de Bibliotheek. 

VII. De gouvernenientsrenvooien No. 1656, 1657, 2390, 
2591, 2500, 2640, 2759, 2856—2859, 5208, 5925 en 5924, 
begeleidende de missiven : 

a. van den Resident van Amboina, dd. 15 December 1879, 
No. 5592; 

b. van den Gouverneur van Sumatra's Westkust, dd. 31 
December 1879, No. 10229; 

c. van den Resident van Kediri, dd. 16 Januari 1880 , 
No. 505/407; 



370 

d. van den Resident van Soerakarta, dd. 17 Januari 1880, 
No. 218; 

de telegrammen : 

e. van den Resident van Kedoe, dd. 2 Februari 1880, 
No. 735; 

f. van den Resident van Cheribon, dd. 2 Februari 1880, 
No. 733; 

g. van den Resident van Cheribon, dd. 5 Februari 1880, 
No. 760; 

h. van den Resident van Sainarang, dd. 5 Februari 1880, 

No. 828; 

en de missiven: 
ï. van den Resident van Tegal, dd. 4 Februari 1880, 

No. 637/41; 
k. van den Resident van Kediri, dd. 5 Februari 1880, 

No. 636/939; 
/. van den Resident van Soerakarta, dd. 4 Februari 1880, 

No. 443; 
m. van den Resident van Djapara, dd. 4 Februari 1880, 

No. 606/1; 
n. van den Resident van Ranjoemaas, dd. 5 Februari 1880, 

No. 632/1; 
o. van den Resident van Probolingo, dd. 6 Februari 1880, 

Ho. 622a/36; 
p. van den Gouverneur van Celebes en Onderhoorigheden , 

dd. 7 Februari 1880, No. 642/1; 
q. van den Resident van Soerakarta, dd. 17 Februari 1880, 

No. 630; 
allen handelende over in die gewesten waargenomen natuur- 
verschijnselen . 

In handen van Dr. Rergsma. 

VIII. Een schrijven van den Heer L. Taats te Soerabaia, 
verzoekende inlichting omtrent de litteratuur over Spinnen. 

Ter beantwoording aan den Secretaris. 

IX. Eene kennisgave van de ontvangst van deel XXXVIII 



371 

(7* serie, deel VIII) van het Tijdschrift, door het Koninklijk 
Zoölogisch Genootschap: Natura Artis Magistra. 

X. Eene missive van de Heeren FRiEDLaNDER u. Sohn, he- 
geleidende eene kist boeken met factuur tot een bedrag van 
ƒ 827 97. 

De boeken zijn in goede orde onvangen . 

De Thesaurier wordt uitgenoodigd het noodige te doen . 

XI. Van de ledenlijst worden gevoerd de Heeren A. J. 
van Marle te Pekalongan , J . Th . Andriesse te Goedi , J . J 
Meijer te Banjermasin, H. E. Eijssell te Solo, L. A. San- 
ders te Deli, H. H. Prins Wielandt te Probolingo , J . H. M. 
van Slooten te Batavia, Dr. B. H. C. C. Scheffer te Bui- 
tenzorg, J. J. van Santen te Batavia, J. F. Mossel te Ba- 
tavia en W. C. de Walick te Sidoardjo. 

XII. Tot leden worden benoemd de Heeren : 

M. J. P. Struijck, Lid van de Algemeene Rekenkamer. 

F. G. C. Degent, Secretaris van het Marine Departement. 

Dr. W. Dominicus, Geneesheer, Batavia. 

A. P. Cameron, Koopman id. 

C . Deijkerhoff , Kapitein Generale Staf, id . 

W. J. Havenga, Luit. Kolonel id. id. 

Dr. T. H. Paign, tandarts id. 

J . A . Schröder , Hoofdagent Ned . Ind . St . Mij , id 

Dr. L. B. F. Lederoer, Arts, Semarang. 

H . A . P . H . Ravenswaaij , boekhandelaar , id . 

F. Pompe van Meerdervoort, Kapitein Generale Staf, id. 

A. J. ten Brink, Leeraar 

C. L. Baier, Boekhandelaar 

P. A. Daum, Redacteur van de 

J. Dinger, Agent der Ned. Ind. 

J. W. J. van Dijk, Houtvester, 

A . J . Walter , Suikerfabrikant 

L. Klaas, Geneesheer, Soemenep. 

A. van Schermreek, Houtvester, Patli . 

J. Visser, Officier van gezondheid, Solok. 





id. 




id^ 


Locomotief". 


id. 


Handelsbank , 


Soerabaia . 


Madioen . 




id. 





572 

Dr. S. Baczes, Officier van gezondheid, Sintang. 
G. N. A. Volkert , Administrateur , Ngarianak Bodja. 
W. J. A. van Blommestein, Controleur, Clierihon. 
L. de Scheemaker, Resident, Bengkalüs. 
J. B. Mack, Majoor Infanterie, Muntok. 
C. van Brink, Geneesheer, Tegal. 
J . K . van Haastert , id . Toeban . 
L V. J. E. de Sturler, Administrateur, Besito. 
J. H. Bruijnis, Geneesheer, Madjalengka. 
Dr. W. J. Krch, Officier van gezondheid, Anjer. 
Dr. J. C. C. W. van Nooten, Amanuensis Plantentuin, 
Bui ten zorg. 
A. Baars, Leeraar aan de Landbouwschool, Builenzorg. 
Jkhr. J. G. V. Boreel, Assistent-Resident, Soekaboemi 
F. H. Rutten, Geneesheer, Soebang. 
J. J. Groos, Geneesheer, Loemadjang» 
W. Veenstra, Tabakslabrikant, Kendal. 
J. H. D. van der Palm, Controleur, Malimping, Bantam. 

XIII. De Thesaurier doet rekening en verantwoording van 
zijn gehouden beheer over bet jaar 1879. De voorzitter stelt 
de leden Bauer, Onnen en Sluiter in commissie tot bet 
nazien der stukken. Zij bevinden alles accoord, waarna de 
Voorzitter den Heer Janssen van Ra au dank zegt voor zijn 
trouw en zorgvuldig beheer. 

XIV. De Voorzitter brengt ook zijnen dank namens de Di- 
rectie aan den Directeur van het Museum, Dr. Sluiter, voor 
de uitstekende wijze waarop hij zijne taak waarneemt en de 
toewijding, daarin betoond. Een en ander wordt door de ver- 
gadering blijkbaar met eenstemming begroet. 

XV. Het lid Janssen van Raaij biedt eene lijst van leden 
aan ter opname in het Tijdschrift. De leden zijn naar den 
ouderdom van hun lidmaatschap gerangschikt. 

In handen van den Redacteur. 

Hetzelfde lid wijst er tevens op 5 dal sedert geruimen tijd 



375 

geene aanvulling heeft plaats gehad van het aantal èorrespon- 
deerende leden . 

Er wordt besloten , dat eene lijst van de nederlandsehe en 
buitenlandsche correspondecrende leden aan de leden der l)i 
reclie zal worden aangeboden en zij zullen worden uilgenoo 
digd om elk een lijstje van namen oplemaken van die mannen 
welke huns inziens in de eerste plaats in aanmerking be 
hooren te komen en dat daarover in de volgende Bestuursver- 
gadering zal worden beraadslaagd . 

XVF. Het lid Cretieii brengt verslag uit over de samen- 
stelling der wateren, door den heer Vorderman van zijn tocht 
naar den »Salak" medegebracht. 

Opnemen in het Tijdschrift. 

XVII. Het lid Cretter biedt ter opname in het Tijdschrift 
aan een opstel «Over de bruikbaarheid van Pengaron-kolen 
(mijn Oranje-Nassau) voor lichtgas-bereiding" . 

De Voorzitter stelt de leden Bergsma en Onnen in commissie 
ter beoordeeling . 

XVIII. De leden Sluiter en Piepers beloven bijdragen re- 
spectievelijk over het conserveeren van zeedieren en vlinders 

Daarna wordt de vergadering gesloten. 

Goedgekeurd in de vergadering 
van 15 April 1880. 

(w. g.) Dr. C. L. VAN DER BURG, President. 
(w. g.) H. CRETIER, Secretaris, 



Vergadering der Directie, gehouden op 
15 April 1880. 

De Voor/i II er opent de vergadering. 

Aanwezig zijn de leden: van der Burg, Polak, van Dijk, 
Sluiter, van oer Stok, Onnen, Bauer , Hoorweg, Janssen van 
Raaij en Cretier, terwijl ook het lid Idsinga de vergadering 
bijwoont. 



574 

De notulen der vergadering van 18 Maart worden gelezen 
en goedgekeurd. 

De Voorzitter, mededeelende dat de Heer Bergsma door ziekte 
verhinderd is ter vergadering te verschijnen, noodigt Dr. Onnen 
uit verslag uittebrengen over het stuk van het lid Cretier, 
waarmede hij zich in de vorige vergadering heeft belast; het 
lid Bergsma is builen slaat geweest zich van die opdracht te 
kwijten. De conclusie van Dr. Onnen strekt tot opname in 
het Tijdschrift. 

Dienovereenkomstig wordt besloten. 

De Voorzitter stelt aan de orde de benoeming van corres- 
pondeerende leden in Nederland en in het Buitenland. Aangezien 
niet alle aanwezige leden hunne gedachten over dit onderwerp 
hebben laten gaan, worden na het noemen van verschillende 
namen de leden van der Stok en Cretier gecommitteerd om 
in de vergadering van Mei eene voordracht te doen. 

De Secretaris leest een ontwerp-circulaire voor, naar aan- 
leiding van de opdracht in de vergadering van Januari 11. Na 
eenige opmerkingen van verschillende leden worden President 
en Secretaris uitgenoodigd eenige wijzigingen in deze circu 
laire te brengen. 

De Voorzitter deelt mede, dat de Heer Mr. der Kinderen 
een verslag van de feestviering ter gelegenheid van het 50-jarig 
verblijf van den Heer Teijsmann alhier heeft opgesteld en dat 
de schrijver in de meening schijnt Ie verkeeren, dat de Di- 
rectie het stuk minder geschikt acht voor het Tijdschrift. 
Het lid Bauer merkt op, dat er dezen avond voor het eerst 
sprake is van de opname van bedoeld verslag in het Tijdschrift 
Wordt besloten een schrijven te richten aan den Heer der 
Kinderen, ten einde het misverstand uit den weg te ruimen 
en vergunning te vragen tot plaatsing van het verslag in het 
Tijdschrift . 

Het lid Sluiter wordt gemachtigd om op de vendntie der 
boeken van den Heer Dr. Scheffer de belangen der Vereeni- 
ging door aankoop van boeken te behartigen. 



'375 

Op voorstel van den Heer Slüitrr wonll besloten om te 
trachten <le Annals and Magazine of Nalural History te com- 
pleteeren. 

Het lid Sluiter biedt eenige resultaten van zijne zoölogische 
studiën voor het Tijdschrift aan en wordt gemachtigd om te 
zorgen voor de uitvoering der daarbij behoorende figuren. 

De Voorzitter deelt mede, dat Dr. Bergsma eenigen tijd elders 
herstel van gezondheid zal zoeken en hem daarom heeft ver- 
zocht ontheven te worden van het Redacteurschap. Bij de 
daarop gehouden stemming wordt gekozen als Redacteur van 
hel Tijdschrift Dr. Onnen. Dr. Onnen verklaart zich bereid 
de Redactie van het Tijdschrift op zich te nemen. 

De Voorzitter brengt de volgende stukken ter tafel : 

I. Een opstel aangeboden voor het Natuurkundig Tijdschrift 
van den Heer van der Kemi\ bevattende eenige algemeene be- 
schouwingen over de Wis- en Natuurkundige wetenschappen o 

In handen van Dr. Hoorweg en Dr. Onnen. 

II. Eene brochure van Dr. Swaving , getiteld : » Het Centraal- 
krankzinnigen gesticht te Buitenzorg." 

Wordt besloten den schrijver te bedanken en de brochure 
in de Bibliotheek te plaatsen. 

III. De Gouvernemenls-renvooien No. 5233, 5234, 5888, 
6024a en 6567, begeleidende de missiven: 

a. van den Gouverneur van Sumatra's Westkust, dd. 9 
Maart 1880, No. 2128; 

b. van den Gouverneur van Celebes en Onderhoorigheden , 
dd. 21 Februari 1880, No. 935/1; 

c. een telegram van den Resident van Cheribon, dd. 21 
Maart 1880, No. 1828; 

de missiven : 

d. van den Resident van Benkoelen, dd. 8 Maart 1880, 
No. 987; 

e. van den Resident van de Preanger Regentschappen , dd. 
27 Maart 1880, No. 5460/1 la E. 

24 



376 

allen handelende over waargenomen natuurverschijnselen. 

tn handen van Dr. Bergsma. 

IV. Eene circulaire van de American Academy of Arts and 
Sciences, houdende mededeeling van het plan tot viering van 
haar 100-jarig hestaan en eene uitnoodiging om gedelegeerden 
te zenden. 

Wordt besloten een schrijven van gelukwensching te zenden. 

V; Eene missive van den Secretaris der Zoölogical Society 
of London houdende kennisgeving van de ontvangst van deel 
XXXIII— XXX VIII 

Voor kennisgeving aangenomen 

VI. Van de ledenlijst worden gevoerd de Heeren W. Broese 
van Groenou , G . Stoll , A . M . Anthonijs , M . C . H . G . 
Coenen en A. de Vletter. 

VII. Tot leden worden benoemd de Heeren : 

Z. Exc. de Luitenant-Generaal K. van der Heijden, Kotta Radja. 

W. Godefroij, Ingenieur van het Mijnwezen , Blinjoe (Banka) 

J. F. A. Waszak, Officier van gezondheid, Singkel. 

J. B. Moquette, Employé aan de Suikerfabriek Ketegan bij 
Soerabaia . 

A. C. Uljee, Assistent Resident, Menado. 

Dr. J. J. E. Hartmann, Officier van gezondheid, Buitenzorg. 

H. van den Broek, Idem Tebing Tinggie. 

0. C. Eschauzier, Administrateur der Suikerfabriek Brangkal 
bij Modjokerto. 

Daarna wordt de vergadering gesloten. 

Goedgekeurd in de vergadering 
van 20 Mei 1880. 

(w. g.) VAN DER BURG, President. 

(w. g.) H. CRETIER, Secretaris. 



577 

Vergadering der Directie, gehouden op 
20 Mei 1880. 

De Voorzitter opent de vergadering. 

Aanwezig zijn de leden: van der Burg, Polak, Bauer , 
Janssen van Raaij, Sluiter, Onnen en van der Stok, terwijl 
ook het lid Sijthoff de vergadering bijwoont. 

De leden Bergsma, Cretier en Hoorweg hebhen kennis 
gegeven dat zij verhinderd zijn de vergadering hij te wonen. 

De Voorzitter noodigt het lid van der Stok uit de taak van 
den Secretaris te vervullen. 

De notulen der vergadering van 15 April worden gelezen 
en goedgekeurd. 

De volgende stukken worden ter tafel gebracht: 

I. Eene missive van den Directeur van Onderwijs, Eere- 
dienst en Nijverheid hegeleidende een exemplaar: Jaarboek van 
het Mijnwezen, 1879, IL 

Wordt besloten voor de toezending dank te zeggen en het 
werk in de Bibliotheek te plaatsen. 

II. Eene missive van den Gouvernements Secretaris begelei- 
dende de: Observations at the Observatory of Batavia, deel IV. 

Als boven. 

III. Eene missive van: the Departement of the Interior, 
Washington, begeleidende een exemplaar: Introduction to the 
Study of Sigu-Language among the N. A. Indians. 

Wordt besloten het werk in de Bibliotheek te plaatsen. 
De verlangde kennisgave van ontvangst is reeds afgezonden. 

IV. De gouvernements-renvooien N°. 7501 en 7761 , bege- 
leidende de missiven: 

a. van den Gouverneur van Celebes en Onderhoorigheden , 
dd. 24 Maart 1880, N°. 1371; 

b. van den Gouverneur van Sumatra's Westkust; dd. 3 
April 1880, N°. 2857, beiden handelende over waarge- 
nomen natuurverschijnselen. 

In handen van Dr. Bergsma, 



378 

V. Eene missive van Mr. T. H. der Kinderen naar aan- 
leiding van het schrijven der Directie (zie notulen der vorige 
vergadering). De heer der Kinderen maakt niet alleen geen 
hezwaar, maar zal zeer gaarne zien, dat zijn verslag ook in 
het Natuurkundig Tijdschrift wordt opgenomen en is bereid de 
Directie der Nederlandsen Indische Maatschappij van Nijverheid 
en Landbouw uit te noodigen van hare instemming te doen 
blijken. 

Wordt besloten den Heer der Kinderen te verzoeken dien- 
overeenkomstig te handelen. 

VI. Een schrijven van het lid KLasi is door den Secretaris 
reeds beantwoord. 

VII. Eene circulaire van de Directie der Nederlandsch-In- 
dische Maatschappij van Nijverheid en Landbouw, inhoudende 
eene uitnoodiging tot deelneming aan het voor de nagedachte- 
nis van Dr. Scheffer op te richten gedenkteeken. 

Wordt besloten honderd gulden bij te dragen. 

VIII. De commissie van rapporteurs omtrent het stuk van 
den Heer van der Kemp adviseert om dat stuk, waarvan zij 
overigens de verdiensten erkent, niet in het Tijdschrift op te 
nemen , als zijnde het onderwerp te zeer van bespiegelenden aard. 

Conform besloten. 

IX. De President leest een gewijzigd on twer p-circulaire 
voor — zie notulen der voorgaande vergadering — dat wordt 
goedgekeurd. Er wordt besloten de circulaire als bijlage bij 
het Tijdschrift te voegen en behalve dat nog duizend exem- 
plaren te doen drukken en verspreiden. 

X. De Voorzitter deelt mede, dat de Vereeniging drie harer 
correspondeerende leden , de Heeren G. J. Mulder , Snellen van 
Vollenhoven en de Graaf de Castelnau , door den dood heeft 
verloren. 

XI. Van de ledenlijst worden gevoerd de Heeren F. A, 
Enklaar van Guericke, M. J. P. Struik, A. G. Veldman, A. 
Vorstius, H. C. van Ruijven, Raden Saleh en J. G. van 
Oppenraaij, 



379 

XII. Worden benoemd : 

tot correspondeerende leden in Nederland de Hoeren : 



Dr. D. Bierens de Haan, 


te 


Leid» n 


P. van der Burg, 


» 


Nijmegen . 


Dr. H. C. Dibbits, 


» 


Utrecht . 


Dr Th. VV. Engelman, 


» 


ld. 


Dr. Th. Mac Gillavru, 


» 


Leiden . 


Dr. A. Heijnsius, 


» 


ld. 


Da. Th. Place, 


» 


Arasterdam 


Dr. E. van Rijckevorsel , 


» 


Rotterdam 


G. Westerman , 


» 


Amsterdam 


in het buitenland de Heeren: 






G. J. Allman, Med. Doet. 


te 


London . 


Ch. B. Darwin, 


» 


Kent . 


G. A. Daubree , 


» 


Parijs . 


H. Helmholtz, 


» 


Berlijn . 


J. C. Houzeau, 


V 


Brussel . 


Th. H. Huxley, 


» 


Londen . 


L. Pasteur, 


» 


Parijs . 



tot gewone leden de Heeren : 

J. C. von Hertling, Houtvester, Kediri. 

Gonrad Klüsi , Officier v. gezondheid, Muntok. 

J. Semmelink, Idem. Banda. 

G. A. Schouten, Controleur bij het Binnenlandsch Bestuur, 

Saparoea . 
C. F. Toorop, Assistent Resident, Sambas. 

Daarna wordt de vergadering gesloten. 

Goedgekeurd in de vergadering 
van 17 Juni 1880. 

(w. g.) VAN DER BURG, President. 

(w. g.) H. CRETIER, Secretaris. 



380 

Yergadering der Directie ^ gehouden op 
17 Juni 1880. 

De Voorzitter opent de vergadering. 

Aanwezig zijn de leden: van der Burg, van Dijk, Polak, 

VORDERMAN, VAN DER SïOK , ONNEN , JANSSEN VAN RaAIJ eil CRE- 

tier, terwijl ook het lid Mr. Piepers de vergadering bijwoont. 

Afwezig zijn de leden Bergsma en Sluiter, wegens ziekte. 

De notulen der vergadering van 20 Mei worden gelezen en 
goedgekeurd. 

De navolgende stukken worden ter tafel gebracht: 

I. De gouvernements-renvooien No. 10094,10968,11526— 
11529, 11612 en 11971, begeleidende de missiven: 

a. van den Resident van Soerakarla, dd. 15 Mei 1880, 
No. 1567; 

b. van den Resident van Kediri, dd. 24 Mei 1880, No. 
2805/5824 ; 

c. van den Resident van Kediri, dd. 28 Mei 1880, No. 
2866/5918; 

d. van den Resident van Probolingo, dd. 29 Mei 1880, No. 
2168a/56; 

e. van den Resident van Pasoeroean, dd. 29 Mei 1880, 
No. 2122/1; 

f. van den Resident van Soerakarta, dd. 51 Mei 1880, 
No. 1695; 

g. een telegram van den Resident van Cheribon , dd. 6 Jnni 
1880, No. 5692; 

h. eene missive van den Resident van Kediri, dd. 7 Juni 

1880, No. 5000/4127, 
allen handelende over waargenomen natuurverschijnselen. 
In handen van Dr. Bergsma. 

II. Eene missive van den Heer C . van Brink , begeleidende 
een postwissel groot vijflig gulden, door den inzender als Do- 
nateur aangeboden. 



581 

Wordt besloten den Heer van Brink namens de Directie te 
bedanken . 

III. Eene missive van den Heer der Kinderen , inhoudende . 
dat bij de Directie der Nederlaudsch-lndische Maatschappij van 
Nijverheid en Landbouw geene bezwaren beslaan tegen de op- 
name van ZEd's verslag van het Jubilé van den Heer J. E 
Teijsmann in het Tijdschrift. 

Wordt besloten dat verslag met de aanvulling , door den 
Heer der Kinderen aangeboden , optenemen in het Tijdschrift. 

IV. Eene missive van den Gouvernements-Secretaris , bege- 
leidende een exemplaar van Dr. A. B. Meuer's werk over 
Nieuw Guiuea. 

In de Bibliotheek opnemen. 

V. Eene circulaire van de sub-commissie voor het Hulde- 
blijk aan Z. Exc. den Luitenant Generaal van der Heijden. 

De Voorzitter betoogt, dat wel de bedoeling zal zijn om de 
leden der Directie individueel de gelegenheid te schenken om 
bij te dragen , aangezien de Directie eener Vereeniging als 
deze moeilijk kan worden bevoegd geacht om gelden af te zon- 
deren voor andere huldeblijken , dan voor verdiensten op het 
gebied der Natuurwetenschappen. 

VI. Eene circulaire van de: Connecticul Academy of Arts 
en Sciences, erkennende de ontvangst van Deel XXVI — XXXI 
en XXXIV-XXXVIII van het Tijdschrift. 

Voor kennisgeving. 

VIL Van de ledenlijst worden gevoerd : de Heeren A . J . 
Pluijgers, P. van der Weijde en J. J. M. Everts. 

VIII. Tot leden worden benoemd : 

Z. Exc. de Vice Admiraal J. van Gogh, te Batavia. 

W. J. Ankersmit, koopman, te idem. 

J. M. Baak, Adj. Inspecteur bij den Post- en Telegraaf- 
dienst, te idem. 

H. Demmenie, Luitenant Kolonel, te idem, en 

D. Lucassen te Tegal, de laatste voor de Vereeniging van 
Tegalsche suikerfabrikanten . 



582 



Voorts wordt besloten het exemplaar van het Tijdschrift , op 
het Gymnasium aanwezig, te compleleeren . 
Daarna wordt de vergadering gesloten. 

Goedgekeurd in de vergadering 
van 15 Juli 1880. 

(w. g.) VAN DER BURG , President 

(w. g.) tt. CRETIER, Secretaris. 

Vergadering der Directie, gehouden op 
15 Juli 1880. 

De Voorzitter opent de vergadering. 

Aanwezig zijn de leden: van der Burg, Vorderman, Onnen, 
van der Stok en Cretier , terwijl ook het gewone lid Mr. Pie- 
pers de vergadering bijwoont. De leden Polak, Sluiter en 
Bergsma gaven kennis, dat zij verhinderd waren de vergadering 
bij te wonen, de beide laalsten wegens dienstreizen. 

De notulen der vergadering van 17 Juni worden gelezen en 
goedgekeurd . 

Ingekomen zijn : 

I. Het verslag over de Gouvernements-Kinaeultuur over 1879. 
Wordt besloten dit verslag in het Tijdschrift op te nemen 

II. De Gouvernements-renvooien No. 12061 , 13308 en 
13868, hegeleidende de missiven: 

a. van den Resident van Soerakarta, dd. 9 Juni 1880, No. 1888 ; 

b. van den Resident der Preanger Regentschappen, dd. 26 
Juni 1880, No. 7056/17a. 

c. van den Gouverneur van Celebes en Onderhoorigheden , 
dd. 19 Juni 1880, No. 2634; 

allen handelende over waargenomen natuurverschijnselen. 
In handen van Dr. Bergsma. 

III. Eene missive van den Heer Drissen, inhoudende eene 
klacht over den toestand van het door hem gehuurde bijge- 
bouw der Vereeniging. 



585 

Wordt besloten den Heer Drissen te antwoorden , dat <! 
handelingen van den Commissaris voor de gebouwen geene 
aanleiding hebben gegeven ZEd. daarover van wegen de Ver- 
eeniging te inlcrpelleeren , maar dat waarschijnlijk bij de Di- 
rectie der Nederlandsen- Indische Maatschappij voor Nijverheid 
en Landbouw, waarvan de Heer Douwes Dekker lid is, de 
zaak uitvoeriger en meer afdoende zal zijn behandeld. 

IV. Eene missive van den Secretaris van het Instituut voor 
de Indische Taal-, Land- en Volkenkunde te 's Gravenhage, 
inhoudende de mededeeling, dat, terwijl nu en dan uilwisse- 
ling van geschriften heeft plaats gehad , de Natuurkundige 
Vereeniging niet te min op de lijst der bevriende Vereenigingen 
ontbreekt, en het voorstel om wederzijds dit verzuim te her- 
stellen . 

In handen van den Secretaris om in overleg met den Biblio- 
thekaris te beantwoorden. 

V. Eene circulaire van de: Société d'Eludes des Sciences 
Naturelles de Beziers, inhoudende den wensch om inwisseling 
van edita te treden. 

In handen van den Bibliothekaris , die wordt uitgenoodigd , 
om deze Vereeniging te plaatsen op de lijst der Vereenigin- 
gen, waarmede edila worden gewisseld. 

VI. Tot leden worden benoemd de Heeren : 

A. C. Hissink, Adjunct-Inspecteur, bij den Post- en Tele- 
graafdienst, Lahat. 

P. Tak, Apotheker, Soerabaia. 

N. J. Deltour, Apotheker, Probolingo. 

Dr. A. Prins, Arts, ld. 

J. W. Zuur, ld. Malang. 

Daarna wordt de vergadering gesloten. 

Goedgekeurd in de vergadering 
van 16 September 1880. 
(w. g.) VAN DEB BUBG, President. 
(w. g.) H. CBETIEK, Secretaris. 



384 

Vergadering der Directie, gehouden op 
19 Augustus 1880. 

De Voorzitter opent de vergadering. 

Aanwezig zijn de leden: van der Burg, Bergsma, Bauer , 
Polak, Vorderman, van Der Stok, Hardeman , Janssen van 
Raaij en Cretier, lerwijl ook het lid Piepers de vergadering 
bijwoont. 

De Heer van Dijk gaf kennis verhinderd te zijn de verga- 
dering bij te wonen. 

De notulen der vergadering van 15 Juli worden gelezen. Zij 
worden ter nadere uitwerking aan den Secretaris geren voyeercl. 

De Voorzitter brengt de volgende stukken ter tafel. 

I. Eene missive van den Chef der afdecling Statistiek van 
den navolgenden inhoud: 

Batavia, den 7 Augustus 1880. 

Door den Oppcrbibliothecaris van de Koninklijke Bibliotheek 
te Berlijn, Dr. Lepsius, is mij onlangs een lijst toegezonden 
van werken en tijdschriften op Nederlandsen Indië betrekking 
hebbende, welke in genoemde Bibliotheek ontbreken, doch op 
het bezit waarvan door die Inrichting veel prijs wordt gesteld. 

Op die lijst komt o. a. ook voor het Tijdschrift uwer Ver- 
eeniging . 

Mogt uwe Directie genegen zijn een exemplaar van dat 
Tijdschrift aan de Koninklijke Bibliotheek te Berlijn af te slaan, 
dan geef ik haar in overweging de aanbieding daarvan door 
mijne tusschenkomst te doen plaats hebben , vermits de ver- 
zending er van dan tegelijk zal kunnen geschieden met eenige 
voor hetzelfde doel door de Regering afgestane werken. 

Wenscht uwe Directie in ruil voor haar Tijdschrift het een 
of ander werk op het gebied harer werkzaamheid van Rege- 
ringswege in Pruissen uitgegeven te ontvangen, dan zal ik 
mij ook gaarne met het overbrengen van dien wensch belasten • 

De Chef der afd. Statistiek ter 

Algemeene Secretarie, 

(w. g.) H. KUNEMAN. 



385 

De Voorzitter deelt mede, dat hij naar aanleiding dier missive 
den Bibliothecaris heeft uitgenoodigd voor de geregelde toezen- 
ding van het Natuurkundig Tijdschrift zorg te dragen , en vraagt 
deswege de goedkeuring der vergadering , die verleend wordt 

Naar aanleiding der slot-alinea deelt de Bibliothecaris mede, 
dat bereids door hem eene opgave is gevraagd der werken 
door de Koninklijke Pruisische Regeering uitgegeven. 

II. De gouvernements-renvooien No. 14219, 14508, 15178» 
15180, 15195, 15196, 15200, 15528, 15613 en 16352, be- 
geleidende : 

a. een telegram van den Resident van Cfreribon , dd. 10 Juli 
1880, No. 4645; 

de missiven : 

b. van den Resident der Lampongsche Districten, dd. 6 Juli 
1880, No. 1858; 

c. van den Resident van Probolingo, dd. 17 Juli 1880, 
No. 2892a/56; 

d. van den Resident van Kediri , dd. 17 Juli 1880, No. 
2782/5184; 

e. van den Resident van Madoera, dd. 15 Juli 1880, No. 
1545/5; 

f. van den Resident van Soerabaia, dd. 17 Juli 1880, 
No. 8656; 

g. van den Resident van Proholingo, dd. 15 Juli 1880. 

No. 2878a/56; 
h. van den Resident van Pasoeroean , dd. 16 Juli 1880 

No. 2878/1; 
i. van den Gouverneur van Celebes en Onderhoorighedcn , 

dd. 15 Juli 1880, No. 2967/1; 
k. van den Resident van Rezoeki , dd. 50 Juli 1880 , No. 2U/42 ; 
allen handelende over waargenomen natuurverschijnselen. 
In handen van Dr. Bergsma. 

III. Eene missive van den Heer Oudemans , inhoudende ver- 
beteringen van verschillende opgaven in het Tijdschrift, wordt 
in handen van den Redacteur gesteld. 



586 

IV. Van de ledenlijst worden gevoerd de Heeren J. P. 
van Lier, A. Stoll, J. P. G. Giu venhorst, H. Oosterwijk , 
L. Fitz Verploegh en L. B. van Maanen. 

V. Tot leden worden benoemd de Heeren : 
C. J. van Motman, Landeigenaar, Jassinga, 
W. Thieme, Koffieplanter, Malang. 

R. J. Blok, idem, Blitar. 

J. P. G. Kruit, Assistent-Resident, Painan 

J. Bischoff, Administrateur, ïegal. 

A. E. van Swieten, idem, Toelong Agong. 

H . A . Mehlbaum , Tabaksplanter , Tomanggang . 

Mr. H. D. Levijssohn Norman , Lid in den Raad van N. I. 
Batavia. 

L. F. de Liser de Morsan, Secretaris , Pontianak. 

W. J. J. Docters van Leeuwen , Kolonel der Infanterie, 
Ambarawa . 

W. E. M. S. Aernout, Controleur bij het Binnenlandsch 
Bestuur , Banjermassing . 

J. A. H. Marx, Administrateur, Ketegan. 

H. J. M. van Belle, idem, Pasoeroean. 

W. J. Geertsema, Planter, Bondowoso. 

G. A. Bergmans, Administrateur, Tegal. 

P. Zet-kr, Koffieplanter, Soekaboemie. 

W. E. Kimball, Landheer, Tjikandi Oedik. 

K. F. ten Siethoff, Assistent-Resident , Billiton. 

F. Raat, Werktuigkundige, Pati. 

J. F. H. Schültz, Controleur bij het Binnenlandsch Be- 
stuur, Manna. 

Alph Keijner, Administrateur, Kendal. 

J. van der Laan, idem, Bodja. 

J. D. Kruseman, Suikerfabrikant, Waroe (Soerabaja). 

P. J. van Houten, Koopman, Padang. 

J. C. L, J. van Deun, Erfpachter, Malang. 

A. E. van Riel, Geëmployeerde, Tjomal. 

A. D. F. F. Boutmij, Administrateur, Buitenzorg, en 

F. Darlang, Landhuurder, Bodja. 



387 

VI. Eene nadere missive van den Heer Drissen (zie notulen 
der voorgaande vergadering) wordt in handen van den Secretaris 
gesteld ter toezending aan den Heer Douwes Dekker niet ver- 
zoek om bericht, consideratie en advies. 

VII. Eveneens wordt in handen van den Secretaris gesteld 
eene circulaire van den Chef der afdeeling Statistiek inhoudende 
eene herinnering aan de circulaire van den Eersten Gouver- 
nements-Secretaris, dd. 23 Juli 1878, N°. 1024. 

VIII. De Heer Piepers biedt voor de bibliotheek aan een 
exemplaar van het werkje »de Amboinsche Hagedis" van J. A. 
Schlosser , merkwaardig wijl de handteekening van den schrij- 
ver op het titelblad voorkomt. 

De Voorzitter betuigt den Heer Piepers deswege dank. 
Daarna wordt de vergadering gesloten. 

Goedgekeurd in de vergadering 
van 16 September 1880. 

(w. g.) VAN DER BURG, President. 

(w. g.) H. CRETIER, Secretaris. 



Vergadering der Directie, gehouden op 
16 September 1880. 

De Voorzitter opent de vergadering. 

Aanwezig zijn de leden: van der Burg, van Dijk, Onnen, 
Sluiter, Janssen van Raaij, van der Stok en Polak, terwijl 
ook het lid Piepers de vergadering bijwoont. 

De leden Bergsma en Cretier gaven kennis, dat zij verhin- 
derd waren de vergadering bij te wonen. De Voorzitter noodigl 
den Heer Polak uit, de taak van den laatste te vervullen. 

De notulen der beide voorgaande vergaderingen worden ge- 
lezen en goedgekeurd. 

De Heer Mr. Piepers wordt als dirigeerend lid der Vereeniging 
gekozen en door den Voorzitter uitgenoodigd in de Directie zitting 
te nemen , hetgeen door den heer Piepers wordt aangenomen , 



388 

De Voorzitter deelt mede , dat in de herstelling van het bij- 
gebouw, bewoond door den Heer Drissen, wordt voorzien. 
De navolgende stukken zijn ingekomen. 

I. De gouvernements-renvooien No. 18546, 18792, 18794 
18914, 18925, 18926 en 18928 , begeleidende: 

a. een telegram van den Resident van Cheribon, dd. 2 Sep- 
tember 1880, No. 95491; 

de missiven: 

b. van den Resident van Soerakarta, dd. 2 September 1880, 
No. 2971; 

c. van den Resident van Kedoe, dd. 1 September 1880, 
3780/44; 

d. van den Resident van Ratavia, dd. 8 September 1880, 
No. 6052; 

e. van den Resident der Lampongsche Districten , 7 Sep- 
tember 1880, No. 2297; 

f. zan den Gouverneur van Sumatra's Westkust, dd. 1 
September 1880, No. 7134; 

y. van den Resident der Lampongsche Districten, dd. 2 

September 1880, No, 2291; 
allen handelende over waargenomen natuurverschijnselen. 
In handen van Dr. Rergsma. 

II. Eene missive van den Directeur van Onderwijs, Eere- 
dienst en Nijverheid, begeleidende een Gouvernements-Resluit, 
waarbij 93 huiden van zoogdieren en vogels door den Heer 
Carl Rock , in de Zuid-Ooster Afdeeling van Rorneo verzameld , 
voor het Museum der Vereeniging worden afgestaan. 

In handen van het lid Sluiter, om het noodige te doen. 

III. Een brief van Dr. Ploem, inhoudende dat de prijs der 
Encyclopaedie d'Histoire Naturelle van Chenül ƒ 75. — a 
ƒ 80.— bedraagt. 

Wordt besloten het werk niet te koopen. 

IV. Eene missive van de firma Ernst & C°. waarin eenige 
deelen van het Tijdschrift worden verlangd. 



389 

Wordt besloten de noodige exemplaren voor den prijs van 
ƒ 10. — beschikbaar te stellen. 

V. Tot leden worden benoemd de Heeren: 

F. W. Fabius, Administrateur, Bandong. 

A. H. Hilling, Erfpachter, Blitar. 

J. D. Romswinckel, Luitenant Kolonel, Palembang. 

J. M. Verheij, Erfpachter, )Ialang. 

H. A Coblijn, Majoor der Infanterie, Weltevreden. 

W. van Swieten, Landeigenaar, ïjikandic Ilir. 
terwijl de Heeren D. Gerth van Wijk, J. Faes, M. J. H. 
ter Linden, J. H. C. Godin en G. J. N. Loomeijer van de 
ledenlijst worden gevoerd. 

Nadat nog het lid Sluiter een door hem in Straat Soenda 
gevangen exemplaar van Amphioxus Lanceolatus heeft vertoond, 
wordt de vergadering gesloten. 

Goedgekeurd in de vergadering 
van 21 October 1880. 

(w. g.) VAN DER BURG, President. 

(w. g.) H. CRETIER, Secretaris. 



Vergadering der Directie, gehouden op 
21 October 1880. 

De Voorzitter opent de vergadering. 

Aanwezig zijn de leden der Directie van der Burg, Janssen 
van Raaij, van Dijk, Piepers en Cretier, terwijl de gewone 
leden Seijthoff en Breitenstein eveneens de vergadering bij- 
wonen . 

De dirigeerende leden Sluiter, van der Stok, Bergsma en 
Onnen gaven kennis, dat zij verhinderd waren de vergadering 
bij te wonen. 

De notulen der vergadering van 16 September worden ge- 
lezen en goedgekeurd. 

De Voorzitter deelt mede, dat de Vereeniging het verlies 



590 

heeft te betreuren van het lid C , van Brink , die kortelings 
als Donateur was toegetreden. 

De volgende stukken worden ter tafel gebracht. 

I. De Gouvernemenls-renvooien No. 18658, 19055, 19120, 
19551, 19555 en 19554, begeleidende de missiven: 

a. van den Resident van Bantam, dd. 7 September 1880, 
No. 15571/52; 

b. van den Resident der Preanger Regentschappen, dd. 9 
September 1880, No. 9791/17a E- 

c. van den Resident van Kediri, dd. 8 September 1880, 
No. 4652/6516; 

d. van den Resident der Lampongsche Districten, dd. 19 
September 1880, No. 2590; 

e. van den Resident der Lampongsche Districten , dd. 9 
September 1880, No. 2522; 

f. van den Resident van Benkoelen, dd. 16 September 1880, 
No. 5089 ; 

allen handelende over waargenomen natuurverschijnselen. 
In handen van Dr. Bergsma. 

II. Eene missive van den Gouvernements-Secretaris, bege- 
leidende 1 exemplaar van het 5 e stuk van Dr. E. van Rijcke- 
vorsel's verslag over zijne magnetische opneming van den In- 
dischen Archipel. 

III. Eene missive van het lid Heringa, aanbiedende om op 
voorkomende boeken-venduties in zijne woonplaats Utrecht in 
het belang der Vcreeniging werkzaam te zijn. 

Door de ziekte van den Bibliolhckaris wordt het nemen van 
het besluit hieromtrent tot na zijne terugkomst verdaagd. 

IV. Missiven van de Heeren Bierens de Haan , van der Burg, 
van Rijckevorsel , D\rwin en Hoüzeau , allen inhoudende dank- 
betuigingen voor de eer hunner benoeming tot correspondee- 
rende leden der Vereeniging. 

Voor kennisgeving aangenomen. 

Het lid Cretier deelt mede, dat hij tegelijkertijd een par- 
culier schrijven van Dr. Bierens de Haan heeft ontvangen, 



391 

waarin deze voor de boekerij der Vereeniging eenige zijner 
geschriften aanbiedt , indien die nog niet aanwezig zijn . 

De President noodigt het lid Cretier uit het noodige te doen , 
opdat aan die toezegging gevolg worde gegeven 

V. Tot leden worden benoemd de Heeren:' 
Ch. Lelieveld , Administrateur , Pasoeroean . 

Dr. P. A. Platteeüw, Officier van Gezondheid, Batavia. 
B Blumenthal, Planter, Bekalla (Deli). 
H. F. Neumann , Kantoor-chef bij den Pest- en Telegraafdienst, 
Kendal . 
J. J. Boeije, Verificateur, Batavia. 

VI. Van de ledenlijst worden gevoerd de Heeren A. A. 
Kemper en F . M . . A . Perk . 

VII. De Secretaris wordt gemachtigd om in overleg met 
Dr. Onnen den dag voor de Algemeene Vergadering in de vol- 
gende maand vast te stellen. 

VIII. Het lid van Dijk deelt op eene vraag van Dr. Bergsma 
mede, dat de Directie der Nederlandsch-Indische Maatschappij 
van Nijverheid en Landbouw, naar aanleiding der gerezen ge- 
schillen tusschen den Directeur der Gebouwen en den Huurder, 
over de noodzakelijkheid eener reparatie aan het bijgebouw, 
in overleg met onze Directie besloten heeft de bijgebouwen te 
doen in orde brengen. 

IX. De Heer van Dijk deelt mede dat de Heer Doüwes 
Dekker als Directeur der Gebouwen is afgetreden en hij in 
diens plaats is verkozen. 

X. De President deelt namens den Heer Dr. Sluiter mede, 
dat de van het Gouvernement ontvangen vogelhuiden , benevens 
die van een paar zoogdieren , voorloopig niet kunnen worden 
opgezet, omdat de daartoe aangewezen persoon niet meer te 
Batavia aanwezig is. 

XI. Eene circulaire van hel Bestuur van het «Congres della 
Societa Geographica ,, te Rome, houdende kennisgeving van en 
vragende medewerking voor eene tentoonstelling. 

Voor kennisgeving. 

25 



592 

De Voorzitter deelt mede, dat hij bij den Heer Teijsmann 
elf Emeu-eieren zag, allen afkomstig van hetzelfde paar dieren 
en waarvan de eerst gelegden de bekende ruwe en donker 
groene schaal hadden, die later in vuil bruin verandert, ter- 
wijl de later gelegden allengs bleeker van kleur worden, en 
de schaal volkomen glad wordt. 

De Heer Sijthofp deelt een en ander mede over insecten 
door hem verzameld en de bewaring er van. 

Het lid Piepers merkt op, dat de reputatie van het Liquor 
Wichersheim eenigszins geüsurpeerd is, aangezien de kleuren 
der voorwerpen verdwijnen. Het lid Cretier herinnert, dat de 
door hem volgens 't recept bereide vloeistof een wit precipi- 
taat afzette en het lid Polak wijst op eene kritiek van dat recept, 
voorkomende in het : Archiv ftir Pharmacie , aldus luidende : 

„OVER HET VOCHT VAN WICHERSHEIM 
DOOR O. JACOBSEÏT. 

«Het voorschrift ter bereiding van deze vloeistof zooals 
»het door het Pruisische Ministerie van Onderwijs na aankoop 
»van het Patent werd medegedeeld, is als volgt: In 3 Liters 
•kokend water worden 100 gr. Aluin, 25 gr. Zout, 12 gr. 

• Salpeter, 60 gr. Potasch en 10 gr. Arsenigzuur opgelost. 
•Men laat bekoelen en filtreert. Bij 10 liters van het ni- 
traat voegt men 4 liters Glycerine en 1 liter Amylalcohol. 

»Door eene latere mededeeling blijkt, dat er eene fout in dit 
•voorschrift was en men voor 10 gr. Arsenigzuur 20 gram 

• heeft te lezen. 

•Het valt onmiddellijk in het oog en is reeds van verschil- 
lende kanten opgemerkt, dat het gelijktijdig gebruik van 
•Aluin en Potasch volkomen doelloos is. 

• Immers drie gevallen zijn mogelijk. De hoeveelheid kali 
•der potasch kan toevallig juist toereikend zijn om al de 

• alluinaarde neer te slaan en bovendien het arsenigzuur in 
•kalium-arseniet om te zetten (1) of er kan meer (2) of min- 
der zijn (5). 



393 

»1. In het eerste geval zijn, voor de 20 gr. arsenigzuur, 14 
»gr. kaliumcarbonaat noodig en in het. geheel 57.6 gr. ka- 
«liumcarbonaat van 96 °/ . De vloeistof, van de volkomen 
«afgescheiden aluinaarde afgefiltreerd , zou zeer zwak alkalisch 
«reageeren en, ongerekend eene mogelijke verontreiniging met 
«potasch, eene oplossing zijn van keukenzout, henevens van de 
«sulfaten, nitraten en arsenieten van kali. 

»De hoeveelheid dier zouten in de volumeneenheid zou 
«evenwel afhangen van het al of niet uitwasschen van het 
«sediment, waarover het voorschrift zwijgt. Neemt men aan, 
«dat des uitvinders doel eene vloeistof is, die de grootste hoe- 
» veelheid in water oplosbare zouten bevat, welke uit de door 
»hem voorgeschreven ingrediënten kan worden gevormd, dan 
«had hij dit doel eenvoudiger kunnen bereiken, door het vol- 
ogende recept, waarin de aluin, die minstens nutteloos is, ont- 
«breekt: 20 gr. Arsenigzuur, 14 gr. Kaliumcarbonaat, 12 gr. 
«Salpeter , 25 gr. Zout, 18.5 gr. Kaliumsulfaat en 3 liters Water, 

«2. In het tweede geval — wanneer meer kaliumcarbonaat 
«wordt aangewend — spreekt het van zelve, dat er evenmin 

• aluin-aarde in de vloeistof is, die nu sterker alkalisch reageert 
«en, behalve de genoemde bestanddeelen, kaliumcarbonaat bevat, 

»3. Door eindelijk minder kaliumcarbonaat of kaliumcar- 
«bonaat van een minder procentgehalte aan te wenden, wordt 
»niet al de aluinaarde geprecipileerd, en slechts voor dit geval 
«zou de aanwending van aluin rationeel zijn. Een gedeelte 
»der aluinaarde blijft dan als basisch zwavelzuur zout en als 
«basisch arsenigzuur zout in oplossing en wel des te meer 
«naarmate minder kaliumcarbonaat is aangewend. 

«Leidt men uil het gebruik eener aluminium-verbinding 
«af, dat de uitvinder de aluinaarde in zijne oplossing wenschte, 
«dan ware dit doel beter bereikt door het arsenigzuur in een 
«minimum van kaliumcarbonaat (en water) op te lossen, deze 
«oplossing met de oplossing van zout, aluin en salpeter te 
«vermengen en bij de koude vloeistof nog zooveel potasch te 

• voegen, als zij zonder blijvende troebeling kan verdragen 



394 

»Eene dus bereide vloeistot reageert zuur, wordt na eeni- 
»gen tijd van zelve, en bij verhitting onmiddellijk, troebel , 
«terwijl bovendien is gebleken, dat zij voor bet conserveeren 
»van preparaten geheel onbruikbaar is." 

Het overige der verhandeling van den Heer Jacobsen heeft 
betrekking op een onderzoek van eene door een Duitsche firma 
als Liquor Wicbersheim in den handel gebrachte vloeistof. 

Daarna wordt de vergadering gesloten. 

Goedgekeurd in de vergadering 
van 16 December 1880. 

(w. g.) VAN DER BURG, President. 

(w. g.) H. CRETIER, Secretaris. 



Algemeene Vergadering, gehouden op 
22 lovember 1880. 

Aanwezig zijn de meeste Bestuursleden en een groot aantal 
leden en geïntroduceerden met hunne Dames. 

De Voorzitter opent de vergadering, heet de aanwezigen 
welkom en deelt mede, dat het verslag over het vorige jaar, 
door den afgetreden Voorzitter, Dr. Bergsma, uitgebracht, ter 
tafel is gedeponeerd. Hij vestigt de aandacht op de uitbrei- 
ding , die de Bibliotheek heeft ondergaan , vooral door aankoop 
van grootere werken, handelende over de natuurlijke geschie- 
denis van Ned.-Indië, en dat het Museum, door den ijver en 
de uitstekende zorgen van Dr. Sluiter, zeer is vergroot en 
vele reeds aanwezige voorwerpen beier zijn opgesteld en ge- 
diagnostiseerd. De Voorzitter noodigt daarna den Heer Dr. 
Onnen uit, om aan zijn voornemen tot het houden eener voor- 
dracht te voldoen. 

Dr. Omen spreekt over Energie, geeft eerst eene korte her- 
innering aan het 30-jarig bestaan der Vereeniging en zet daarna 
in duidelijke beelden uiteen, wat in de wetenschap en in het 



395 

dagelijksch leven onder energie verstaan wordt, welke verge- 
lijking door de geheele voordracht heen wordt volgehouden. 
Hij behandelt eene reeks van natuurkundige verschijnselen , 
waarbij energie in den vorm van warmte verbruikt of opge- 
wekt wordt, heldert het vermelde telkens door duidelijk spre- 
kende proeven op en spreekt vooral over de energie , die in 
den vorm van een galvanischen stroom wordt ontwikkeld door 
het bewegen van een magneet in een spiraal vormig opgewon- 
den koperdraad. Daarbij verhaalt hij, hoe de werkman Gramme 
die beweging door verschillende middelen regelmatig wist te 
doen plaats vinden en zoo het toestel vervaardigde, dat zulk 
eene belangrijke rol vervult bij het in den laatsten tijd zoo 
veelvuldig besproken electrisch licht. Zulk een toestel wordt, 
in zijne werking, vertoond. 

De voordracht, met belangstelling aangehoord, wordt door 
de aanwezigen zeer toegejuicht. 

De Voorzitter bedankt den Heer Onnen namens de Vereeni- 
ging en speciaal namens de aanwezigen voor zijne genomene 
moeite en de toehoorders voor hunne belangstelling. 

De vergadering wordt daarop gesloten. 

Goedgekeurd in de vergadering 
van 16 December 1880. 

(w. g.) VAN DER BURG, Voorzitter. 
(w. g.) H. CRETIER, Secretaris. 



Vergadering der Directie, gehouden op 
16 December 1880. 

De Voorzitter opent de vergadering. 

Aanwezig zijn de leden van der Burg , Sluiter , Bergsma , 
van Dijk, Polak, Piepers, Vorderman, Onnen, Janssen van 
Raaij en Cretier, terwijl het lid van der Stok verhinderd is 
de vergadering bij te wonen. 



596 

De Voorzitter deelt naar aanleiding van het in de Öctober- 
vergadering ingekomen schrijven van het lid Heringa mede, 
dat de Bibliothekaris van meening is 1 , dat der Vereeniging 
door hare connectiën met de Heeren Nijhoff en FRiEDLaNDER 
wegen genoeg openstaan, om hare verzamelingen te comple- 
teeren, terwijl daarenboven het doen eener opgave aan den 
Heer Heringa moeielijk is en men genoodzaakt zou zijn, be- 
stellingen te vertragen , ten einde den uitslag der pogingen 
van den Heer Heringa af te wachten, weshalve hij aanraadt, 
beleefdelijk voor het aanbod te bedanken. 

Conform besloten. 

De notulen der vergadering van 21 October en van de al- 
gemeene vergadering van 22 November worden gelezen en 
goedgekeurd. 

De Voorzitter deelt mede, dat, in overleg met de leden 
Sluiter en Piepers, door hem over ƒ 100. — is beschikt voor 
den aankoop eener verzameling naturaliën van Riouw, door 
een repatrieerend militair verzameld, en vraagt hierop de goed- 
keuring der vergadering, die verleend wordt. 

De navolgende stukken zijn ingekomen : 

I. De gouvernements-renvooien No. 21520, 21605, 22294, 
22295, 22462 en 23529—^5531, begeleidende de missiven: 

a. van den Gouverneur van Snmalra's Westkust, dd. 12 
Oct. 1880, No. 8254; 

b. van den Resident van Benkoelen, dd. 6 Oct. 1880, No. 
3319; 

c. van den Resident van Palembang, dd. 7 Oct. 1880, No. 
4627/5 ; 

d. van den Resident van Palembang, dd. 15 Oct. 1880, No. 
4744/5 ; 

e. van den Resident van Timor, dd. 11 Oct. 1880, No. 1105; 
/. » » Gouverneur van Sumatra's Westkust, dd. 8 Nov. 

1880, No. 8977; 
g. van den Gouverneur van Sumatra's Westkust , dd. 9 
Nov. 1880, No. 9022; 



397 

h. van den Resident van .lapara, dd. 29 Oct. 1880, No. 

4991/1; 
allen handelende over waargenomen natuurverschijnselen. 
In handen van Dr. Bergsma. 

II. Eene missive van den Heer R. Ü. M. Verbeek , bege- 
leidendc eene verhandeling over nieuwe geologische ondekkin- 
gen op Java. 

Wordt besloten tot opname in het Tijdschrift. 

III. Eene missive van den Directeur van Onderwijs, Eere- 
dienst en Nijverheid, dd. 12 Nov., inhoudende eene uilnoodi- 
ging, om aan te toonen, dat Gouvernements-subsidie ook voor 
het jaar 1882 noodzakelijk is. 

Hieraan is bereids voldaan. 

IV. Eene missive van den Heer Robillard op het eiland 
Mauritius. Naardien reeds een wissel van ƒ 200, — aan den 
Heer Robillard is afgezonden , wordt besloten daarnaar te ver- 
wijzen. 

V. Eene missive van den Directeur du Jardin Impérial de 
Botanique, te St. Petersburg, begeleidende de »Acta Horti 
Petropolitani " , Tom. VI fase 2. 

VI Missiven van de Heeren Allman, Daubrêe, Dibbits, En- 
gelman, Heijnsiüs, Mac Gillavry en Westerman, allen inhou- 
dende dankbetuigingen voor de eer hunner benoeming tot 
correspondeerende leden der vereeniging. 

VII. Van de ledenlijst worden gevoerd de Heeren: L. C. 

VAN NOUHUIJS , P. H. B. VAN WIJNGAARDEN , P. R. DE ROCHEMONT , C. 

Kater, F. Havinga., S. Jacobs Az., D. F. Stoll Jr. , A. H. 
Berkhout, J. W.. Schneider , G. J. H. Furnée , D. Maarschalk , 
W. E. Schenk, H. von Gaffron en H. Holtz. 

VIII. Tot leden worden benoemd de Heeren: 

J. J. Roelofs. Tolk voor de Chineesche taal, Batavia. 
R. D. M. Verbeek, Mijn-Ingenieur, id. 

H. C. Steenbergen, Dir. off. v. Gez. bij de Marine, id. 
J. G. Tamson, Hoofdonderwijzer, id. 

G. E. V. L. van Zuijlen, Lt. Kol. der Genie, id. 

Dr. M. Treub, Dir. van 'sLands Plantentuin, Buitenzorg. 



398 

J. E. Gribling , Administrateur , Deli. 
H. E, van Berckel, Ingenieur bij de Batav. Havenwer- 
ken, Batavia. 

IX. Eene missive van de Heeren FRiEDLaNDER en Som*, 
begeleidende eene nota van geleverde boeken. 

X. Eene missive van den Heer Mr. J. W. T. Cohen 
Stuart, begeleidende een ex. van een Lygaeus-soort . 

De inlichtingen, door Mr. Cohen Stuart gevraagd, worden 
den Secretaris door de leden Sluiter en Piepers toegezegd, 
om daarvan bij zijn antwoord gebruik te maken. 

XI. Dr. Bergsma biedt zijn verslag aan over de aardbe- 
vingen in den Indischen Archipel in 1879. 

Wordt besloten tot opname in het Tijdschrift. 

Hel lid Sluiter doet mededeelïng van een schrijven van den 
Heer Sijthoff, inhoudende, dat door hem eenige schelpen en 
steehen in het Museum zijn gebracht, afkomstig uit de Tjita- 
rum- en de Rongahdistricten , Preanger-Regentscbappen , en 
verzameld door den Heer H. M. van Heinsel. 

Het lid Sluiter, als Directeur van het Museum geïnterpel- 
leerd over de door den Heer Sijthoff beloofde Insekten-ver- 
zameling, deelt tnede, dat die nog niet in het Museum is ge- 
deponeerd . 

6e Redacteur van het Tijdschrift wijst er op, dat volgens 
het contract met de firma Ernst & Co. elk deel uit 4 drie- 
maandelijksche afleveringen zal bestaan, terwijl het reglement 
van 6 afleveringen spreekt. Hij vraagt hieromtrent inlichtingen. 

Het lid Bergsma zet uiteen, hoe deze tegenstrijdigheid ont- 
staan is. Vroeger waren de gewone leden niet verplicht con- 
tributie te betalen ; wie echter het Tijdschrift wilde ontvangen t 
moest er op ïnleekenen tegen ƒ 10. — voor een deel van 30 
vel druks, uit Ie geven in 6 afleveringen. Later werd bepaald, 
dat de gewone leden / 12.— 'sjaars contributie zouden be- 
talen en daarvoor jaarlijks een deel van het Tijdschrift zouden 
ontvangen. Daar echter niet elk jaar 50 vellen druks konden 
uitgegeven worden, werd de omvang van één deel afhankelijk 



399 

gesteld van de in den loop van elk jaar inkomende bijdragen , 
die, zoo mogelijk, over 4 afleveringen zonden verdeeld worden . 
Bij eene eventueele herziening van hel reglement zal hierop 
gelet moeten worden. 

Hel lid Janssen van Raaij deelt mede, dat het correspon- 
deerende lid Owen is overleden. 

Wordt besloten die vacature in eene volgende zitting aan 
te vullen. 

Op verzoek der Geneeskundige Vereeniging wordt besloten , 
het ex. van het Natuurkundig Tijdschrift, behoorende aan die 
Vereeniging, te completeeren . 

De Secretaris deelt mede, dat hij gedurende de laatste twee 
maanden genoodzaakt is geweest, af te wijken van de gewoonte, 
om aan nieuwe leden een ex. van den Catalogus en een ex. 
der Wetten toe te zenden , aangezien er geene exemplaren meer 
voorhanden zijn. 

Wordt besloten de Wetten onverwijld te laten herdrukken 
en, wat den Catalogus betreft, te wachten, tot de Bibliothe- 
caris met het Catalogiseeren der geheele Bibliotheek gereed is. 
De vergadering gaat daarna over tot het verkiezen van Dig- 
nitarissen in het Bestuur voor het jaar 1881 . 
Gekozen worden : 

tot President Dr. P. A. Bergsma ; 

tot Vice-president Dr. C. L. van der Burg : 

tot Directeur van het Museum. Dr. C. Ph. Sluiter; 

tot Bibliothecaris Dr. J. P. van der Stok ; 

tot Thesaurier H. L. Janssen van Kaalj ; 

tot Secretaris Dr. H. Cretier ; 

tot Redacteur Dr. H. Onnen. 

De gekozenen laten zich de keuze welgevallen. 
Daarna wordt de vergadering gesloten. 

Goedgekeurd in de vergadering 
van 17 Februari 1881. 
(w. g.) VAN DER BURG, President, 
(w. g.) H. CRETIER, Secretaris. 



BOEKWEEKEI 

TER TAFEL GEBRACHT IN DE VERGADERINGEN VAN DE DIRECTIE 



DER 



KOHHTKLIJKE MTUÜRKTODIGE VEREEHMM 
lkwi et p;mm: het jaar isso. 



Koninklijke Academie van Wetenschappen te Haarlem 

Verslagen en Mededeelingen. 

Afd. Natuurkunde: 2e reeks, 14e deel, 3e stuk. 

15e » , Ie — 3e stuk. 
Afd. Letterkunde: 2e reeks, 8e » , Ie — 3e stuk. 

9e » , Ie stuk. 
Verslag aan Z. E. den Min. van Koloniën over eene magneti- 
sche opneming van den Indischen Archipel in de jaren 
1874 — 1879 gedaan, door Dr. van Rijckevorsel. 
Verslag aan Z. E. den Min. van Koloniën over eene magneti- 
sche opneming van den Indischen Archipel in de jaren 
1874 — 1877, gedaan door Dr. van Rijckevorsel. 
Met eene kaart. 2e gedeelte (Horizontal Intensity). 
Verhandelingen . 

Afd. Natuurkunde: 19e deel. 
Afd. Letterkunde: 12e deel. 
Bijdrage tot de kennis der Mikroskopische Fauna en Flora 
van de Bandazee, naar aanleiding van een onderzoek van 



401 

eenige diepzeeloodingen van 900 lol 4000 vademen uit die 
zee opgebrachte gronden, door P. Harting. 

Jaarboek voor 1878. 

Processen-verbaal van de gewone vergaderingen van Mei 1878 — 
April 1879. 

Koninklijk Instituut voor Indische Taal-, Land- en Volkenkunde. 

Bijdragen, 4e volgreeks 3e deel Ie — 3e stuk. 

4e » Ie — 3e » 

Reizen naar Ned. Nieuw-Guinea , ondernomen op last der Re- 
geering van Ned. Indië in de jaren 1871, 1872, 1875 — 
1876 door de Heeren P. van der Crab en J. E. Teltsmann , 
J. G. Coorengel en A. J. Langeveldt van Hemert en P. 
Sivaan. Met geschied- en aardrijkskundige toelichtingen 
door P. J. B. C. Robidé van der Aa . 

Reistochten naar de Geelvinkbaai of Nieuw-Guinea in de jaren 
1869 en 1870 door C. B. H. von Rosenberg, Ambtenaar 
belast met wetenschappelijke onderzoekingen in Ned. Indië. 

Nieuw-Guinea, ethnographisch en natuurkundig onderzocht en 
beschreven in 1858 door een Ned. Ind. Commissie. Met 
bijlagen, 26 platen en Atlas met 7 kaarten. 

Reizen en onderzoekingen in den Indischen Archipel, gedaan 
op last der Ned. Ind. Regeering tusschen de jaren 1828 
en 1836 door Dr. Salomon Muller. Nieuwe uitgaven met 
verbeteringen door den schrijver. 2 dln. 

Maatschappij van Nijverheid en Landbouw in Ned. Indie. 

Tijdschrift, deel XXIV Afl. 11 en 12. 
» XXV » 1—7. 

Nederlandsche Maatschappij ter bevordering van Nijverheid. 

Tijdschrift, 4e Reeks, deel 3, November en December 1879. 

» 4, Januari — September 1880. 
Punten van beschrijving voor de 103e Algemeene Vergadering 

en het Congres op 13 Juli 1880 en volgende dagen inliet 

Concerthuis te Groningen. 



402 

Handelingen van de 105e Algemeene Vergadering en van het 
Congres, gehouden te Groningen op 13—14 Juli 1880 

Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen. 

Verhandelingen, deel 39, 2e stuk. 

» 41, Ie en 2e stuk. 
Notulen der vergaderingen, deel XVII, 2—4. 

» XVIII, 1, 2. 
Tijdschrift voor Indische taal-, land- en volkenkunde, 
deel XXV, afl. 5 en 6. 
» XXVI, » 1—4. 

Koninklijk Instituut van Ingenieurs 

Tijdschrift, 1878—79, afl. 3, 3e ged. 

» 4, 4e » 
» 5, Ie » 
1879—80, afl. 1, Ie en 2e ged. 
» 2. Ie » 2e » 
» 3, Ie » 2e » 
» 4, Ie ged. 
» 5, Ie en 2e ged. 
Extra-aflevering. Stroomsnelheidsmetingen op de rivieren den 
boven-Rijn en zijne takken en de boven-Maas in de jaren 
1875 — 77, overgenomen uit de verslagen aan den Koning 
over de openbare werken , met 70 platen. 
Register 1869—79. 

Algemeen verslag van de werkzaamheden, Rekening en ver- 
antwoording, lijst van geschenken en naamlijst der Leden 
over het Instituut-jaar 1879 — 80. 
Afdeeling Ned. Indië, Tijdschrift 1878—1879. 

1879—1880. 

Hollandsche Maatschappij van Wetenschappen te Haarlem. 

Archives Néerlandaises des sciences exactes et naturelles . 
tome XIV, livraison 5 — 5. 
» XV, » 1, 2. 



405 

Programma voor de jaren 1879 en 1880. 
Natuurkundige verhandelingen, 3de verz. Deel IV, te stuk. 
Untersuchungen über den Bau und die Entwickelungsgeschichte 

der Hirudineën von Dr. C. K. Hoffmann. Mit 12 Tafeln 
Musée d'Histoire naturelle des Pays-Bas, par H. Sghlegel. 
Livr. 10—12, Leide 1873, 1874 et 1876. 

Aardrijkskundig Genootschap, gevestigd te Amsterdam. 
Tijdschrift, deel IV No. 1—3. 

Bijbladen, No. 6. De verslagen omtrent den tocht met de 
» Willem Barents" naar en in de IJszee in den zomer 
van 1879. Met eene kaart. 

Indisch Genootschap. 
Notulen; vergadering van 3 Juni 1879. 
» » 23 December » 

» 20 Januari 1880. 
Verslagen; algemeene vergadering van 1879. 

Nederlandsche Dierkundige Vereeniging. 
Tijdschrift; 4e deel, 3e en 4e afl. 
5e » , Ie » 2e » 

Vereeniging tot bevordering der Geneeskundige Wetenschappen 
in Ned. lndië. 
Tijdschrift, deel 20, nieuwe serie deel 9, afl. 3 en 4. 
21, » »> » 10, » 1. 

Indisch Aardrijkskundig Genootschap. 
Tijdschrift, Ie jaargang, Ie afl. 

Koninkl. Nederl. Meteorol. Instituut. 
Ned. Meteorol. jaarboek, 1879, 31e jaargang, Ie deel, 

lnstitut Royal-Grand-Ducal de Luxembourg, 
Publications, Tomé XVII. 
Section sciences nat. et matli. lome XIV. 
Observations météorologiques, faites a Luxembourg par F. Reu- 
ter. 2me volume. 

Sociétè entomologique de Belgique. 
Comptes rendus, série II, No. 60 — 72. 
Annales, Tomé 22. 



404 

Académie royale de Médeclne de Belglque. 
Mémoires couronnés et autres mémoires, 
tome V, 5me— 6me fascicule. 

Muséum d'hlstoire naturelle a Paris. 
Nouvelles Archives, 2me série, tome II. 

Soclèté d'étude des sciences naturelles de Bezlers. 
Compte rendu des séances, lre année, 1876. 

2me » ,1877. 
3me » , 1878, fase. 1 en 2, 

Soclété nationale des sciences naturelles de Cherbourg. 
Mémoires, tome XXI (3me série, tome I). 

Académie des sciences, arts et belles lettres de Dy on. 
Mémoires, 5me série, tome V, années 1878 — 79. 

Naturforscbende Gesellscbaft in Zuricb. 
Vierteljahrschrift , 25er Jahrgang, Heft 1—4. 

Soclété de Pbysioue et d'Histoire naturelle de Genève. 
Mémoires, tome 26, 2me partie. 

Senckenbergiscbe Naturforscbende Gesellscbaft. 
Abhandlungen , Band VIII, Heft 3—4 mit 19 Tafeln. 
IX, . 1—2 * 12 ; 
XI, » 4 » 16 

Berichte 1872—73 (duplicaat). 
1878—79 
Königl. Preussiscbe Akademie der Wissenscbaften zu Berlin. 
Monatsberichte , Juli — December, 1879. 
Febr.— Juni 1880. 
Kon. fiais. Geolog. Reicbsanstalt. 
Verhandlungen , 1879, No. 7—12. 
Jahrbuch, Jahrgang XXIX, Band 2—4. 

Königl. Gesellscbaft der Wissenschaften zu Göttingen. 
Abhandlungen, Band XXIV— XXV, 1879. 
Góttingsche gelehrte Anzeigen, 1879, Band I — II. 
Nachrichten 1879. 

Terein für Mur- und Heilkunde zu Presburg. 
Verhandlungen, Jahrg, 18.71—72. Neue Folge, Heft 2. 



405 

Verein für Erdkunde xa Leipzig 
Mittheilungen 1878, 1879. 
Jahresbericht XIX, vier karlen und Bibliotheks-Oidnimg 

Königl. Böhm. Gesellschaft der Wissenschaften in Prag 
Silzungsberichte, Jahrg. 1877—1878. 
Abhandlungen , 1877—1878. 
Jahresberichte, 9 Mai 1877. 
10 » 1878. 

Verein zur Verbreitung naturwissenschaftlicher Kenntnisse 
in Wien. 
Schriften 1860—61, 1874- -715, 1876—77, 1878—79, 
Eön. Kais. Zoologisck-Botanische Gesellschaft In Wien 
Verhandlungen , Jahrg. 1879, Band XXIX. 

Kön, Kais. Geographlsche Gesellschaft in Wien 
Mittheilungen 1875—79. 

Pollichia. Naturwissenschaftl. Verein der Rheinpfalz. 
Jahresberichte, XXVI1I-XXXV. 
Nachtr. zu XXVIII u. XXIX. 

Kön. Kais. Akademie der Wissenschaften zu München 
Sitzungsber. der malhem.-physikalischen Classe 
1878, Heft 4. 

1879 » 1—4. 

1880 » 1. 

Kaiserliche Leopoldinlsch-Carolinische Deutsche Akademie der 
Naturforscher. 
Verhandlungen, Band XL, mlt 29 ïafeln. 
Numquam oliosus. Leopoldina. Ambliches Organ. Heft 12 — 15 

Jahrg. 1876—79. 

Naturwissenschaftliche Gesellschaft Isls in Dresden. 
Silzungsberichte, Jahrg. 1879. 

Naturforschende Gesellschaft zu Leipzig. 
Sitzungsberiehte, Jahrg. V, 1878. 

Verein für Natnrkunde in Cassel. 
Catalog, 1875. 
Bericht über die Vereinsjahre 1878—1880, XXVI, XXVII. 



406 

Verein für Irdfcunöe zu Halle 
Mittheilungen , 1879. 

Offenbacher Verein für Naturkunde 

Bericht über die Thatigkeit des Vereins in den Vereinsjahren 
von 9 Mai 1875 bis 13 Mai 1877, No. 17—18. 

Verein für Naturwissenschaft zu Braunschweig. 
Jahresbericht für 1879—80, in duplo. 

Physikalisch-medicinische Societat zu Erlangen. 
Sitzungsberichte, Heft II, Nov. 1878 bis Aug. 1879. 

Verein für Erdknnde und verw. Wissenschaften zu Darmstadt 
Notizblatt, III Folge, 18er Heft, No. 205—216. 

Ober-Hessische Gesellschaft für Natur- and Heilkunde 
Achtzehnter Bericht, met 2 lithographirten Tafeln. 

The royal physical Society at Edinburgh. 
Proceedings, Sessions 1875 — 78. 

The Linnean Society of London. 
Transactions , Botany, 2d serie, vol. I, part 5 — 6. 
Zoology, 2d » » I 5—8. 

Journal, Botany, vol. XVI, No. 93—97. 
p XVII » 98-102. 
Zoology, » XIII, » 72. 

» XIV » 73—79. 
List 1877. 

The Essex Institute 
Bulletin, vol. IX— X, 1877—78. 

Smithsonian Institution. 

Contributions to knowledge, part 9 — 12, 14, 16, 18. 

Annual report of the board of regents, 1876—77. 

Miscellaneous Collections, part 8—9, 13—15. 

Bureau of Elhnology. Introduction to the study of sign lan- 
guage among the North-american Indians as illustrating 
the gesture speech of mankind. Washington 1880. 

Academy of natural sciences of Philadelphia. 
Proceedings, vol. 1 — 3. Jan. — Dec. 1879. 



407 

Boston Society of nataral Htstory 
Memoirs, vol. II, part IV, No. 6. 

» III » I . 1—2. 
Proceedings, vol. III — IV , 2. 

> XIX , t— 4. 
. XX ,1. 

American Academy of Arts and Sciences 
Memoirs , vol. I — V. 
Proceedings, vol. I— III, VI — VIII. 

Report of the Commissioner of Agriculture. 
1877. Washington 1878. 

American association for the advancement of Science 
Proceedings, 26lh meeling, Aug. 1877. 
27th . . ' 1878. 

Connecticut Academy of Arts and Sciences. 
Transactions , vol. V, part 1. 

La R. Accademia dei Lincei a ftoma 
Atti, vol. IV fase. 1—7. 

Societa Adriatica di scienze naturali di Trieste 
Bolleltino, vol. V. 

Cosmos, Comunicaiioni sui progressi piu recenti e notevoli della 
geografla e delle scienie affini di Guido Gora. 
T. V, 9—12. 
. VI, 1—4. 
Academia Naclonal de Giencias de la Republica Argentina 
Boletin, Tomo III, Enir. 1. 

Bureau géologique de Suède a Steckholm 
Sveriges geologiska Untersökning. 
Serie Aa No. 68, 69, 71, 72. 
» A6 » 3—5. 
» G » 29, 31—35. 
Om Faunan i Lagren med paradoxides Ölandicus, af G. Lin- 
karson . 

Académie royale de Copenhague. 
Mémoires 5me série, vol. 11, No. 6 

» 12, . 5 

26 



408 

Oversigt over dot Kongelige Danske Videnskabernes Selskabs 
Porhandlinger og dets Medlemmers Arbejder. 
Aaret 1879, No. 3. 
» 1880, » 1. 

Videnskabelige Meddellelser fra den Naturhistoriske Forening 
i Kjöbenhavn. 

1879—1880, 2det Hefte. 

Academie Impériale des sciences de St. Pètersbourg. 
Mémoires, tome 19, No. 7. Studiën über den Amphioxus 
lanceolatus von Dr. Ludwig Stieda. Mit 4 Tafeln (iu Ie 
5 Sept. 1872) tome 26, No. 12—14. 
» 27, » 1. 
Bulletins, tome 2S, No. 5, 4. 

Acta Hortl Petropolita&l. 
Tom VI , Fase. 1 . 



Koloniaal verslag. 1879, pag. 145—220; bijlagen. 

Annalen der Sternwarte in Leiden von Dr. F. Kaiser, Ier u. 
3er Band. 

Jaarboek van het Mijnwezen In Ned. Oost-Indie. 8e jaargang, 2da 
deel, 1879. 9e jaargang, Ie deel. 

Observations made at the magnetical and meteorologlcal observatory at 
Batavia, by Dr. P. A. Bergsma. Vol. 4. 

Regenwaarnemingen in Ned. Indie, door Dr. P. A Bergsma, Ie 

jaargang, 1879. 
Verslag van den staat van 'siands Plantentuin te Buitenzorg. 1877 

en 1878. 
Annales de Chlmie et de Physique. 5me série. 
Tome XVIII, Nov.— Déc., 1879. 
» XIX , Janv.— Juin, 1880. 
» XX , Juill.—Aoüt, 1880. 
» XXI , Sept.— Oct., 1880. 
öömptes rendus hebdomadaires des séances de r Académie de sciences. 
Tome LXXXIX, 13—26. 



409 



1 


-10. 


1 


-2. 


0- 


-12. 



1, 3—9. 



Tomé XC , 1-26 

■ XCI , 1—16. 
Tables, tome LXXXVIII en LXXXIX. 
Annalen der Phys. n. Chemie, von G. Wiedemann. 
Band VIII, 1879, No. 11—12 
» IX , 1880, » 

• X , 1880, • 
Beiblatler, Band III , 1879, No 

• IV , 1880, . 
Berichte der Deutschen Ghemischen Gesellschaf t , 13er Jahrgang , 

No. 13, 14. 
Archif für Naturgeschichte von Dr F. H Troschell. 
Jahrg. 44, Heft 4. 

45, * i>. 

46, • 1—3 

The Chemical News and Journal of Physical science Vol. 42, No, 

1081, 1083. 
Entomologisk ïidskrift, pa föranstaltande af entomologiska föreningen 

i Stockholm f ulgifven af Jacob Spangberg, Bd. I, 1880, 

Haft 2. 



Systematisches Conchylièn-Cabinet, Band II, Heft 23, Band 
VII, Heft 13, Lief. 288—292.— 

Catalogue of the Acanlhoplerygian Fishes in the collection 
of the British Museum by Dr. Albert Günther I— VIII. — 

Catalogue of the specimens of Amphipodous Crustacea in the 
collection of the British Museum by G. Spence Bote. — 

Johis Edward Gray. Synopsis of the species of starfish in 
the British Museum. — 

Theodore Lyman. Illustrated Catalogue of the Museum of 
comparative Zoölogy, Ophiuridae and Astrophytidae , met sup- 
plement . — 

Münday (John). Rapport omtrent de mijndisti icten op Su- 
matra's Westkust .— 



410 

Verslag over de Nederlandsehe afdeeling op de internatio- 
nale tentoonstelling, gehouden te Parijs in 1878. Leiden 1879. — 

Bibliotheca Historico-Naturalis , R. FaiEDLaNDER & Sohn, 
Berlin. — 

Voyage aux Indes-Orientales, par Ie Nord de i'Europe, par 
M. Charles Bélanger , et Atlas. — 

The zoology of the voyage of H. M. S. Samarang under 
the command of Captain Sir Edward Belcher during the years 
1843—46.— 

James D. Dana. On the Classification and Geographical dis- 
tribution of Crustacea from the report on crustacea of the Uni- 
ted States exploring expedition, under Captain Charles Uilkes 
during the years 1838 — 42. — 

Charles Darwin. A Monograph on the sub-class Cirripedia 
with figures of all the species. The Lepadidae (or pedunculated 
Cirripedes). — 

Charles Darwin. A Monograph on the sub-class Cirripedia 
with figures of all the species. The Balanidae (or sessile Cirripe- 
des); the Verrucidae. — 

Baird (W.). The natural History of the British Enlomostraca. — 

Kroyer, Kareinolog. Abhandlungen I en II. — 

Bell (Thomas). A history of the British stalk-eyed Crus- 
tacea. — 

Sars (G. 0.) Beskrivelse af de paa fregatten Josephinesr 
expedition fundne Cumaceer.— 

Nouvelles suites a Buffon. Histoire Naturelle des Coralliai- 
res ou Polypes proprement dits, par H. Milne Edwards, I, 
II, III avec planches. Livraison I, II, III. 

Nouvelles suites a Buffon. Histoire Naturelle des Crustacées ; 
comprenant F Anatomie, la Physiologie et la Classification de 
ces animaux par M. Milne Edwards , I , II , III et planches. — 

Collection des suites a Buffon. Histoire Naturelle des An- 
nelés marins et d'eau douce. Annélides et Géphyriens, par 
M. A. de Quatrefages I, II, et planches.— 

Oeuvre faisant suite aux oeuvres de Buffon. Histoire Na- 



411 

turelle générale et particuliere des Crustacées et des Insectcs, 
par P. A. Latreille, I — XIV. — 

Dr. Eschscholtz (Fr.). System der Acelaphen. Eine aus- 
führliche Beschreibung aller Medusenartigen Strahlthiere. Ber- 
lin, 1829.— 

Mertens (C. H.). Ausführliche Beschreibung der von G. H. 
Mertens auf seiner Weltumsegelung beobachteten Schirmqual- 
len nebst allgemeinen Bemerkungen über die Schirmquallen 
überhaupt von Dr. J. F. Brandt. St. Petersburg, 1838. — 

Dr. Gegenbaur (Carl). Beitrage zur naheren kenntniss der 
Schwimmpolypen (Sinophoren). Leipzig, 1854. — 

Dr. Gegenbaur (Carl). Neue Beitrage zur naheren Kenntniss 
der Siphorophoren . — 

Dr. Schmidt (Oscar). Grundzüge einer Spongïen-fauna des 
Atlantischen Gebietes. Leipzig, 1870. — 

Forbes (Edward). A monograph of the British naked-eyed 
Medusae with figures of all the species. — 

The oceanic Hydrozoa, a description of the Golycophoridae 
and Physophoridae , observed during the voyage of H. M. S. 
Ratllesnake in the years 1846 — 50. — 

Semper (C). Zoologische Aphorismen. — 

Gunther (Albert). On the Reptiles and Amphibians of 
Borneo. — 

Quatrefages (M . A. de) . Mémoire sur la distribution Géo- 
graphique des Annélides. — 

Audouin et Milne Edwards. Recherches pour servir a This- 
toire naturelle du littoral de la France ou recueil de mémoires 
sur TAnatomie, la Physiologie, la Classification et les Moeurs 
des animaux de nos cótes. — 

The zoölogy of the voyage of H. M. S. Erebus and Terror 
under the command of captain Sm James Clark Ross during 
the years 1839 to 1843. — 

Dr. Muller und Dr. Troschel (Johannes und Franz Her- 
mann). System der Asteriden. — 



412 

Brandt (Johanne Friderico). Prodromus descriptionis anima- 
lium ab H. Mertensio obsen atoruni . — 

Agassiz (Alexander). Zoölogical Results of the Hassler Ex- 
pedition (Echini). — 

Lyman (Theodore). Zoölogical Results of the Hassler Expe- 
dition (Ophiuridae and Astrophytidae) . — 

Dr. Semper (C). Reisen im Archipel der Philippinen. — 

Dr. Gunther. Reptiles of British India. — 

Muller (Salomon). Over de zoogdieren van den Indischen 
Archipel. Natuurkundige commissie in Ned. Indie. — 

Lesson (René Primevere). Histoire Naturelle des Zoophytes 
(Acalèphes) . — 

Bowerbank (J. S.). Report on a Collection of Sponges found 
al Ceylon by E. W. H. Holdsworth. — 

Lacaze-Dutkiers (H.). Histoire Naturelle du Corail , Organi- 
salion . Reproduction , Pêche en Algérie , Industrie et tlom- 
merce . — 

L. Agassiz. Monographies d'Echinodernies vivans et fossiles. 
Neuchatel en Suisse. 1838. Deel I les Salenies. 
id. » II les Scutelles. 

id. » III les Galérites et les 

Dysaster. 
id. » IV TAnatomie du gen- 

re Echinus. 
id. » V Planches. — 

Dr. Martens (E. v.). Ueber Ostasiatische Echinodermen . — 

Ehlers (Ernst). Die Borslenwürmer (Annelida cbetopoda) 
nach systematischen und anatomischen Untersuchungen. I und 
II. Leipzig, 1864.— 

Glaparède (Edouard). Les Annélides Ghétopodes du Golfe 
de Naples I, II & III.— 

Baird. Aphrodilacea k Amphinomacea , 2 memoirs. — 

Malesia, Raccolta di osservazioni botaniche intorno alle 
piante deir Arcipelago Indo-Malese e Papuano pubblicata da 
Odoardo Beccari, deslinata principalmente a descrivere ed illus* 



413 

trare Ie pianle da esso raccolte in quelle regioni durante i viaggi 
eseguite dall'anno 1865 air anno 1876, vol. I, fase. 1, 2, 3. — 

Repertorium op de koloniale Litteratuur of systematische 
Inhoudsopgaaf van hetgeen voorkomt over de Koloniën be- 
oosten de kaap in mengelwerken en tijdschriften, van 1595 
tol 1865 uitgegeven in Nederland en zijne overzeesche bezit- 
tingen , door J. G. Hooijkaas , in leven kommies hij het Dep. 
van Koloniën, ter perse bezorgd door Dr. W. N. du Rieu; 5e 
stuk, 2e deel, Ie helft. — 

Het centrale krankzinnigen-gesticht te Buitenzorg door Dr. 
C. Swaving. — 

Histoire naturelle générale des Pigeons et des Gallinacés par 
C. J. Temminck, accompagné de planches anatomiques. 3e T. 
Paris et Amsterdam, 1813. — 

De Holothuriis, Disserlatio inauguralis quam consensu et 
aucloiitate graliosi medicorum ordinis in alma universitate 
litteraria Turicensi ut summi in medicina et chirurgia hono- 
res rite sibi concedantur die 9 Novembris 1855. Publice de- 
fensurus est auctor 6. F. Jaeger. — 

Temminck (C. J.) Monographies de Mammalogie ou descrip- 
tion de quelques genres de Mammifères, dont les espèces ont 
été observés dans les difFérens musées de l'Europe; ouvrage 
accompagné de planches d'Ostéologie , pouvant servir de suite 
et de complément aux Notices sur les animaux vivans , publiées 
par M. Ie baron G. Cuvier, dans ses recherches sur les osse- 
ments fossiles; lome 1 et 2. Paris et Amsterdam, 1827.— 

Schlegel (H.). De vogels van Ned. Indie. Haarlem, 1866. — 

A. H. van der Boon Mesch. Disputatio geologica de in- 
cendiis montium igni ardentium insulae Javae, eorurademque 
lapidibus. Lugduni Batavorum apud Haak et socios, 1826. — 

Kussendrager (R . J. L.). Natuur- en Aardrijkskundige be- 
schrijving van het eiland Java. Groningen 1841. — 

Rosenberg (C . B. H. von) . Reistochlcii in de afdeeling Go- 
rontalo gedaan op last der Nederlandsen-Indische regering. 
Amsterdam 1865.— 



414 

Temminck (Dr . G . J . ) . Voorschrift hoedanig te handelen met 
voorwerpen van Natuurlijke Historie, ten einde dezelve be- 
hoorlijk te verzenden en voor bederf te bewaren ; ten gebruike 
van het 's rijks museum van Natuurlijke historie te Leijden 
1825.— 

Mémoire sur les Quadrumanes et les Cheiroptères de 1' Ar- 
chipel Indien par un ancien officier supérieur de Tlntendance 
Militaire de 1'armée des Indes Néerlandaises. Amsterdam 1863. — 

Susanna (J. A.). Levensschets van Hendrik Boie en hulde 
aan zijne deugden en verdiensten benevens eenige door hem 
geschrevene brieven, gedurende zijne reis en verblijf in Oost- 
Indiê. Amsterdam, 1834. — 

Siebold (Ph. F. de) et Mevill de Carnbee (P.). Le Moni- 
teur des Indes orientales et occidentales, recueil de mémoires 
et de notices scientiflques et industriels, de nouvelles et de 
faits importants, concernant les possessions Néerlandaises d'Asie 
el d'Amérique, publié sous les auspices de S. A. R. Monseig- 
neur le Prince Henri des Paus Bas, avec la coopération de 
plusieurs membres de la société des Arts et des sciences de 
Batavia. La Haye et Batavia, 1847. — 

Temminck (C. .!.). Verhandelingen over de Natuurlijke Ge- 
schiedenis der Ned. overzeesche bezittingen door de leden der 
Natuurkundige commissie in Indië en andere schrijvers, uitge- 
geven op last van den Koning (land- en volkenkunde). Leiden 
1839—1844.— 

Temminck (C. J.). Verhandelingen over de Natuurlijke Ge- 
schiedenis der Ned. overzeesche bezittingen door de leden der 
Natuurkundige commissie in Indië en andere schrijvers, uitge- 
geven op last van den koning (Zoölogie). Leiden, 1839 — 1844. — 

Temminck (C. J.). Verhandelingen over de Natuurlijke Ge- 
schiedenis der Ned. overzeesche bezittingen door de leden der 
Natuurkundige commissie in Indië en andere schrijvers, uit- 
gegeven op last van den koning (Botanie). Leiden , 1839 — 42. — 

Valentijn (P.). Oud en nieuw Oost-Indiën, vervattende een 
Naauwkeurige en Uitvoerige Verhandelinge van Nederlands mo- 



415 

gentheid in die Gewesten, benevens eene wijdlustige beschrij- 
ving der Moluccos, Amboina, Banda, Timor en Solor, Java 
en alle de Eilanden onder deszelfs landbestieringen behooren- 
de, het Nederlandsch Comptoir op Suratte en de levens der 
Groote Mogols, alsook een keurlijke verhandeling van 't we- 
zenlijkste, dat men behoort te weten van Coromandel, Pegu, 
Arracon , Bengalen , Morha , Persiën . Malncca , Sumatra , Cey- 
lon, Malabar, Celebes of Macassar, China, Japan, Tayowan 
of Formosa, Tonkin, Cambodia, Siam, Borneo, Bali, Kaap 
de Goede Hoop en van Mauritius; in vijf deelen. Dortrecht en 
Amsterdam, 1724. — 

Ueber den Bau und die Lebenserscheinungen des Branchios- 
toma lubricum Costa , Amphioxus lanceolatus Yarrel. Gelesen 
in der Kön. Akademie der Wissenschaften zu Berlin am 6 
December 1841 von J. Muller, mit 5 Kupfertafeln. — 

Ueber Synapla Digitata und über die Erzeugung van Schnec- 
ken in Holothurien von Joh. Muller, mit 10 Kupfertafeln. — 

Nouveau recueil de planches coloriées d'oiseaux pour servir 
de suite et de complément aux planches enluminées de Buffon , 
publié par C. J. Temminck et Ie baron Meiffren Laugier de 
Chartrouse; 5 T. pi. — Paris et Amsterdam 1838. — 

Iconographie des pigeons non figurés par Mad. Knip (Mlle. 
Pauline de Caircelles) dans les deux volumes de M. M. Tem- 
minck et Florent Prêvost par Charles Lucien Bonaparte, ou- 
vrage servant d'IUustration a son Histoire Naturelle des pigeons. 
Paris, 1857.— 

Coup d'oeil général sur les possessions Néerlandaises dans 
1'Inde Archipélagique par C. J. Temminck. Trois volumes. 
Leide, 1846—49.— 

Zoological researches in Java and the neighbouring islands 
by Thomas Horsfield. London, 1824. — 

Natuurkundige beschrijving eener uitmuntende verzameling 
van zeldzame gedierten , bestaande in Oost- en West-Indische 
viervoetige dieren, vogelen en slangen, weleer levend voor- 
handen geweest zijnde, buiten den Haag, op het Kleine Loo 



416 

van Z. D. H. den Prins van Oranje Nassau, door A. Vosmaer, 
met naar 't leven geteekende en gecouleurde Afbeeldingen. 
Amsterdam, 1804.— 

Die papageien monographisch bearbeitet von Otto Finsch, 
1 Band, 2 Band, Ie en 2e helft.— 

Descriptive catalogue of a Zoological collection , made on ac- 
count of the ïlonourable East India Company, under the di- 
rection of Sir Thomas Stamford Raffles with additional notices 
illustrative of the Natural History of those countries by Sir 
Th. Stamford Raffles, communicated by Sir Everard Home, 
Bart . — 

Voyage aux Indes-Orientales , par Ie Nord de 1'Europe, les 
provinces du Caucase , la Georgië , 1' Armenië et la Perse , suivi 
de détails topographiques , statistiques et autres sur la Pégou, 
les iles de Java, de Maurice et de Bourbon, sur Ie cap de 
Bonne Espérance et Sainte-IIélène , pendant les anuées 1825, 
1826, 1827, 1828 et 1829, publié sous les auspices de M . M. 
les Ministres de la Marine et de 1'Intérieur par M. Charles 
Bélanger. Zoölogie, Ie 2e deel. — 

Die Neuausstellung des Herzogl. naturhistorischen Museums 
zu Braunsehweig. Erlautert von Professor Dr. Wilh. Blasius. 
Braunschweig , 1879. — 

On the Zoology of New Guinea by Philip Lutley Sclater.— 

Naturhistorische Früchte der ersten Kaiserlich-Russischen un- 
ter dem Kommando des Herrn v. Krusenstern glücklich voll- 
brachten Erdumseeglung gesammelt von Dr. Tilesius, Natura- 
listen der Expedition. Mit kolorirten Kupfern. St. Petersburg, 
1815.— 

Bibliotheca Historico-Naturalis et Mathematica. Lager Catalog 
von R. FRiEDLaNDER u. Sohn. Berlin , 1880. — 

Rambles of a naturalist on the shores and waters of the 
China sea : being observations in natural history during a voyage 
to China , Formosa , Borneo , Singapore , etc. made in Her Ma- 
jesty's Vessels in 1866 and 1867 by Cuthbert Collingwood. — 

Natuur- en geneeskundige topographie van Agam (Westkust 



417 

van Sumatra) door E. W. A. Ludeking. 's Gravenhage, 1867. — ■ 

Conspeclus generum Avium, auctore Carolo Luciano Bona- 
parte. Lugduni Batavorimi , 1850. — 

GüLiELMi PisoiMs , Medici Amstelaedamensis , de Indiae utrius" 
que re Naturali et Medica libri quatuordecim. Amsterdam. — 

Fainula Indica , id est Catalogus animaliuui Indiae Orientalis 
quae hactenus Naturae curiosis innotuerunt, concinnatus a 
Joanne Latham et Hugone Davies , secundis curis editus, cor- 
rectus et auctus a Joanne Reinholdo Forster. — 

Voyage dans 1'lnde par Victor Jacquemont pendant les années 
1828 a 1832, publié sous les auspices de M. Guizot, Ministre 
de Tinstruction publique. 4 volumes. Paris, 1841. — 

Voyage dans 1'Inde par Victor Jacquemont pendant les années 
1828 a 1832 publié sous les auspices de M. Guizot, Ministre 
de rinstruclion publique. 2 volumes. Atlas. Paris, 1844. — 

Kan in tropische gewesten droogte en daaruit volgende hon- 
gersnood voorspeld, of de waarschijnlijkheid er van aangeno- 
men worden? door Prof. Dr. J. A. C. Oudemans. Amsterdam, 
1880.— 

Auszüge aus den auf einer Neu Guinea-lleise im jahre 1873 
geführten Tagebüchern von Adolf Bernhard Meijer als Erlaü- 
terung zu den Karten der Geelvink-Bai und des Maccluer- 
Golfes. Dresden, 1875.— 

G. Masson, éditeur libraire de 1' Académie de Médicine. Ca- 
talogue général par ordre alpbabétique. — 

Schlosser (Johannes Alrertus) . Over de Amboinsche haag- 
dis, met handschrift van den schrijver. — 

Dictionnaire de Ghimie pure et appiiquée, comprenant la 
Chimie organique et inorganique, la Chimie appiiquée a 1'In- 
dustrie, a 1'Agriculture el aux Arts, la Chimie analytique, la 
Chimie physique et la Mineralogie par Ad. Wartz avec la 
collaboration de M. M. J. Bouis, E. Caventow, etc. Tomé 1, 
2 et 3 — 

Ueber den Gebirgsbau der Insel Java. Bonn. Karl L. 
Reinicke. — 



418 

Midden Sumatra. Reizen en onderzoekingen der Sumat ra- 
expeditie uitgerust door het aardrijkskundig Genootschap, 1877 — 
1879, beschreven door de leden der expeditie onder toezicht 
van prof. P. J. Veth. 

Ie afl. I, Ie ged. Reisverhaal door A. L. van Hasselt en 

Joh. F. Snelleman. 
Ie afl. II. Aardrijkskundige beschrijving door D . D . Veth. 
Ie afl. III. Volksbeschrijving en taal, 2e ged. doorA. L. 

van Hasselt 
Ie afl. IV. Natuurlijke Historie door Joh. F. Snelleman, 
met medewerking van vele buiten en binnenlandsche 
geleerden , 
benevens atlas bij de aardrijkskundige beschrijving. — 

Notulen der vergadering ter bespreking van de koffieblad- 
ziekte, gehouden te Samarang op Dinsdag 3 Augustus 1880.— 
Beitrage zur Naturgeschichle der synapta digitata. Drei 
Abhandlungen von Dr. Albert Baur. Mit 8 Tafeln. Beson- 
derer Abdruck aus Band 51 der Verhandlungen der K. L.C. 
D. Akademie. — 



&o 



ERRATA 



lz. 202, 


regel 12 vb. 


s/aa/ : 


Tau, lees: F au. 




9 


3 v.o. 


9 


Pbrale Gasnarinas , lees : schra- 
le Gasuarina's. 




» 


2 » 


» 


Bobeo, lees: Bobea. 




9 


1 » 


)) 


Melastoma Santalea , lees : Me- 
lastoma, Santalea. 


» 203, 


» 


8 vb 


» 


Wij waren allen, lees: De 
Heeren waren mij allen. 




» 


9 v.o. 


» 


rotssteenen, lees: rolsteenen. 




9 


8 »> 


» 


Senofie, lees: Senafie. 


» 204, 


.» 


5 en 6 v 


b. » 


direct van... uit een lees', di- 
rect, van... uit, een. 




» 


5 v.o. 


» 


Tau, lees: Fau. 


» 20Ö, 


» 


19 » 


» 


Saccharifera , lees: sacchari- 
fera. 




» 


4 . 


» 

en: 


Bamboe Colocasia antiquarum, 
lees: Bamboe, Colocasia an- 
tiquorum . 

Macasia, lees: Alocasia. 


• 206 , 


» 


19 v.o. 


staat : Sanlamea , lees : Soulamea . 




9 


17 » 


» 


Amboinensis, lees: amboi- 
nensis. 




» 


16 • 


» 


albo, lees: alba. 




9 


9 » 


» 


Pangamia, lees: Pongamia. 




9 


7 •» 


9 


Koenigia, lees: Koenigii. 


» 207, 


9 


2 v.b. 





Graminatophyllum , lees : 
Grammatophyllum . 




» 


4 » 


» 


Aroliacea, lees: Araliacea. 




» 


8 » 


9 


Mecsia, lees: Maesa, 



420 



lis 


207, 


regel 


110 v.b. 


staat 


-.Meloleuca, lees: Melaleuca. 






» 


17 • 


» 


Orchidea, lees 


: Orchideae. 






» 


9 v.o. 


» 


Moba, lees: Maba. 


» 


209, 


» 


8 v.o. 


» 


koenigie, lees: 


Koenigii . 


» 


210, 


» 


14 v.b. 


» 


koele, lees: holle. 






» 


7 v.o. 


» 


waren, gelegen, lees: waren, 












niet ver van 


elkaar gelegen . 





213, 


B 


5 v.b. 


» 


Bintoeni, lees: 


Bentoeni . 


» 


214, 


» 


2 v.b. 


» 


Tamboni , » 


Tambani . 






» 


B » 


» 


Rossamala, » 


Rasamala . 






» 


8 » 


» 


pedo's , » 


peda's . 


» 


215, 


J» 


8 v.o. 


» 


Roemkobo, » 


Roembobo . 


• 


216, 


» 


7 v.o. 


» 


30 


3. 






» 


5 »> 


» 


Sarrong, » 


Sorrong . 


1 


217, 


n 


7 v.b. 


» 


GolophYllium ] 


[nophyllium, 



lees: Calophyllum Inophyl- 
lum. 

en: Calapa, lees: Catappa. 
11» » Orchideën , varens, Myrinecor- 

dia , Hydrophytium , lees •' 
Orchideae , Varens , Myr- 
mecodia, Hydnophytum . 

6, lees: 60. 

aan tabak, lees: aan: tabak. 

Roen, lees: Roon. 

Massore, lees: Mafore. 

tjidoko, lees: tjidako. 

Roen, lees: Roon. 

van Orang Pelain, lees: der 
Orang Patanie. 

Mangarani, lees: Mangareni 

Merapien, lees: Meropien. 

Meosnoem, lees: Meoswaar. 

antiquovium, lees: antiquorum, 

Jae, » Jav. 

Biuf, » Bieef,; 



218, 


» 


7 v.b. 


219, 


» 


16 » 


220, 


» 


6 v.o. 


221, 


» 


13 v.b. 


222, 


» 


15 v.o. 


224, 


» 


10 v.b. 




» 


16 » 


225, 


» 


10 v.o. 


226, 


» 


19 v.o. 




» 


6 v.o. 


250, 


» 


2 v.b. 




• 


4 , ö en 7 v . b . 




• 


6 v.b. 



421 



Blz. 230, regel 8 v.b 



staat 



» 9 » * 

» 14 v.o. » 



• 237, » 17 v.o 

» 10 »» 

» 240, » 10 v.o 

» 246, » 8 v.o 



k 



§ 


251, 


» 


11 v.b. 


& 






» 


12 v.o. 


• 


256, 


» 


13 v.b. » 






» 


15 en 4 v.o. 




» 


257, 




9 en 12 v.b. 
12 v.o. 


n 


• 


258, 


» 


13 v.b. 


» 


260, 


» 


5 v.b. » 






» 


6 en 9 v . b . » 


n 


261, 


n 


10 v.b. 






» 


9 v.o. 1 


* 


262, 


» 


6en9 v.b. J 


» 


263, 


» 


5 v.b.) 






» 


12 v.o.| » 


« 


264; 


» 


14 v.o.; 


• 


267, 


» 


8 v.b. 






» 


11 v.o. » 






» 


5 » » 






» 


4 » 


* 



Abelinachus manchat , lees : 
Abelmoschus manihot . 

Maop, lees: Koop. 

Gossypium nilifolium of Ter- 
namboekatoen , lees: Gossy- 
pium vilifolium of Fernam- 
buckatoen . 

Koeroedoe , lees : (Koeroedoe) , 

Amberno, » Ambermo. 

Tabu, » Tabie. 

Volkenaarsbaai , lees: Valke- 
naarsbaai . 

Casuarinaceën, lees: Casuari- 
neen. 

Reijer, lees: Beijer. 

Pangamia, lees: Pongamia, 

6 lees: 7. 

Dodiengo, lees: Dodienga. 

karel, schilpad, lees: karet 

(schildpad). 
Mamaeja, lees: Mamoeja 
Larie, lees : Lorie . 
Cyperacea, lees: Cyperaceae, 

Mamaeja, lees : Mamoeja 

Swakenara , lees : Swakenora , 

Madolo , lees : Madalo . 

onvruchtbaar, lees: vrucht- 
baar. 

Doko-lamo , lees : Dokko-lamo , 1 

koesoe-ksesoe , lees : koesoe* 
koesoe. 



422 



Blz. 268, regel 5en9 v.b.{ 

> $taa* : Swakenara , /<?<?$ : Swakenora. 
» 10 v.o. !> 





» 


12 v.b. 


» 


Dodiengo, /ees: Dodienga. 


269, 


» 


2 v.b. 


» 


Tarateh, lees: (Tarateb). 




» 


12 » 


» 


weg, lees: omweg. 


271, 


» 


18 » 


» 


megapodius, lees: (megapo- 
dius) . 




» 


10 v.o. 


» 


kanarie, lees: (kanarie) 


272, 


» 


4 v.b. 


» 


Globba, lees: Galoba. 




* 


12 v.b. 


» 


madolo, lees: madalo. 


275, 


» 


1 v.o. 


» 


Colodrocon, lees: Calodracon. 


278, 


» 


7 v.b. 


» 


Mekem, lees: Mekern. 




» 


15 v.o. 


» 


wijn, lees: uien. 


279, 


» 


15 n 


» 


rotundifiora, lees: rotundifolia